Bekijk het origineel

„De wereld zou het hare lief hebben.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„De wereld zou het hare lief hebben.”

10 minuten leestijd

Indien gij van de wereld waart, zoo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. Joh. •^:19.

De diepste toon van het Evangelie is de vertroosting, die opkomt uit het Goddelijk mededoogen met het ia zonde verzonken schepsel.

God heeft de gevallen wereld lief. Zóó lief, dat Hij, om die wereld te redden, zijn eengeboren Zoon gaf, en hem overgaf in den dood.

Hij heeft die wereld lief, niet omdat ze gevallen, maar omdat ze zijn wereld is. En toch ligt juist in dat gevallen zijn der wereld het uitlokken van een hoogeren graad van Goddelijke liefde.

De liefde waarmee God de wereld lief heeft na den val, is sterker, is wonderbaarder, is aanbiddelijker dan de liefde waarmee Hij haar liefhad na de schepping.

Na de schepping was het de > opperste Kunstenaar en Bouwmeester", die zag dat zijn werk goed was, en om die innerlijke deugdelijkheid de wereld liefhad met Goddelijk welbehagen.

Maar na den val spreekt in de liefde Gods voor die wereld een heel andere toon, de toon van het Iiarte Gods.

Ontferming is meer dan scheppende Almachtigheid; in het Goddelijk mededoogen met wat ellendig wierd en verloren is, trilt een veel dieper liggende snaar van de Liefde die God zelf is.

En daarom dat God de wereld, de in zonde verzonken wereld, nóg liefheeft, is ons meer dan de psalm der Schepping, het is ons de Blijde boodschap, het Jubellied des Evangelies.

Ons eigen hart zegt het ons.

Immers dieper dan de aanbidding van Gods Almachtigheid, komt de aanbidding dier ontfermende Liefde ons op uit den verborgensten schuUhoek van ons menschelijk hart.

Maar let wel: Zóó lief heeft God, naar luid van het Evangelie, die gevallen wereld. Tot u daarentegen wordt door dat zelfde Evangelie gezegd: »Hebt de wereld niet lief." En er wordt bijgevoegd: »Zoo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is in hem niet."

Schijnbaar tegenstrijdig.

De liefde des Vaders is, dat Hij de wereld liefheeft. Maar gij moogt ze niet liefhebben. En als gij ze nochtans liefhebt, is de liefde des Vaders niet in u.

Een spel van woorden, zult ge zeggen. > Wereld" de ééne maal in gansch anderen zin bedoeld, dan in het u toekomend verbod.

Als ge hoort dat God sde wereld" liefheeft, is ze bedoeld als > zijn schepping"; en wanneer 21 het liefhebben dier wereld tot zonde wordt gerekend, is gemeend de zondige geest die in de wereld heerscht.

En dit is ook zoo.

Maar het blijft dan toch beide malen hetzelfde tvoord, en achter die eenheid van uitdrukking schuilt dan toch een eenheid van gedachte.

Het is toch beide malen gezegd vixx. diezelfde wereld, zooals ze verdoemelijk voor God ligt.

En dat, terwijl God die verdoemelijke wereld liefheeft, gij ze niet moogt liefhebben, op straffe van de liefde des Vaders te verliezen, toont dat het verschil hier niet in die wereld, maar tusschen God en u ligt.

Als God die wereld liefheeft, gaat er een verzoenende, een verlossende, een heiligende kracht van God op ; maar als gij haar liefhebt, gaat er een onheilige, een demonische, een doodende werking op die wereld uit

God staat buiten, God staat boven, God staat tegenover die verdoemelijke wereld, ook als Hij ze liefheeft.

Gij daarentegen zijt aan die wereld verwant, vormt er een deel van, en kunt haar daarom niet liefhebben, of ge raakt onder haar, en wordt door haar vergiftigd.

De liefde Gods moet die gevallen wereld aantrekken, of ze is weg. Wat u daarentegen te doen staat is juist, dat ge met die wereld zult breken, en wie niet met haar breekt, dien smoort ze in haar doodelijke omarming.

De zonde der engelen was, dat > ze hun ieginsel niet bewaard en hun eigen woonstede verlaten hadden."

Ze hadden van God hun stand, hun plaats, hun roeping ontvangen, en waren door Hem bij hun schepping gesteld in die juiste verhouding, waarin ze én tot hun God én tot de overige schepselen van hun God staan moesten.

En dien stand nu, dien hebben ze niet bewaard, die eenig juiste plek en plaats hebben ze verlaten, en zoo zijn ze in valsche verhouding tot God en alle creaturen komen te staan.

Dat was hun zonde.

Als de starren aan het firmament eigenwillig uit haar stand konden wijken, en haar banen konden verlaten, zoodat de zon alle planeten losliet, en afzwierf naar een gansch andere plek onder de gewelven des hemels, dan zou dit de zonde der starren wezen, en de verwoesting in het firmament algemeen zijn.

En dit nu, wat de starren niet kunnen doen, dat hebben de engelen gedaan, en ze hebben de wereld in hun val meegetrokken.

Van de door God hun aangewezen banen zijn ze afgeweken, en hierdoor hebben ze de ordeningen van Gods geestelijk firmament ganschelijk verstoord.

En zoo nu was ook aan de wereld door God haar stand, haar plek en plaats, haar roeping van Gods wege aangewezen, en in die verhouding, in die aangewezen betrekking tot haar God, had ze moeten blijven staan.

Maar, mét de afgedoolde engelen, week ook zij uit.

Ook zij vervalschie haar verhouding tot God. Ze koos een door God verboden baan des levens.

Dat was haar zonde.

En nu is hierin de liefde Gods, dat God, door en ia Christus, die wereld terugleidt naar haar oorspronkelijken scheppingsstand, en hierin wordt de raad der verlossing verheerlijkt, dat de Liefde Gods deze wereld weer terugtrekt naar de haar aangewezen baan, om in eeuwigheid nimmermeer uit die van God haar voorgeschreven baan te wijken.

God heeft zijn stand buiten de wereld, en kan ze daarom door zijn liefde tertigtrekke? i.

Maar gij zijt in die wereld. Gij hebt deel aan haar schuld, deel aan haar zonde. Van nature is uit haar uw oorsprong.

Haar liefhebben, zou voor u dus zijn, met die wereld steeds verder af dolen.

En daarom geldt het voor u: hebt die wereld niet lief.

Zij er breuke tusschen haar leven leven. eauw

En als ge dan niet in haar, maar in God door het geloot uw steunpunt neemt, ja, dan zult ook gij haar zegenen kunnen, mits niet met een eigene liefde, maar als dienend instrument van de ontfermende liefde uws Gods.

Hoe ge nu hierin staat, laat de wereld zelve u merken.

Zelfmisleiding is ten deze onmogelijk, want God gebruikt de wereld, om het u met gewisse zekerheid aan te zeggen, hoe tusschen God en haar uw stand is.

Ook die wereld toch heeft lief, en dus haat ze ook; en natuurlijk heeft ze alleen lief wat uit haar is, wat haar dient, wat haar rijk sterkt; en haat ze omgekeerd al wat tegen haar ingaat, haar geest weerstaat, en aan haar rijk afbreuk doet.

Heeft nu de wereld u lief, spaart ze, eert ze, kroont ze u, dan is dit het ondubbelzinnig bewijs, dat gij haar liefhebt.

Gaat ze daarentegen omgekeerd tegen u in, ziet ze in u een gevaarlijk tegenstander, en achtervolgt ze u daarom met haar spot, en smaad, [en kruis, dan toont ze als bij instinct te gevoelen, dat ge haar geest vijandig zijt, en haar de oude, zondige liefde hebt opgezegd.

Dan zijt ge op den goeden weg.

Dan is er in u overwinnende geloofswerking.

Anders toch zou de wereld u niet uitwerpen, maar u als een der haren liefhebben.

Wee u, zegt daarom de apostel, zoo alle menschen wel van u spreken, u aldus afmanende van de zware verzoeking, die er in ligt, om als kind van God algemeen gezien, door de menigte geëerd, en als een lief en bruikbaar mensch gevierd te worden.

Ongetwijfeld treedt niet ieder kind van God zoo in het oog loopend op den voorgrond, dat »de wereld" zich op groote schaal met hem inlaat, en het der moeite waardig keurt, hem met haar haat te achtervolgen.

Maar hoe bescheiden ook onze plaats in de wereld zij, ook in die engere omgeving komt toch ieder belijder en elke belijderesse van den Christus met de wereld in aanraking, en wie dan geestelijke voelhorens heeft, merkt terstond, of men met zijn belijdenis van den Christus rekent en er aanstoot aan neemt, of wel dat de wereld blijkbaar denkt: »Nu, ja, die man, die vrouw loopt wel met de geloovigen, maar zóó hindert het ons niet; op die manier zijn ze ons zoo goed als een onzer."

Dat streelt dan, het heeft iets zoets, iets bekoorlijks, als wc merken, dat de buitenwacht in weerwil van ons geloof, ons toch ophemelt en voor het leven alleszins bruikbaar keurt; en meer dan één, die eens tijden van bezield geloof gekend had, heeft zich door dien wierookwalm der wereld, helaas, in slaap laten wiegen, en is zoo van lieverlee in de wereld met de wereld meê gaan doen.

Dat brak dan de zenuw van zijn kracht; hij gleed achteruit; en verachtering in genade was de ongemerkte straf voor deze valsche wereldliefde; want de Heere onze God is een ijverig God, jaloersch, heiliglijk jaloersch op de liefde zijner kinderen.

En daarom, wie het zoo lachend en spelend, met de wereld kan vinden, die vindt zijn God, ook al buigt hij zijn knieën nog, in de zielsgemeenschap niet meer.

Dit ziende, slaat een ander dan weer in het andere uiterste over, en schijnt er op uit te zijn, om door opzettelijke stroefheid en stramheid de wereld te verbitteren.

Alsof wrevel, dien we door stroefheid en stugheid tegen ons opwekken, ooit ? > /jmet den smaad, om Christus' wil gedragen, gemeen had, ja, alsof het Evangelie het ons niet veeleer ten plicht stelde, om ons aangenaam te maken aan aller conscientie.

Neen, smaad om Christus' wille draagt ge dan eerst, als de wereld zich tegen u keert niettegenstaande'ze zich tot u aangetrokken gevoelt om uw nobelen zin, om uw dienende liefde, om uw rechtschapenheid van karakter, om uw minzaamheid en om het opbloeien van het u door God geschonken talent.

De getuige van Christus in en tegenover de wereld is niet de dusgenaamde spilaarbijter". Maar als de lieden der wereld, onder malkanderen van u sprekende, zeggen ^dat het zonde van u is, dat ge zoo'n dweper zijt, want dat er anders best met u ware op te schieten, maar dat ze nu wel tegen u moeten ingaan", dan ja, hebt ge »de eere Christi" met »den smaad der wereld" in uw optreden op apostolische wijze vermengd.

Op de uitgangen des harten, op den wortel waaruit uw leven opwast, op de beginselen, die uw leven richten en sturen, komt het aan.

Den man nu die geen beginselen heeft, of er meê speelt en solt, naar eerzucht of belang het raadzaam maken, dien veracht de wereld, en ze loopt hem voorbij.

Hem, die wel den naam heeft van jgeloovig" te zijn, maar die op het stuk van beginselen gedurig met haar tegen de »geloovigen" gemeene zaak maakt, dien acht ze wel even weinig, maar ze gebruikt hem als het beste instrument om de macht van het geloof ten onder te houden.

En dan eerst waakt de wereld in bitteren ernst, tot soms met verbeten woede, tegen u op, zoo ze merkt, dat gij niet maar den Christus belijdt, maar dat het u met uw belijdenis ook tneenens is, en dat ge niet alleen op geloofsgebied, maar ook in zake van uw kerkelijk, uw maatschappelijk en uw staatkundig leven, onder de drijfkracht van een beginsel staat, dat u elk sluiten van akkoord of vrede met de wereld, kortweg, om Christus' wille verbiedt.

En het is zoo, dat maakt het leven dan soms bang; dat perkt u in; dat kan u schreiende teleurstelling berokkenen.

Maar dan is de vertroosting ook zoo rijk en zoo schoon, wijl dan de smaad der wereld u een toetssteen van valsche eti ware genade kan worden.

Immers, als de wereld u waarlijk den rug toekeert, dan kunt ge niet meer van de wereld zijn.

Anders zou de wereld het hare hebhen liefgehad.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 september 1897

De Heraut | 2 Pagina's

„De wereld zou het hare lief hebben.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 september 1897

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken