Bekijk het origineel

„Ik heb den smid geschapen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Ik heb den smid geschapen."

9 minuten leestijd

Zie, Ik lieb den smid geschapen, die de kolen in het vuur opblaast, en die het instrument voortbrengt tot zijn werk; ook heb Ik den verderver geschapen, om te vernielen. Jesaia 54 : 16.

Begrijpelijk, maar allerminst natuurlijk is het, dat wie zich krachtig voelt opgewekt, om den Heere te dienen, schier uitsluitend lust heeft in zijn geestelijke7i dienst.

Het feit valt niet te loochenen, zoomin onder onze jonge mannen, als onder onze jonge dochteren.

Wie jong is, en hooggeestelijke aandrift ia zich gevoelt, wil predikant, wil zendeling, wil evangelist, wil godsdienstonderwijzer, wil desnoods bijbelcolporteur worden, of ook het hospitaal ingaan of kranken in de wijk gaan verplegen, maar altoos moet het een levensroeping, eene levensbestemming, een levensarbeid zijn, die rechtstreeks met den geestelijken dienst van het Koninkrijk in verband staat.

Tot de ure van zijn bekeering was men bakker, of timmerman, of metselaar, of smid, of werkte op een kantoor, of stond achter de toonbank, en in zijn onbekeerden staat had men daar vrede meê, soms schik er in. Maar nu voor het geestesoog een andere, een hoogere, een geestelijke wereld is verschenen, vindt men dien gewonen gaag des levens onbeduidend, nietig, zonder prikkel of bekoring, en haakt en hunkert naar minder stoffelijke levenstaak.

Men kent nu zijn Heiland, en. voelt drang en ijver in zich, om dien Heiland althans in den Voorhof, zoo het kan in het Heilige te dienen, en vindt zich toegesproken door de zielsuiting der Levieten van oude dagen, dat één dag in de Voorhoven des Heeren beter is dan duizend elders, en dat dorpelwachter aan de Tente des Heeren te zijn het ideaal des levens is te achten.

Wie kan breekt dan met zijn verleden, geeft er de oude carrière aan, om een nieuwe, geestelijker loopbaan te kiezen. En het is onder dien, deels ongetwijfeld geestelijken impuls, dat meer dan één die vroeger met de handen arbeidde, of in het stoffelijke zijn levenstaak vond, nu prediker werd, of missionaris, of in onze ziekenhuizen, een bezigheid ging zoeken, die in eigen huis niet meer aantrok.

Op die anderen, die in deze lagere sferen des levens zich nog thuis gevoelden, zag men dan wel niet minachtend, maar toch min of meer van eigen geestelijke hoogte neder.

Zij wisten nog niet beter, zij zagen nog niet hooger, en daarom trok hun hart nog niet naar edeler bestaanswijs.

Maar zélf kon men zich in dat gewone, wereldsche beroep niet meer thuis gevoelen. Daar was men aan ontgroeid, daar was men boven verheven.

Iemand die vóór zijn bekeering smid was, moest na zijn bekeering prediker worden.

Smid te zijn, was goed zoolang hij zijn God niet kende, maar dien God van alle ontfermingen te kennen, en met den voorhamer op het aanbeeld te slaan, viel geestelijk niet te rijmen.

Doch hoor, daar gaat de stemme van dien God aller ontfermingen zelven uit, en die God roept het ons door zijn profeet toe: Ik heb den smid geschapen.

Aan dien jongen, geestelijk opgewekten man scheen het, alsof smid te zijn en God te kennen, twee dingen waren die vloekten; maar de Heere zelf keert het om, en betuigt ons heiliglijk, dat die smid en zijn majesteit niet vloeken, maar veeleer bijeenhooren, dat ook xüe smid een schepping van zijn hand is, dat ook in den arbeid van het smeden zijn naam en majesteit verheerlijkt moet worden, en dat Hij, de Heere, onze God, ook in de levensroeping, in het werk, in den arbeid en in het gewrocht van den smid Zijn eere zoekt.

Nu is hiermede uiteraard niets bijzonders van den smid gezegd. Wat hier met name staat van den smid, geldt in het gemeen van alle bedrijf, van alle ambacht, van alle handwerk. Een schilder, timmerman, loodgieter, koperwerker, bakker of landbouwer, ze staan liier allen met den smid op geheel dezelfde lijn. En evenzoo geldt het hier gezegde van allen arbeid der vrouw in keuken, linnenkamer, slaapkamer of kmderkamer. Waar ook menschen arbeiden in hun dagelijksch beroep op den akker, in de mijn, op de fabriek, op het ambacht, in den winkel, of in het huisgezin, van die allen zegt God de Heere geheel hetzelfde, wat hier bij uitzondering en met name vaa den smid wordt gezegd. en er had evengoed kunnen staan: »Ik heb den timmerman, den metselaar, de] waschvrouw, de kostvrouw geschapen".

De zin dier woorden is dan ook volkomen doorzichtig.

Er is toch niet bedoeld, dat God dien en dien persoon geschapen heeft. Dat spreekt vanzelf. Alle menschenkind, uit een vrouw geboren, is een schepsel Gods.

Neen, er wordt meê uitgesproken, dat het bedrijf, dat het beroep, dat de bezigheid van een smid, van een schoenmaker, van een werkster, een naaister, of welken arbeid onder menschen men ook noemen wil, niet een uitvinding, een verzinsel van menschen is, maar aldus bedacht, gewild en besteld is door de ordinantiën onzes Gods.

Een smid, die deugdelijk en in de perfectie zijn werk verricht, gaat juist zóó te werk, als God het in zijn schepping verordineerd heeft, en slecht werk, of wilt ge knoeiwerk levert een iegelijk, die in de smidse tegen Gods ordinantiën in zake de smederij ingaat.

Zelfs is alle ontwikkeling, en alle vooruitgang in de smederij, of in eenig ander bedrijf, niets anders dan een nader komen van hetgeen God voor dat bedrijf besteld heeft.

Omdat God zelf van den smid gewaagt, blijven we bij zijn bijzondere levenstaak, en dan is het duidelijk, hoe God in de schepping het ijzer schiep, als een bepaalde stof, met eigen hoedanigheden. Duidelijk hoe God het bestelde, dat het ijzer in gloeiïng buigzaam, en straks weer gehard kon worden; dat het vatbaar zou zijn om gegoten, maar ook om gesöieed te worden; dat het in staal zou te stevigen zijn; en dat door allerhande bewerking uit die ééne grondstof, met noodzakelijk daarbij behoorende instrumenten en gereedschappen, al die ontelbare voorwerpen voor huislijk gebruik, voor den landbouw, voor andere bedrijven en voor den oorlog zouden te vervaardigen zijn, die ge thans op onze groote tentoonstellingen als de wonderen der smeedkunst vindt uitgestald.

Dat alles komt uit het ijzer, omdat het er in ligt, en het ligt er in, omdat God het er in gelegd heeft.

Als wij zeggen, dat de mensch iets uitvindt, dan is dit niets anders, dan dat de mensch vindt, wat God bereid en besteld heeft; meer nog, de mensch vindt het alleen, omdat God het hem toont.

En zoo is er, niet enkel in de smidse, maar zoo is er in geen enkel bedrijf één enkel stuk gereedschap, niet één enkele manier van doen, niets dat vindingrijkheid of overlevering ons geleerd heeft, of het is al uit God. Door Hem vooruit besteld, en in den aard der stoffen ingelegd.

Kortom, wat Jesaia van den ploeger en den zaaier in kapittel 28 zegt: »Zijn God onderricht hem van de wijze, ii/57 leert hem", is letterlijk en ten volle toepasselijk op elk bedrijf, op elk ambacht, op elke bezigheid, van man en vrouw saam.

Goed een spijze bereiden, is het gerecht zóó gereedmaken, als God het in zijn ordinantiën besteld heeft.

Maar, en hier ligt de geestelijke zwakheid van den pas geestelijk opgewekte, in die gewone dingen ziet het pas beginnend geloof de majesteit van zijn God nog niet.

Het grijpt, het voelt, het tast het Goddelijke in wat speciaal geestelijk is. In het gebed, in den dienst des Woords, in arbeid voor Zondagsschool en Missie. Daar is de Heere in. Dat alles raakt rechtstreeks het heiligdom.

Maar om zoover te komen, dat men Gods grootheid in alle dingen gaat zien, niet alleen in het firmament, maar ook in de kolenmijn, niet enkel in het onweder, maar ook in het suizen der zachte koelte, niet alleen in de groote zee, maar ook in het kruid der aarde, daar is dieper doordringend, daar is verder zich uitstrekkend, is een meer het al omvattend geloof toe noodig.

Het »Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde", is, mits in zijn diepte verstaan, uitdrukking niet van het zwakste, maar van het rijkste en krachtigste geloof.

God alleen in het heiligdom op Sion, is het standpunt der schaduwen, God te loven en te prijzen in heel zijn schepping, is het geloof waartoe Hij ons oproept, die ons sprak van de leliën des velds en van de vogelen des hemels.

Juist daarom echter is het de roeping der heiligen tot dat hooger standpunt op te klimmen.

Niet in der haast de dagtaak afdoen, als viel die buiten God, om daarna God in zijn heiligheden te zoeken.

Al de arbeid mpet ons een Goddelijk beroep zijn. In alle stof die we bewerken moet zijn Scheppingsmajesteit gekend, geacht en verheerlijkt. AÜe bezigheid moet zijn, te voorschijn te brengen en te verwezenlijken wat God in de dingen gelegd, en met de schepping dezer dingen voor ons menschelijk leven bedoeld heeft.

Dan eerst worden de Christenen weer de knapsten in hun|vak, omdat ze er zich met de borst op toeleggen, en onder de heiliging van het gebed in den aard en de natuur van hun vak indringen.

Zeker, er moeten ook priesters en Levieten in het heiligdom zijn, en treffelijk is het werk, waartoe God hen daarin roept.

Maar voor ons, die den Zone Gods, door wien alle dingen geschapen zijn, kennen, is de Tempel des Heeren niet meer beperkt tot den éénen heuvel van Sion. Des Heeren Tempel is voor ons al zijn schepping geworden, en in alle bedrijf en in die bezigheid moet man en vrouw als priester en priesteresse des Heeren verkeeren.

Niet de Bijbel alleen is Godea, en de voorhamer met het aanbeeld van Tubalkaïn, maar én de Schrift én alle smidsinstrument, zijn des Heeren en moeten Gode gewijd worden.

Zóó verstonden het onze oude Calvinisten, die daarom niet uit hun beroep liepen, maar er in bleven, en er nieuwe vondsten in ontdekten, en er de leermeesters van heel Europa in zijn geworden.

Daarom stond in de dagen onzer vaderen ons huiselijk leven zoo hoog, omdat alle huisgenooten in den gezinsarbeid hun God poogden te dienen.

Daarom zijn ze destijds de beste kooplieden, de vlugste vrachtvaarders, de knapste wevers, de handigste kunstvervaardigers in alle bedrijf en In alle ambacht geweest.

God de Heere w.v3 voor onze vaderen groot niet alleen in de kerk en in de bidcel, maar in heel zijn rijke, wondere £c' p-ping.

God, en het volle menschelijk leven, waren niet twee, maar éèn in hun schatting.

Komende uit het rijk der genade, wisten ze hun God groot te maken ook in het wondere rijk der natuur.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 augustus 1897

De Heraut | 2 Pagina's

„Ik heb den smid geschapen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 augustus 1897

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken