Bekijk het origineel

„Dersteckende de zielen”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Dersteckende de zielen”.

10 minuten leestijd

Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods. Hand. 14:22.

Kunt gij, geestelijk, o, zoo povere, arme en schamele mensch, kunt gij een ziel^ de ziel van uw broeder, sterken!' Of is het > sterken eener ziel" dan niet, buiten uw macht, Godes heilig privilege? Iets wat God aan zich hield, en wat niet toekomt aan eenig creatuur ?

Voorts, wat is het: een ziel te sterken? Niet ze te winnen, te troosten, te stemmen of haar ten gids te zijn; neen, maar sterk te maken een ziel die zwak was; of is - dit niet, haar sterkte, kracht, mogendheid in te storten?

En dan, in de derde plaats, de niet minder spannende vraag: Hoe komt ge er bij? Hoe raakt, hoe treft ge de ziel? En als er dan een »sterken van eens anders ziel" is, waarin bestaat die sterking dan?

Een drietal vragen, waartegenover we beginnen met het feit der heilige historie te stellen.

Zoo te Lystre, als te Iconië, en te Antiochië, zocht Paulus met Barnabas de mannen en vrouwen op, die zich voor Jezus verklaard hadden, z en ze deden dit: -iv er sterkende de £/i? /e«, en versmanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten in­ j gaan in het Koninkrijk Gods".

Een zeggen, waarin tweeërlei ligt. Vooreerst i a een bericht van het feit, en ten andere aanwijzing van hetgeen dit feit beteekende; uitdrukking van wat het was. Juist daarin toch bestaat voor ons de hooge waarde van alle heilige historie, dat ons niet alleen gemeld wordt wat gebeurde, maar dat we tevens het woord, de uitdrukking beluisteren, die ons het gebeurde verklaart.

Paulus met Barnabas traden op en bewerkten iets; en nu zegt de Schritt ons, dat hetgeen ze teweegbrachten te verstaan is, als een sterking der zielen. En dat wel een »sterking der zielen", die ze niet maar afbaden, opdat God ze mocht schenken; maar zulk eene die zij zelven, in Gods ^kracht, door hun verschijning, door hun optreden, door hun woord en toespraak teweegbrachten.

Reeds dit ééne feit, en het bericht van dit feit, legt alzoo aan allen twijfel het zwijgen op. Het staat er door vast, dat de ziele «wafc kan staan, dat ze in die zwakheid met sterkte kan worden aangegord, en dat die sterking in de verslapping haar door het optreden van een vurig en bezield geuige des Heeren kan worden toegebracht.

Intusschen onderscheide men hier wel.

Er kan een plant zijn, die in de hitte der zon haar fcischheid inboet en op het verdorren staat, en dat gij ze in de schaduw brengt, ook haar aan den wortel bevochtigt en op het blad besproeit, en dat dank zij deze uw zorge die plant weer opleeft, haar slapheid in den stengel varen laat, dien stengel opbuigt, en straks weer groeit en geurt in kracht en frischheid.

Dan zijt gij het metterdaad, die haar gesterkt hebt, en die teweegbracht dat ze weer kracht en frischheid openbaart. Zóó echter, dat niet gij kracht in die plant hebt ingebracht^ maar alleen in dien zin, dat ge de natuurlijke krachten, die aan de plant eigen waren, weer geprikkeld en tot wertóng bekwaamd hebt.

Maar van heel anderen aard is natuurlijk het ver schil in eigen kracht tusschen een zwalpende bieze en den schier metalen cederstam. Dan is de bieze, ook in haar meest frisschen groei, slinkende slapheid vergeleken bij de reusachtige sterkte die in den ceder schuilt. En dit verschil in kracht nu valt ganschelijk buiten uw menschelijk bereik. Ook bij de teederste verzorging kunt ge al wat struik is nooit sterker in den stengel maken dan in den aard dezer zwakke plante ligt, en wat de ceder tot ceder maakt, dat kunt niet gij hem toedragen, maar dat heeft de ceder op den Libanon van den Heere der heirscharen die op Zion woont.

En zoo nu ook is het, als ge uit het plantenrijk in het rijk der zielen overgaat. Ook in dat rijk der zielen zijn er die als olijven in de voorhoven groeien, er zijn er die als ceders voor God op Libanon staan, maar er is ook de hysop die tegen den wand leunt, en de bieze die op-en nederzijgt bij elk zuchtje van den wind.

En wat gij nu wel kunt doen is, elk dier zielen naar haar aard sterken, zoodat de olijf met volle kracht als olijf, de ceder met volle kracht als ceder, de hysop met haar buigzame stengels als hysop, en de bieze in haar ijlheid als bieze alle kracht openbare die God er in gelegd heeft. Maar wat ge niet kunt, is de bieze in kracht gelijk aan den olijf, of ook de hysop in sterkte gelijk aan den ceder maken. Zoo is en blijft het God de Heere, .die alleen machtig is, om ook in het rijk der zielen kracht te scheppen, kracht toe te beschikken, kracht uit te deelen, en wat u gegund wordt, is niet anders, dan om op te wekken wat de ziel van God ontving, te prikkelen ten leven wat God in de diepte der ziel verborg.

En dat ge dit laatste kunt, dat ligt aan de saamhoorigheid van ziel en ziel, aan den band die ziel met ziel saambindt, aan de heilige eenheid, die op alle hooger terrein de ziel des eenen met de ziel des anderen uitmaakt. Zooals in het zingen de stem des éénen de stem des anderen uitlokt, op toon brengt, meeneemt en in sterkte verhoogt, opdat in het samenzingen aller stem zich in hooger eenheid oplosse, zoo ook ondervangt in het samenleven voor Jezus de ziel des eenen de ziel des anderen, neemt die op en prikkelt en verheft ze, en maakt ze vanzelf kloeker, al ware het door niets anders dan door zelf kloek te zijn. Dat leven van Jezus toch is geen leven als van stekken op een lange rij, met afgemeeten afstand, naast elkaar uitgepoot, maar, heel anders, het leven van ranken die alle saam op één wortel, in eenzelfden wijnstok groeien, en daarom één leven saam gemeen hebben.

Uw ziel is er op geschapen, is er op aangelegd, om indrukken, invloeden, inwerkingen van eens anders ziel te ondergaan, en omgekeerd gelijke invloeden op anderen uit te oefenen.

Al naar uw stemming is, kunt ge heel uw omgeving opheffen en geestelijk verhoogen, of ook geestelijk dof maken, drukken en neerslaan.

Die wisselwerking van ziel op ziel is niet kunstmatig, miiar werkt vanzelf. Aldus is de aard van het zieleleven. We zitten niet als monniken in cel bij cel, wel naast elkander, edoch door staenen wand gescheiden. Neen, we leven saam, we vormen één gemeenschap, en, waar dit reeds in alle menschelijk leven zoo is, daar gaat dit nog veel sterker onder de gekenden des Heeren door.

Al wie ingelijfd is in den Middelaar, is met onzichtbare geestelijke vezelen aan zijn broederen verbonden. n

Eén lichaam is het, zoo zijn we allen saam leden van hetzelfde organisme, en gelijk een gezond hart het hoofd helder maakt, en een helder hoofd den voet met vaster tred doet voortschrijden, zoo gaat ook in dat heilig lichaam de regel door, dat het ééne lid vanzelf en ongemerkt op het andere lid inwerkt.

Wie zich slap aanstelt, werkt verslappend ook op ander< ; n in. En omgekeerd wie zelf kloek en dapper, met gespannen heilige veerkracht in Jezus staat, spant en prikkelt en sterkt reeds daardoor het zielsleven in zijn broeder.

We doen elkander altoos iets.

Goed., als we zelven sterk in de Heere staan.

Maar ook kwaad., zoo dikwijls we ons eigen zielsleven laten inzinken.

En hierbij nu heeft ook het gesproken woord s zijn beteekenis.

C Niet het woord alleen., want grovelijk dwaalt ie waant, dat alleen in de taal der lippen in­ t loed van ziel op ziel overgaat. u

Dit is stellig niet zoo.

In den bezielden mensch spreekt alles. Zijn oog. ijn gelaat. Zijn houding. Zijn gang. Zijn steming. Zijn optreden. Heel zijn verschijning. Al ijn doen. Kortom heel de uiting van zijn peroonlijkheid. w G d

Men noemt dit wel eens biologeeren. Maar uist zulk geestelijk, zulk Christelijk biologeeren s een hooge genade. En de slappe, zuchtende, ltoos klagende kinderen Gods gissen van verre d w t niet, wat geestelijke schade ze door hun altoos zieltogen ook aan anderen berokkenen.

Christelijk elkaar te leeren biologeeren is een hooge zielstriomf. Mits het vanzelf toega, en noch kunstmatig zij noch in opwinding schijn toovere. Alle kunstbloem is in Gods hof verachtelijk. Wat in dien hof door zijn geuren verrukken mag, is alleen de geestelijke bloem die in het licht des Eeuwigen ontlook. Iets wat het Methodisme, wat vooral het Leger dts heils, helaas, te vaak vergat, en daardoor vaak geestelijk wondde in stee van heelde.

Maar mits dit wel verstaan zij, komt zeer zeker ook aan het gesproken woord bij deze sterking der ziele een plaats der eere toe.

Paulus en Barnabas hebben ongetwijfeld ook door hun optreden, en heel hun verschijning, maar stellig niet minder door het gesproken woord de zielen der Iconiërs gesterkt.

En die werking oefent het woord nóg, en zal het ook onder ons oefenen, mhs het een spreken en geen preeken zij. Niet een nog eens opzeggen en herhalen van door ieder toegestemde waarheden, die als vetkralen op de wateren der ziel blijven drijven, en er niet ingaan; maareen woord uit het hart tot het hart. Eerst ^«Wif/(/en doorleefd in de eigen ziel, en eerst alsdan naar de ziel des anderen uitgaande.

Die macht van ' het gesproken'woord^ hangt aan ons leven in het bewustzijn.

Ge gelooft wel, ge hebt wel lief, u wenkt wel de eeuwige hope, maar in het leven om u heen, vinden die zangen uwer ziel zoo weinig echo. De stille arbeid y^n alle dag is zoo eenvoudig, zoo eentonig. Ér is wel ernst in het leven, maar die ernst is als de hooge vloed, die slechts een enkel maal zijn wateren tegen het strand uws levens opstuwt. En voorts stuit ge op zooveel dat onrein is. Op zooveel dat u laag neertrekt. Op meer nog dat u dof maakt en ontzielt.

Dan is het hcht wel in de ziel, maar de nevelen zijn te dicht, en de straal van uw licht kan er slechts flauwelijk doorschijnen.

Dat dempt dan den gloed die in u is. Het dooft uw geloofsmoed. Het doet uw frischheid van ziel verdorren. Het is of ge de gemeenschap met uw Jezus niet meer grijpen kunt; of uw gebed stuit op een koperen gewelf; en of de toewijdende liefde in u geboeid ligt in zelfzuchtige banden.

Dat maakt dan de ziel zwak en slap. De bieze neigt haar kop naar het slijk. Er is geen gemeenschap, geen bezieling, geen veerkracht.

En dat duurt tot er een menschenstem, de stem van een broeder ons in het oor, en door het oor tot in de ziel klinkt, die de heüige snaar in ons hart weer in trilling brengt.

Want die stem., mits het een stem uit het hart zij, dringt opeens de buitenwereld terug, en roept de wereld van ons hart naar buiten.

De nevelen breken.

Het licht des geloof en der liefde en der hope kan weer in warmen, helderen gloed naar buiten stralen.

En nu er maar weerklank komt, en zang van buiten, nu zingt ook onze ziel weer warm uit haar eigen diepte meê.

Zalige harmonieën omringen ons. Zalige harmonieën trillen in ons.

En de bieze buigt het hoofd weer op. De ziel verheft zich in ons. En gesterkt door het broederwoord, spant zich ons zielsleven weer in heiligen jubel voor God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 september 1897

De Heraut | 4 Pagina's

„Dersteckende de zielen”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 september 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken