Bekijk het origineel

Kerk en Staat.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kerk en Staat.

12 minuten leestijd

Nu de Verklaring van Dr. Kuyper van meer dan ééne zijde gediffameerd is, als in strijd met zijn vroegere uitspraken over deze teedere • quaestie, wenschen we ook aan de lezers van de Heraut voor te leggen wat desaangaande in 1878 door Dr. Kuyper geschreven is.

We geven daartoe ditmaal alleen hetgeen hij destijds schreef over de algemeene beginselen, om een volgend maal zijn toenmalig oordeel over te drukken wat aangaat de toepassing dier beginselen in de wet.

De term »Staatskerk" wortelt in het denkbeeld van een rijk, waarin het staatkundig leven der natie (als geheel genomen) historisch ingroeide in een bepaalde kerkelijke confessie; zich bond aan een bijzondere kerkorde; en zijn hoogste uiting vond in een vast omschreven vorm van eeredienst.

Kerk en Staat zijn dan één en lotgemeen, door het feit dat de natie, die »als geheel" in eenzelfde staatkundig leven inging, óók »als geheel" inging in eenzelfde kerkelijk leven; en dat wel meest in dier voege, dat eerst de kerkgemeenschap ontstond, en eerst d d d, r u i t de staatkundige gemeenschap geboren werd.

Zuiver ontwikkelde zich deze toestand dus slechts daar, v/aar (gelijk bij de stichters van New-England) de »natie als geheel" ten deze tijdelijk gedekt werd door de persoonlijke wilsuiting van schier allen, die tot het lichaam der natie hoorden. Dan toch werd deze theocratische toestand aanvankelijk door de sympathie van elk gezin in het volksgeheel gedragen, en kwam dus aan een ieder ten goede, zonder iemand tot hinder te zijn. Aldus steunend op een plebisciet, dat, als beginsel van souvereiniteit volstrekt onhoudbaar, even onmisbaar wordt zoodra er sprake is van de consciëntie en het iemands stand raakt voor God.

Maar zóó zuivere toestand bleef hooge uitzondering en duurde meest uiterst kort.

In den regel toch koos in beslissende tijdsgewrichten harer historie wel de natie als natie oor eene speciale kerkelijke belijdenis; maar zonder dat daarom nog elke geleding en elke cel in het volksorganisme met bewustheid deze eslissende keuze meemaakte.

Hieruit ontstond dan, gelijk ten onzent in de i6de eeuw, de pijnlijke verhouding, dat het toongevend bestanddeel-der natie haar politiek aan haar kerkelijk leven huwde en in een beaalden vorm goot; maar zonder dat de massa des volks op dat eigen oogenblik de keuze nog olgen kón, of op den duur volgen wilde.

Toen het Calvinisme hier te lande triomfeerde en de Gereformeerde Staatskerk in het leven trad, behoorde misschien nog geen derde der andzaten tot 'de Gereformeerde religie; terwijl van de resteerende twee derden allicht de helft, a, bereid was, van Roomsch dat ze waren, zich Gereformeerd te laten maken, naar het uitviel; maar de wederhelft zeer stellig liever elk offer bracht, dan zich at te laten trekken van haar' oorvaderlijk geloof.

Bij verloop der historie is toen in de 17 de euw hieruit allengs de toestand geboren, dat een derde der bevolking Gereformeerd was; en ander derde Gereformeerd heette, en het aatste derde Roomsch bleef. Maar met dien erstande dat onder die twee derden Gereforeerden alsnu de indifferenten meetelden, terwijl e Calvinisten van echten huize reeds merkbaar an hunnen oorspronkelijken geloofsmoed waren ntzonken.

Hierdoor nu kwam de ideale gedachte, die nzen opstand tegen Spanje bezielde ten deele, ngemerkt, bij het omgekeerde uit van wat de elden van dien worstelstrijd hadden bedoeld.

Bedoeld toch was een Kerkstaat te stichten, aarin, een iegelijk voor zich en allen sa0, m, uit rijen drang der consciëntie, zich voegen zouden nder de zuiverder religie naar Godes Woord; an de glorie van dat Woord hun nationale eer erpanden wilden; en alsnu, met alle macht der atie, in en buiten Europa, voor den bloei dier ereformeerde religie zouden opkomen; om aloo alle tyrannie der consciëntie af te breken n Romes dwingelandij te weerstaan.

En daar zou men ook toe gekomen zijn indien et namelijk gelukt ware, nagenoeg geheel de evolking tot deze Gereformeerde religie te doen overgaan; indien men deze religie zelf zuiver ad gehouden; en bijaldien de hooger eenheid van kerkelijke en politieke macht op vaster voet are geregeld.

Maar toen dit deels niet beproefd werd, deels mislukte, d. w. z. toen men de Roomsche bevolking Roomsch liet; zelf van de zuiverheid der religie afdoolde, en als Kerk en Staat over en weer op een voet bleef leven, die van een welgeordende verhouding eer het tegendeel mocht heeten; toen kon het niet anders, of de tyrannie moest, uit noodweer; edoch nu onder de Gereformeerde banier; wel terugkeeren, en aldus het huwelijk tusschen Staat en Kerk ons nationale leven; zoo in kerkelijken als in politieken zin; steeds meer doen ontzinken aan zijn glorie.

Maar hiermee was de Staatskerk ten onzent dan ook geoordeeld; en wgl nu de Staatskerk elders al even droeve vrucht geteeld had; en de ontwikkeling des geestes er heen ging, om zich steeds meer te individualiseeren; en in de boeken des_ Nieuwen Verbonds elke aanduiding ontbrak, die gebood, staatseenheid en kerkeenheid in de practijk te doen saamvallen; en het goede Woord Gods gemeenlijk nog het beste wies bij de Gereformeerde kerken onder het kruis, die eiken politieken steun misten; zoo heeft zich uit dezen samenloop van ervaringen en overwegingen van lieverlee; eerst in Amerika, toen in Schotland en Zwitserland, en zoo ten leste ook hier te lande; de overtuiging ontwikkeld, dat de Staatskerk prijs te geven alraeer eisch Werd van het geloof.

Wat men intusschen nooit zóó opvatte alsof een volkomen en volstrekt saamvallen van de politieke en kerkelijke eenheid niet het hoogste en heerlijkste ideaal steeds geweest ware, en ook nu nog voor ons bleve. Dit toch belijdt elk Christen, èn in zijn belijdenis van de eenheid der priesterlijke en koninklijke ambten van den Christus, èn in zijn verwachting van het Koninkrijk dat komt. Maar in dien zin: dat deze hoogste eenheid, feitelijk, bij het verschil van denkwijzen, niet te realiseeren is; in deze bedeeling door een Staatskerk eer belemmerd dan bevorderd wordt; en dus' wel een voorwerp onzer hope bij Jezus' toekomst kan zijn, maar niet van actueel bezit.

En deze eenheid nu desnietter.in; in weerwil van het verschil van denkwijze; ondanks de droeve ervaring van het verleden; en niettegenstaande de betere vruchten, die het tegenovergestelde systeem reeds droeg; toch met politieke macht in den vorm eener Staatskerk te willen dwingen, zou dan o. i. ook niet anders zijn, dan het oude lijden nog eens hernieuwen; den bloei van het geloofsleven tegenstaan; en aan Rome, als door haar machtiger organisatie zooveel beter tegen staatsinvloed opgewassen, den triomf verzekeren over alle kerken van Protestantsph belijden.

Kiezen we op dien grond dan ook tegen elk denkbeeld van een iStaatskerk, " en aanvaarden we derhalve de ontbinding van het huwelijk, dat eens ter kwader ure tusschen Staat en kerk gesloten werd, toch dichte daarom niemand ons de bedoeling toe, alsof we nu beide op zulk een wijs uit elk onderling verband zochten te rukken, dat ze voortaan letterlijk niets meer met elkair hadden uit te staan.

Zelfs de clausule toch: JScheiding niet tusschen godsdienst en Staat, maar alleen tusschen Staat en kerk" bevredigt ons in het minst niet.

De overheid is, naar onze vaste overtuiging, dienaresse Gods; bij sGodes gratie" gezagoefenend; geroepen tot zijn eer; en dus gebonden aan zijn ordinantiën; en kan zich even deswege niet buiten aanraking met het godsdienstig leven der natie houden. En geeft men daarbij nu voet aan de valsche gedachte, dat die aanraking wél met het godsdienstige, maar niet met het kerkelijke leven der bevolking mag en moet plaats grijpen, dan komt men vanzelf tot de heillooze consequentie, waarbij we nu dan ook reeds het vierde eener eeuw geleden zijn aangeland : t. w. dat er óf een soort staatsgodsdienst zich ontwikkeld boven kerkverdeeldheid, óf wel dat te meer voorkeur door de overheid aan eenige religie gegeven dient te worden, naarmate ze zich minder aan den kerkvorm hecht.

Dit nu is buiten de werkelijkheid gerekend. In die werkelijkheid toch bestaat het godsdienstig leven der natie nu eenmaal voor de overgroote meerderheid niet dan in den kerkelijken vorm; en het is dan ook in dien vorm, en in dien vorm alleen, dat de overheid met deze uiting van het nationale leven in aanraking heeft te treden.

Scheiding tusschen kerk en Staat" beteekent derhalve in onzen gedachtengang drieërlei: i. dat de politieke eenheid der nalie ten onzent niet langer gepaard gaat met een kerkelijke eenheid; 2. dat kerk en Staat beide elk een eigenaardig levensterrein hebben, waarop beide als dienaressen Gods optreden, en dus over en weer op eikaars erf het recht missen tot uitoefening van dwang; en 3. dat de verhouding tusschen beide bilateraal dient geregeld, bij wijze van vaste correspondentie.

Juist met het oog daarop, handhaven we dan ook gestrengelijk het publiek-rechtelijk karakter der Christelijke kerkgenootschappen.

Dit is niet bedoeld in den ouden zin van: ^Publicum jus in sacris, in sacerdotibus, in magistratibus consistit" > ), alsof het canonieke of kerkrecht alsnog van publieke autoriteit en gelding in het Rijk der Nederlanden zou zijn. Maar wel zóó, dat de Christelijke kerkgenootschappen zelven publicijuris zijn. Een bewering, die protest aanteekent tegen de nu gangbare poging, om de kerkgenootschappen op gelijke lijn te plaatsen met een zangvereeniging of een schermgezelschap of een dansclub, en ze dus te doen vallen onder de rubriek van de gewone svereenigingen". Een pretentie die staande houdt, dat de kerkgenootschappen als lichamen »sui generis" (d. i. die zich met geen andere vereenigingen vergelijken laten) aanspraak hebben op een zelfstandige regeling; dat ze, ' als oefenende heerschappij over haar leden, nog eer deze tot vrije wilsuiting kwamen, in het belang der vrijheid aan bij zondere bepalingen onderworpen behooren te zijn, en dat ze, als vormende een der hoogste en noodzakelijkste uitingen van het nationale leven, niet beschouwd kunnen ot mogen worden als accidenteel. En alzoo een theorie, die de onweerlegbare stelling bepleit: dat Staat en kerk niet dan totwederzijdsche schade hun eigen 's weegs kunnen gaan; en over en weer het best varen bij een op vasten voet geregelde correspondentie.

Deze correspondentie (reeds door de Synode van 1619, blijkens haar rescript aan Hoog-Mogenden, bedoeld) zouden we dan het liefst onderhouden zien door een vast college, waarvoor de overheid drie politieke personen als moderamen aanwees, en waarin voorts alle kerkgenootschappen zitting konden erlangen, die op behoorlijke wijze hun officieele belijdenis van het Christelijk geloof, alsmede hun kerkorde en liturgie hadden overgelegd; waarborg boden, dat deze officieele oorkonden metterdaad de uitdrukking waren en bleven van hun kerkelijk leven als zoodanig; en bewijzen konden, datb.v.minstens een honderdduizeadtal zielen tot haar kerkgemeenschap behoorden; en zendende alsdan voor elke honderdduizend zielen naar dit college één deputaat.

De beraadslaging van dit college zou schriftelijk bij manier van curiën dienen gehouden te worden; d. w. z. dat de afgevaardigden van elk kerkgenootschap een afzonderlijke curie zouden vormen, en dus zouden te beraadslagen hebben niet in p l e n o, maar in eigen boezem.

Van dit college zou alsdan advies door de overheid behooren gevraagd te worden over zaken, die óf de kerkgenootschappen, èf den godsdienst of de zedelijkheid raakten, b. v. biddagen; in zake de wetgeving op het huwelijk; op den eed; op de Zondagsviering; op het onderwijs; op de armenverzorging; op de hoererij ; op de publieke eerbaarheid enz. En omgekeerd zou aan dit college, of zijn curiën, advies door de overheid te geven zijn bij elke regeling op kerkelijk terrein: in zake vestiging van gemeenten; verandering van gemeentelijke grenzen; kerkbouw; doopsregisters, huwelijkssluiting, schoolstichting, enz. En dat wel beide malen met dien verstande, dat noch de overheid aan de adviezen van dit coUegie, noch de kerk aan de adviezen van de o/erheid op eigen terrein, anders dan door overreding, zoude te binden zijn.

Door het optreden van zulk een collegie zou de stugheid, die thans de verhouding tusschen Staat en kerk zoo vaak ontsiert en bederft, vanzelf gebroken zijn; botsing voortaan worden voorkomen; en zou er, in elk voorkomend geval, een adhoc gekozen collegie bestaan, dat, op beleefden voet (zonder eenige binding van wederzij dsche vrijheid) aan de overheid kon doen weten, wat de kerk van den-Staat vroeg, en der kerke kon doen aanzeggen, wat in vorm van liturgie en kerkorde door den Staat van de kerk werd gewenscht.

Met name zou hierdoor het niet geringe voordeel verkregen worden, dat de overheid in tijden van volksrampen weer als vanouds een orgaan bezat, om boet-en bededagen, onder rechtstreeksche medewerking der kerkgenootschappen, uit te schrijven. Zou tevens in de voorzitters van deze curiën het personeel zijn aangewezen, dat bij officieele gelegenheden de Christelijke kerkgenootschappen vertegenwoordigen kon. En zou; wat ook veel gewonnen ware; hiermee tevens het collegie zijn gevonden, dat recht van besUssing had voor al die netelige gevallen, waarin de overheid zelve tot verzorging van het godsdienstig leven geroepen is: als bij de veldprediking; op de vloot; in gevangenissen; in gasthuizen, en wat dies meer zij.

En, in trouwe, wie met ons tegen elke Staatskerk is; en toch zoo min als wij zich neer kan leggen bij de liberalistische theorie, dat kerk en Staat elkaar als vreemden op straat voorbij moeten loopen; kan die, zoo vragen we met ernst, kan die op den duur ontkomen aan den klem van het betoog: dat in > een Christenland van gemengde bevolking" een correspondentie op vrijen voet met een gemengd collegie uit de Christelijke kerkgenootschappen, voor een overheid, die haar roeping ernstig opvat, de eenig logische consequentie en tevens profijtelijkste uitweg is?

Van Joden, unitariërs of atheïsten-corporatiën kan hierbij natuurlijk geen sprake zijn, wijl een kerk ophoudt als kerk denkbaar te wezen, zoodra de aanbidding van den Christus als onzen Heer en Gebieder wegvalt.

Immers op grond van de nauwkeurigste en scherpzinnigste onderzoekingen (vooral van Jacobson) staat thans tweeërlei vast: a. dat kerk etymologisch afgeleid is van y.^p/os; en i dat Kvpio? in dezen woordvorm exegetisch niet'op God slaat, maar op den Christus.

Bij eventueele Grondwetsherziening zal er derhalve zeer zeker ook voor de religieuse gemeenschap van niet-Christenen een vorm te zoeken zijn, maar moeten ze ui» de rij der kerkgenootschappen, in naam der wetenschap, worden geschrapt.

Nu is het natuurlijk niet de vraag, of de schrijver thans, na bijna twintig jaren, niet hier of daar een andere uitdrukking zou gekozen hebben.

Maar wat den gedachtengang en de ontwikkeling der denkbeelden betreft, dienen we toch te vragen:

Vooreerst, of dit niet geheel hetzelfde is wat Dr. Kuyper nog steeds belijdt.

En ten andere, wat hiertegen van Christelijk standpunt steekhoudends is aau te voeren.

') «Het publieke reclit bestaat uit de bepalingen, die in den tempel, onder de priesters en bij den magistraat gelden." (L. i. § 2. de just, et de jure.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Kerk en Staat.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken