Bekijk het origineel

uit be Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

uit be Pers.

9 minuten leestijd

In de Vrije Kerk bespreekt Ds. Bos op kalme, heldere wijze o. m. het vraagstuk, of de menschheid verloren gaat, en slechts enkelen behouden worden.

Wij denken hier aan de uitdrukking: > het mensche-Ijjk geslacht" wordt behouden, en »de enkelingen" gaan verloren. Dat «enkelingen" beteekent niet ïcnkelen", alsof uit die stelling afgeleid moest worden, dat slechts enkelen van de vele millioenen menschen verloren gingen, terwijl al de anderen zalig worden. Neen, het wil zeggen: wat behouden wordt is het menschelijk geslacht, afgedacht van het aantal menschen, en wat verloren gaat zijn enkelingen, zijn aan te merken als op zichzelf staande personen, individuen, die geen geheel, geen eenheid, geen organisme vormen. De boom van het menschelijk geslacht blijft, vernieuwd, herschapen, seuwig; doch de ongeloovigen, of die verloren gaan, •worden van dien boom des menschelijken geslachts, evenals doode takken, afgehouwen en in het vuur des eeuwigen verderfs geworpen. Kan die uitdrukking er door, is zij gewenscht, en gaat de Heilige Schrift ons daarin voor, of is ze meer eene uitdrukking, ontleend aan het uitgangspunt, waarvan men uitgaat in de behandeling der heilige Godgeleerdheid? En dan is ons oordeel, dat de uitdrukking gebruikt kan worden met zeer goede bedoelingen. Tegenover het z. g. individualisme, dat de menschen zich alleen denkt als op zichzelf staande personen, zonder verband en samenhang, zonder eenheid en organisme, als losse zandkorreltjes naast elkander gelegen, ieder voor zich slechts op eigen behoud bedacht, toevallig op elkander geUjkende en uit eigen belang samen levende, — tegenover dat mdividualisme is het zeer gewenscht, ja volstrekt noodig, op de eenheid van het menschdom, als éénmenschengeslacht te wijzen. Het riekt naar het modernisme in zijn ergste soort, de menschen één voor één naast elkander te zetten; het brengt noodzakelijk tot het: »ben ik mijns broeders hoeder", en het is in strijd met de leer der Heilige Schrift, dat God ïuit eenen bloede het gansche geslacht der menschen heeft gemaakt." In onze Belijdenis (art. 17) staat dan ook: »Wij gelooven, dat onze goede God, door zijne wonderiijke wijsheid en goedheid, ziende, dat zich de mensch alzoo in den lichamelijken en geestelijken dood geworpen en geheel ellendig gemaakt had enz." En dan is die mensch wel in de eerste plaats Adam «die al bevende voor Hem vlood"; doch niet alleen Adam is geheel ellendig gemaakt, en God kwam niet alleen om »hem gelukzalig te maken", maar dan zit in dien eenen mensch, naar Gods bestel, heel het menschelijk geslacht. In het Paradijs is »onze natuur", de menschelijke natuur, de natuur van het menschelijk geslacht, alzoo verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden" (Zondag 3). Er is maar één menschelijk geslacht, van hoevele rassen men ook spreke. Alle menschen kunnen als één geheel beschouwd worden. Al blijven er op een gegeven oogenblik ook maar acht menschen over, zooals tijdens den zondvloed in Noachs arke, dan hebt ge toch nog het menschelijk geslacht. MiUioenen menschen kwamen in den watervloed om, doch het menschelijk geslacht bleef bewaard. Het algemeene begrip »menschelijk geslacht" is niet slechts een 7iaam, maar bestaat in werkelijkheid. Hoewel wij

niet alles overnemen wat indertijd door de Realisten beweerd is, en wij ons niet begeven willen op meer zuiver wijsgeerig terrein, gelooven wij toch, dat in dat opzicht de Realisten het beter voor hadden dan de Nominalisten.

Wil men dus beweren, dat het menschelijk geslacht behouden wordt, omdat in de behoudenis van menschen, hetzij dan velen of weinigen, het menschelijk geslacht behouden blijft, dan stemmen wij dat van harte toe. Wij gelooven zelfs, dat er geen oogenblik geweest is, dat het menschenlijk geslacht op aarde in dien zin weg was, zoodat er geen mensch meer leelde, die wedergeboren was. Geestelijk is ook het menschelijk geslacht op aarde nooit in ongeloof en verderf uitgeroeid geweest. Er bleven altijd over, die geestelijk leefden, al was hun getal ook nog zoo klein, en die enkelingen, of die weinigen, kan men met recht en reden het menschelijk geslacht noemen. En wie zou dan durven beweren, dat de schare die niemand tellen zal, den naam van het menschelijk geslacht niet zou mogen dragen? Wij gaan zelfs verder, en geven toe, dat zij, die verloren gaan wel menschen zijn, en het menschelijk geslacht ieder voor 'zich vertegenwoordigen, of wilt ge liever, dragen; doch zij missen de eenheid, die de geloovigen in Christus Jezus hebben. De boom van Adam, in verderf en ondergang . zijnde, ^geheel ellendig gemaakt, " wordt eens omgehouwen, en wee, die niet in Christus overgeplant zijn: zij zullen vergaan. Ook allen, die wel tot de zichtbare Kerk op aarde gerekend werden, doch onvruchtbare takken waren, worden eens afgehouwen en in het vuur geworpen. En deze allen, niet overgeplant, niet in Christus ingelijfd, hebben geen eenheid, vormen geen lichaam, gelijk zij, die in Christus Jezus, den waren olijtboom, zijn ingeplant, en onder het Hoofd, Jezus Christus, één lichaam vormen. De dood scheidt; het leven vereenigt. Zij die dood zijn in zonden en misdaden, en dood blijven, zonder in Christus weder levend gemaakt te worden, blijven eeuwig dragen het karakter van den dood: gescheiden van God, los van God en los van elkander, in een eeuwigen str^d tegen God, lasterende en elkander verdervende. Wat dus behouden wordt van de menschen kan aangemerkt worden als één geheel: het menschelijk geslacht in den waren zin des woords, en wat verloren gaat kan beschouwd worden als enkelingen, afgehouwen en uitgeroeid, zonder ooit weer onder één hoofd gebracht te worden. Zóó kan die uitdrukking er dus wel door. •

Doch dan komt de bedenking:

Is zij echter gewenscht? Natuurlijk, wat er door kan, wat waar is, en voorzoover het waar is, kan en mag, ja moet gezegd. En toch hebben wij er bezwaren tegen, en vinden we het niet gewenscht, die uitdrukking in onze Kerken inheemsch te maken. Waarom niet? Vooreerst omdat zij meer schijnt te willen zeggen, dan er, goed opgevat, werkelijk mee gezegd wordt. Dat niet heel het menschelijk geslacht verloren gaat, maar dat er behouden worden; dat God den door Hem geschapen, doch van Hem afgevallen mensch, weer heeft opgezocht, om hem zalig te maken; dat God met den mensch, naar Zijn beeld en tot Zijn eer en heerlijkheid geschapen. Zijn plan bereikt, trots tusschenkomst van satan, en niettegenstaande millioenen verloren gaan; dat dus dat deel der schepping, dat het pronkstuk der schepping kan heeten; dat deel, hetwelk de mensch, het menschelijk geslacht is, niet teloor, niet verloren gaat, voor eeuwig aan zijne bestemming ontrukt, — dat is duidelijk voor allen die aan Gods Woord vasthouden. Er is niemand onzer, die daaraan twijfelt. Doch als zoo uitdrukkelijk wordt gezegd: het menschelijk geslacht wordt behouden en de enkelingen vallen af, dan schijnt die uitdrukking, die eene tegenstelling bevat, wat meer en wat anders te willen zeggen. Het schijnt zoo den indruk te moeten geven, dat het met dat verloren gaan niet zoo erg zal afloopen, als sommigen wel denken: ja, er gaan verloren, doch dat zijn maar enkelingen; het menschelijk geslacht blijft behouden. Dat wordt niet bedoeld; doch die indruk wordt licht gegeven. En dat wil er bij den mensch wal in. Men moet in de Gereformeerde Kerken voorzichtig zijn met de termen, die worden gebruikt. De zegsman van heden bedoelt het goed, doch straks komt er een, die een ander gevoelen voorstaat, remonstrantsch van karakter, en die gebruikt die termen ook, maar in verkeerden zin, en met geheel andere bedoelingen. En zoo glijdt men mogelijk langzamerhand van 't rechte spoor af. — Maar, zegt ge, vrees is altijd een slechte raadgeefster. Willen booze menschen, tot hun eigen verderf, de woorden verdraaien, of verkeerd uitleggen, dat kunnen wij niet helpen. Dat was in de dagen van Petrus met Paulus' woorden ook alzoo, en toch houden wij aan Paulus' woorden vast; zelfs al zijn sommige dingen in zijne brieven zwaar om te verstaan. — Dat is volkomen waar. Als dus de terminologie bijbelsch was; als die uitdrukking ook in den Bijbel stond; als Paulus, oi wie ook van de heilige schrijvers ze gebruikte, dan waren we klaar; dan moesten we de uitdrukking gebruiken, en handhaven ook, wat er ook van kwam. Doch de vraag is, of dat zoo is? Gaat de''^eilige Schrift ons daarin voor? Waar lezen wij in; i3nzen Bijbel, dat het menschelijk geslacht behouden Wordt, en dat de enkelingen verloren gaan ? Wel wordt in beeldspraak uitgedrukt dat de Kerk behouden wordt, en dat, vóór zij opgenomen wordt in den hemel, de valsche leden er uit verwijderd zullen worden. Bijvoorbeeld, van den wijnstok worden de niet vruchtdragende ranken afgesneden en in het vuur geworpen, enz. Doch Kerk en menschelijk geslacht is nog niet hetzelfde. Tenzij men zegt, dat de Kerk, of liever dan, de Gemeente van Christus, eigenlijk het menschelijk geslacht is. Doch dat zeggen geeft weer aanleiding tot misverstand. Trekt die lijn maar even door in uwe gedachte. Als de gemeente van Christus alleen het menschelijk geslacht is, dan mag niet gezegd worden, dat God den mensch, of het menschelijk geslacht in het algemeen weldoet, bijv. in de «gemeene gratie." Dan is er op aarde geene geschiedenis van het menschelijk geslacht, maar alleen van de Gemeente des Heeren. Ja, dan weet men met stellige zekerheid van niemand, of hij wel tot het menschelijk geslacht behoort, want wij weten niet, of deze of gene werkelijk een kind des Koninkrijks is. Wij vereenzelvigen daarom het menschelijk geslacht en de Kerk des Heeren liever niet. Welnu, deze dingen niet verwarrende, waar lezen we dan in den Bijbel, dat het menschelijk geslacht behouden wordt, en dat de enkelingen verloren gaan?

We lazen dit met genoegen. Er spreekt 1)Ulijkheid in, en alle pogen om ons in verkeerd licht te plaatsen, is afwezig.

Toch, dit begrijpt men wel, hebben wij met de conclusie geen vrede.

Voor ons is niet in het spel »een uitdrukking, die er wel meê door kan", maar een beginsel. Welk beginsel?

Dit, of het menschelijk geslacht een organisme is.

Doch reeds een vorig maal kwam in ons stuk over de gemeene gratie deze quaestie breeder aan de orde.

We meenen daarin aangetoond te hebben, dat onze voorstelling wel terdege Schriftuurlijk in echten, hoogen zin is.

Daarom thans hierover niet maer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 juli 1897

De Heraut | 4 Pagina's

uit be Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 juli 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken