Bekijk het origineel

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dan de gemeene Gratie.

17 minuten leestijd

DERDE REEKS.

DERDE REEKS. XVIII.

En het kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en vervuld met wijsheid; en de genade Gods was over hem. Lukas 2:40.

De grenslijn is alzoo scherp ea duidelijk getrokken. Er is tweeërlei. Vooreerst is er het mysterie der Vleeschwording als zoodanig, en hiermede heeft de gemeene gratie niets uitstaande, zelfs niet wat de persoon van de maagd Maria betreft. Maar in de tweede plaats volgt op de Vleeschwording wat Johannes noemt: het wonen onder ons, en dit nu is zonder de belijdenis der gemeene gratie onverklaarbaar. Bij de beschouwing zoo van Jezus' geboorte, als van zijn verschijning onder Israël dreigt van twee zijden gevaar. Van den éénen kant is men geneigd den Christus alleen uit het absolute wonder te verklaren, zonder dat er gerekend wordt met de gesteldheid van het menschelijk leven waaronder hij optrad; terwijl van de andere zijde op dien samenhang tusschen Jezus en zijn omgeving zoo eenzijdige nadruk wordt gelegd, dat men ten slotte den geheelen Christus uit zijn alkomst en omgeving waant te kunnen verklaren, en niet rust eer het absolute wonder in den Christus geloochend is. Bij toegeven nu aan de eerst bedoelde neiging behoudt ge niets over dan een Goddelijke verschijning, die scherp tegen al het menschelijke om hem heen afsteekt, en daardoor ook buiten uw eigen leven blijft staan. Verloopt ge daarentegen op den tweeden doolweg, dan wordt tea^ilotte alles in den Christus menschelijk en verliest ge den Zone Gods om niets dan den Rabbi van Nazareth over te houden. Daarom nu mag noch aan de ééne noch aan de andere wijze van behandeling voet worden gegeven. De gespannen eenzijdige bovennatuurlijke behandeling laat u den Christus, maar ontneemt u uw Jezus, terwijl de weeke, eenzijdig menschelijke beschouwing u den Christus aan uw ziele ontrooft, om u niets dan een zekeren Jezus te doen overhouden. Toch kan het geen verwondering baren, dat de beschouwing van den Middelaar beurtelings naar de ééne en dan weer naar de andere zijde overhelde. De verwaarloozing van het leerstuk der »algemeene genade" was ook hieraan schuld, en eerst door het leerstuk der > gemeene gratie", ook op den Christus der Evangeliën toe te passen, wordt het mogelijk, zoowel eenerzijdshetabsolute wonder van zijn Vleeschwording, als anderzijds zijn ingaan in onze levensgemeenschap, of wil men, zijn wonen onder ons, tot zijn recht te laten komen.

Van geloovige zijde was meest de eerste fout begaan. Men aanbad in den Christus het absoluut Goddelijke van zijn persoon, en het even absoluut Goddelijke in het wonder zijner Vleeschwording, maar had voor zijn aansluiting aan onze menschelijke levensgemeenschap ternauwernood een oog. In de korte schetsen, die men hier en daar van de verschijning van den Heiland gaf, viel alle nadruk op de wonderen die hij deed ea op de Goddelijke orakelen, die van zijn lippen beluisterd werden. Zoo deed men weinig anders, dan een kort uittreksel leveren uit wat de Evangelisten ons mededeelen; een uittreksel dat dor, schraal en zonder leven was, en vaak meer op een lijst van gebeurtenissen, dan op een spre-' end levensbeeld geleek. Anderen sloegen 'v.aarom den nog altoos beteren weg in, om de verhalen der vier Evangelisten, zooveel doenlijk naar tijdsorde in elkander te schakelen, iets waaruit de dusgenaamde Evangelische Harmonieën of Synopses geboren werden. Op de catechisatiën gebruikte men vaak een soort vragenboekjes, die dit weinig samenhangende nogmaals verbrokkelden, ea eiken indruk van een samenhangend geheel deden teloor gaan. Gelukkig dat de gemeente onderwijl nog steeds ijverig het Evangelie zelf las, en daaruit het levende beeld van den Christus in zich opnam. De gebrekkige, eenzijdige behandeling toch van de verschijning van den Christus druischte zoozeer tegen de wezenlijke verschijning van den Heiland in, dat men bij Lukas lezende, dat Jezus »toenam in grootte en in wijsheid en in genade bij God en de menschen", in den meest eigenlijken zin met die woorden geen weg wist; er deswege liefst overheen las; en, kon mesa ze niet ontwijken, ze door kunstmatige uitlegging zoogoed als wegcijferde.

Van ongeloovige zijde daarentegen klampte men zich van - oudsher liefst aan de andere wijze van behandeling vast. Ook waar men de volstrektheid van het wonder in Jezus' persoon en verschijning nog niet aanstonds brutaalweg loochenen dorst, daar stelde men dit wonder toch steeds meer ia de schaduw, en legde er zich op toe, om wat men noemde Jezus »menschelijk" te maken ea uit zija menschelijke omgeving te verklaren. Maar gaandeweg werd men stouter, en vooral in onze eeuw is men toen tot het schrijven van biographieën van Jezus gekomen. Wat toen onder dea naasn, van het Leven van Jezus door Strauss en Renan, en zoo ook ten onzent door Meyboom, om nu slechts de meest bekende namen te noemen, geleverd werd, is, zoo al niet uit eigen lezing, dan toch bij gerucht, ook onder de gemeente wel bekend. Zooals men eea Levea van Willem dea Zwijger, of een Levea van De Ruyter, of een Leven van Napoleon schreef, zoo ook moest het Leven van Jezus in beeld worden gebracht. En daar nu een goede biographie er vooral naar streeft, om de ontwikkeling van het karakter van haar held, en uit die ontwikkeling plus zijn omgeving, ons zijn gedrag en handelwijze te verklaren, legde men. er zich in deze ï Levens van Jezus" voornamelijk op toe, om geheel het optreden van Jezus uit zijn volk, uit zijn afstamming, uit zijn opvoeding, uit de destijds ia Israël bestaande toestanden, uit de idealen en droombeelden van zijn volk, en uit de personen in zija omgeving te verklaren. Ten leste moest alles verklaard wordea. Zoo riep mea de phaatasie te hulp, ea verliep in wat, zoader overdrijving, de historische roman mag heeten. Eea proces dat al verder ging, ea eerst tot rust kwam, toea mea al het woaderbare ordinair, al het bovennatuurlijke natuurlijk had gemaakt, en ten slotte Jezus onder ons deed wonen, ja, maar door hem aan óns beeld gelijk te maken, in stee dat wij zouden vervormd worden naar het beeld van den Zone Gods. Het einde was dan ook, dat Jezus als één onzer werd, een zichzelf misleidend, en alzoo zondig menschenkind.

Dit was niet het verloop ia alle Levens van Jezus, die het licht zagen. Zoo heeft ten onzent wijlen de hoogleeraar Van Oosterzee een nobele poging aangewend, om tegenover deze vervalsc'ite voorstelling een Leven van Jezus, aaar eisch vaa de Evaagelfën, te plaatsen, ei> zoowel aan hem, als aan zija geestverwanten in het buitenland, die zulk een tegenmijn groeven, komt voor die uitnemende bedoeling onze dank toe. Mits men slechts om het uitnemende der bedoeling, zich niet zelf lokken late naar het doolpad, waarop zij afzwierven. Feitelijk toch poogden ook zij biograaf te zijn, en konden het op dit standpunt kwalijk voorkomen, dat hun arbeid steeds in de schaduw van dien hunner tegenstanders bleef staan. Wie een biographie van Jezus begeerde, zag zich - door het streven van Strauss en Renan veel beter bevredigd. Dat waren wezenlijke levensbeschrijvingen en levensverklaringen, die min of meer aan de eischea Van een gewone biographie poogden te voldoen. Wat daarentegen Van Oosterzee en anderen als tegengif boden, stelde zich wel aan, als zou het ook biographie zijn, maar het was het piet; of althans niet dan halfslachtig en ten dcele. Het bovennatuurlijke, dat alle verklaring weigert, werd geplaatst naast het natuurlijke, dat dan aphoristisch verklaard werd. Zoo faalde het aan eenheid. Men-verkreeg brokstukken van een beeld, maar geen beeld in het schoon der eenheid, en de droeve uitkomst was, dat wie neigde tot het ongeloof er niet door van zijn ongeloof genezen werd, terwijl wie eerst nog vast in zijn geloof stond, zich allengs wende aau eea opvatting van Jezus' leven, waarvoor hij een andere oplossing vroeg, dan Vaa Oosterzee ea zijn geestverwanten hem boden. Ook hier was men in de oude fout vervallen vaa alle apologetiek, die over de begiaselea heeaglijdt. Mea liet zich namelijk door den vijand op zijii terrein ldkkf: : , : zn op dat terrein verloor men den slag. Organisch-verklarende levensbeschrijving van Jezus is met de geloovige erkenning van het bovennatuurlijke in hem onvereenigbaar. Zelfs de levensbeschrijving van een Christenman of vrouw, in wier levea door aangrijpende bekeering aanmerkelijke breuke geslagen werd, is slechts tot op zekere hoogte denkbaar. Maar ze moet ganschelijk feil gaan, waar mea haar methode poogt toe te passea op hem, die het Beeld des Vaders was, en die juist omdat hij niet uit ons menschelijk geslacht en menschelijk leven opkwam, ook niet uit onze menschelijke levensgemeenschap kan worden verklaard. Hem daaruit te willen verklaren, is feitelijk zijn zending tot de wereld loochenen. Niet wij kunnen hem verldaren. Hij verklaart ons.

Is het uit dien hoofde begrijpelijk, dat de gemeente der geloovigea zich, geleid door geestelijk instinct, met zekeren weerzia van deze »Leveas vaa Jezus" heeft afgewead, ea moet het worden toegejuicht, dat de poging om zulk een biographie te leveren vaa orthodoxe zijde gestaakt werd, ea thans almeer principieel veroordeeld wordt, toch volgt hieruit geenszins, dat men alzoo niets beter zou hebben te doen, dan tot de oude gespannen stijfheid ia de voorstelling vaa Jezus terugkeeren. Ook de worsteling der geesten, die in deze Levens van Jezus aan het licht trad, liet een vrucht voor 'sHeeren volk achter, ea de godgeleerde weteaschap is het aaa dea Christus aiet minder daa aan zijn Gemeente verschuldigd, om met die vrucht winste te doen voor de kennis van zijn naam. Ea dit nu is metterdaad mogelijk, indien de beteekenis van de > gemeene gratie" voor het geheele wonen van den Christus onder ons, in het rechte licht mag worden gesteld.

»Particuliere genade", dit spreekt vanzelf, is dea Christus niet toegekomea. Particuliere geaade zaUgt den zondaar, niet den Heilige Gods. Als er dan ook in Luk. 2 : 40 staat, dat »de genade Gods over hem was", en in Luk. 2 : 52, dat »hij toenam in genade bij God ea bij de measchea", is noch in de eerste noch in de tweede uitspraak aaa »particuliere" genade te denken. In de eerste uitspraak is onder »genade" niets anders te verstaan, dan die bijzondere goedgunstigheid Gods, die der engelen vreugde is, en die ook op Adam in het paradijs vóór den val rustte; terwijl in de tweede uitspraak reeds de bijvoeging »bij God en bij de menschen" toont, dat hier niets anders bedoeld kan zijn, dan uitgelokt en opgewekt welgevallen. Is alzoo alle «particuliere" genade bij den Christus uitgesloten, daa mag de inwoning ea iawerking vaa dea Heiligea Geest ia dea Middelaar, het hem gegeven zija van den Heiligen Geest uniet met mate", en wat dienaangaande meer ia de Evangeliën wordt uitgesproken, nooit anders dsn óf van ambtelijke zalving, óf van persoonlijke gemeenschap worden verklaard. Deze gemeenschap vaa Jezus' menschelijk bestaan en menschelijk bewustzijn met het Goddelijk leven en de Goddelijke kennisse mag niet vergeleken worden met de wijze waarop wij als wedergeboren kinderen Gods in dit leven gemeenschap met het Eeuwige Wezen genieten, maar ware alleen voor vergelijking vatbaar met de gemeenschap, die Adam vóór den val, de engelen buiten val, en de gezaligde na zijn verheerlijkmg in het eeuwig Koninkrijk bezitten kan. Geheel gaat deze vergelijking natuurlijk nooit op, want'de gemeenschap met en de kennisse van God kwam bij Jezus uit zijn personeele vereeniging met den Vader en den Heiligen Geest voort, en blijft daarom steeds geheel eeniginhaar bestaanswijze. Slechts in zooverre mag dan ook op deze vergelijkingen gewezen, als ze ons een denkbeeld geven van eea gemeenschap tusschen oazea geest ea den Geest van God, buiten inmenging van zoade, 6a alzoo zoader particuliere genade.

Maar kan deswege bij Jezus vaa particuliere genade geen sprake wezen, heel anders staat het met de gemeene gratie. Ook een engel heeft nooit deel aan de particuliere genade, eenvoudig wijl eea gevallea engel onredbaar, ea een zalige engel nooit gevallen is. Maar als een engel uitgezonden wordt tot dienst, en alzoo in ons menschelijk leven optreedt, is het voor dien engel toch niet hetzelfde in welke omgeving hij verschijnt. Vergelijk om u dit duidelijk te maken, maar het optreden van de engelen in Sodom, te midden vaa de daar schrikkelijk uitgebrokea ongerechtigheid, met de verschijning vaa de engelen in Bethlehems velden, om in hun hemelschen zang Gods welbehagen over menschen uit te roepen. In Sodom alles hun tegen de borst stuitend, niets daa gruwel en menschelijke schande; en daarentegen in Efrata's velden de bekoring van het schoon der natuur, een stel van aantrekkelijke tafereelen vaa menschelijk leven, niets dat stuit, en alles dat aantrekt. Zelfs een engel had bij zijn vluchtige verschijning, als we ons zoo mogen uitdrukken, het profijt van wat de gemeene gratie aan vrede en vreugde onder menschen ia staad hield. Ea geheel ditzelfde nu is, en ia aog veel sterker mate, op oazea Heilaad toepasselijk. Juist de verschilleade graad waarmee de gemeeae gratie op het measchelijk levea inwerkt, om er de ongerechtigheid in te stuiten, en er de ellende vaa te temperea, brengt teweeg, dat de levenstoestand bij het eene volk een geheel andere is, dan bij het andere, ea bij hetzelfde volk, naar gelang van tijd en levenskring, zeer verre uiteenloopt. Zelfs nu, na straks negentien eeuwen, is de leveastoestand bij de wilde stammen op Nieuw-Guinea een gansch jammerlijke, zoo ge dien vergelijkt met het levensmilicu, waarin Jezus optrad. Dat onderscheid nu was voor het volbrengen van het Middelaarswerk van onzen Heiland allerminst onverschillig. Denkt ge u den Christus opgetreden onder eea stam, waarbij nog het kannibalisme heerschte, zoo zou de opkomst van de kerk des Nieuwen Verbonds kortweg ondenkbaar zijn geweest. We hebben hier dus niet van doen met iets bijkomstigs of toevalligs, maar met een onderscheid dat voor geheel het optreden van Jezus van het uiterste gewicht was. Een levenstoestand met zeer zwakke werking der gemeene gratie ware voor het optreden van den Heiland geheel ongeschikt geweest. Zegenrijk kon zijn optreden dan eerst zijn, als hij optrad in een land en bij een volk en in een levenskring, waarin de vrucht der gemeene gratie zeer aanmerkelijk was. En zoo mag dan, zonder zweem van overdrijving, gezegd, dat ia zeer beduideade mate profijt van de gemeene gratie ook aan Jezus voor de vervulling vaa zijn Middelaarsambt op aarde is toegekomen.

Dat zulk profijt trekken van de vrucht der gemeene gratie mogelijk is, ook waar, gelijk in Jezus' hoogheilige persoonlijkheid, volkomen afgeScheidenlieid van Ue zonde bestaat, verklaart zich uit het karakter zelf, dat de gemeene gratie in onderscheiding van de particuliere genade draagt. De particuliere genade is persoonlijk, de gemeene gratie algemeen. Diensvolgens raakt de particuliere genade uitsluitend de kern van het innerlijke zielsleven, maar strekt de gemeene gratie zich tot geheel ons menschelijk levea ia al zijn opeabariagea uit. Het slib der gemeeae gratie bezinkt in geheel de bedding van het leven, in de zeden en gewoonten, in de algemeeae volkstoestaadea, ea vormt alzoo het stroombed, waardoor de stroom zich heea beweegt. Aaa het goede hierdoor teweeggebracht, ea hierdoor ia dea volkstoestand aanwezig, heeft alzoo een iegelijk deel, die onder zulk een volk leeft, geheel afgezien van zijn persoonlijke gesteldheid of persoonlijke hoedanigheid. Een land waar veiligheid voor personen ea eigeadommen bestaat, vertooat hooger graad van gemeene gratie dan een volksstam, waarbij ieder nog op zijn zwaard leeft. Maar is eenmaal zulk een gewenschte toestand van orde en landsvrede ingetreden, dan komt het profijt hiervan ook tea goede aaa dea dief ea booswicht, zoolang zijn misdaad niet ontdekt werd. Het persoonlijke leven komt hierbij alzoo ganschelijk niet in aanmerking. Waar de gemeene gratie een gewenschten volkstoestand in het leven roept, biedt die gewenschte toestand zijn vrucht aan een iegelijk, die te midden vaa zulk een volk verkeert. En op dien grond moet gezegd dat van particuliere genade bij Jezus geen sprake kon zijn, maar dat de vrucht der gemeene gratie ook hem

in niet geringe mate is ten deel gevallen.

Ja, we moeten verder gaan. Voor de verschijning van den Zone Gods kan ook die vrucht der gemeene gratie geen toevallige bate zijn geweest. Reeds het kmd van God verwerpt elke voorstelling, alsof er in zijn levensverwikkelingen ooit iets bijkomstigs of onverschilligs zou zijn, en uit diepe overtuiging belijdt hij veeleer, dat Gods bijzonderste voorzienigheid alle ding en alle omstandigheid, tot in het kleinste toe, alzoo voor hem besteld, bestierd en geregeld heeft, dat het altegader zóó zijn moest als het is, om Gods raad met hem te volvoeren. En waar dit nu reeds van elk kind van God geldt, en dus ook geldt ten opzichte van de vrucht die de gemeene gratie voor elk kind des Heeren afwerpt, daar dwingt alles u als vanzelf tot de belijdenis, dat dit derhalve ook, ja, in nog sterkere mate, moet gelden bij die allerbijzonderste voorzienigheid Gods, die geheel het leven en de verschijning van den Christus omringt.

De stroom der gemeene gratie bewoog zich uit het paradijs, door het leven der volkeren, niet voort in dartel spel, maar volgde de door God haar voorgeteekende lijn, en groef onder het voortstuwen zelfde bedding uit, die God voor de gemeene gratie verordend had. Alleen aldus ontstond er voor de volkeren een historie. Is nu de verschijning van den Christus het middelpunt dier historie, waarop alle lijnen van het verleden uitloopen, en waarvan alle lijnen voor wat daarna komt, uitgaan, dan moet er tusschen dat proces der gemeene gratie en het optreden van den Heiland ook verband hebben bestaan; een verband niet eerst in de uitkomst, maar reeds in Gods voorzienig bestel. Dan sloot de Christus zich niet aan de toen bestaande omgeving aan, omdat de gemeene gratie in Palestina destijds juist dien toestand in het leven had geroepen; maar dan sloot omgekeerd die levenstoestand zich aan Jezus aan, omdat doelende op zijn komst en verschijning, de werking der gemeene gratie alzoo besteld was. Dan nam Jezus het niet alzoo, omdat het nu eenmaal zoo was, maar dan was het zoo, omdat het alzoo voor Jezus'verschijning zijn moest. Dan was geheel onze ontwikkeling op hem gericht, op hem doelende, op hem uitloopende, en in hem de reden en oorzaak van haar gang vindende. Dan was het levensmilieu waarin Jezus optrad, juist zooals het zijn moest, om zijn verschijning en zijn optreden te dienen, en vond Jezus de levensgemeenschap, waaraan hij zich aansloot, juist zóó als die zijn moest, om die aansluiting mogelijk te maken.

Let er toch wel op, dat elke omgeving en elke toestand, waarin iemand optreedt, speciaal is, en een eigen, bijzonder karakter draagt. Een algemeene menschelijke toestand, een algemeene menschelijke levensgemeenschap is er niet, en is niet denkbaar. Het was destijds in Israël anders dan bij welk volk ook, en het was er anders dan het bij datzelfde volk vroeger was geweest. Ja, het was anders in Galilea dan in Judea. Anders in Jeruzalem dan in Bethlehem. Hoezeer Jezus dan ook de algemeene menschelijke natuur heeft aangenomen , en in geheel zijn beteekenis van Verlosser als middelaar voor alle geslachten, alle natiën en alle eeuwen optreedt, kon hij zich toch niet anders aansluiten dan aandien éénen bepaalden volkstoestand, gelijk die in één bepaald tijdsgewricht zich voordeed. Hij nam dus wel onze algemeene menschelijke natuur aan, maar zijn wonen onder ons kon niet anders dan een zeer speciaal karakter dragen, het karakter van den in dat land, toentertijd bestaanden toestand. Alleen in de vormen van dat toenmalige leven, in dat bepaalde land, komt hij uit, en daarin heeft hij zijn heerlijkheid geopenbaard, en van daar is het gerucht dier heerlijkheid tot ons uitgegaan. Juist dit nu sluit elk denkbeeld van het toevallige en bijkomstige uit; en dan eerst vindt onze zoekende geest bij het grijpen naar het beeld van Jezus rust, als we vastelijk gelooven, dat die toenmaals ia Palestina bestaande levensvormen en levenstoestanden, in den loop van de ontwikkeling der gemeene gratie, zoodanig waren, als God ze voor de verschijning zijns lieven Zoons op aarde van eeuwigheid af verordineerd had.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 september 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 september 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken