Bekijk het origineel

„Zonder mij — gij niets”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Zonder mij — gij niets”.

10 minuten leestijd

Ik ben de wijnstok, en gij de ranken; die in mij blijft, en ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder mij kunt gij niets doen. Joh. 15 : S.

Het kwam veel voor, en gebeurt nog, dat een vroom kind Gods eerst God en Christus iivee maakt, dan God en Christus verwart^ en ten leste achter den Christus zijn God schuil Iaat gaan.

Niet, dit spreekt vanzelf, in de belijdenis, en zelfs niet voor het eigen bewustzijn. Dat toch zou de ziel onder kettersche zuiging brengen. Neen, we spraken enkel van wat voor het besef en in het gevoel plaats grijpt.

Men merkt dit aan sommiger gebed, men bespeurt dit aan de taal hunner gemoedelijkheidj het komt uit in de manier waarop ze zoo menige uitspraak van Jezus te pas brengen.

Wat b. V. is gewoner, dan Jezus' zeggen: »Zonder mij kunt gij niets doen" te hooren aanwenden, als sloeg die op de almachtigheid.

Van het eeuwige Woord, dat almachtig, alle dingen in stand houdt en regeert, vat en verstaat elk godvruchtige, dat hij buiten God niets doen kan, en dat ditzelfde evenzoo en op zijn strengst van alle schepselen geldt. Geen creatuur is denkbaar, dat zich buiten God zou kunnen roeren of bewegen.

De engelen niet. De creaturen op aarde niet. En evenmin de duivelen of rampzaligen. Er is niets dat ook maar één oogenblik ademhaalt of zielsleven kan laten trillen anders dan door de kracht en den wil Gods.

Dit stemt dan ook een ieder, die gelooft toe.

Het is niets anders dan de toepassing op het creatuur van de almachtigheid en de alomtegenwoordigheid Gods.

En hoort men nu Jezus precies datzelfde tot zijn jongeren zeggen: tZonder mij kunt gij niets doen" dan ontleedt meer dan één dit woord aldus voor zijn zielsbesef:

^Zonder God kan ik niets doen.

»In stillen dank en eerbied kniel ik voorden Christus als mijn Heere en mijn God neder.

»Eilieve, wat zou ik dan doen kunnen buiten en zonder Hem ? ''

Maar, natuurlijk dan is dit zeggen van Jezus meteen ook volkomen krachteloos gemaakt. Dan zegt het ons niets nieuws. Dan is het alleen een korte herhaling van Gods almachtigheid. En dan geldt het niet alleen voor mij, maar ook voor den visch die in het water spartelt, en voor den leeuwerik die in de hoogte opstijgt. Buiten God, en dus ook buiten Christus, kunnen ook zij niets doen.

De leeuwerik zijn lied niet zingen, en ik niet zingen voor mijn Heiland!

Nu gaan we op het waarachtig God-zijn van den Middelaar hier niet in. Gelijk de Heere ons in zijn Woord laat toeroepen: »Er is maar één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus" zoo hebben wij voor Hem op onze beurt te belijden: Er is maar één Middelaar tusschen ons menschen en God, Christus die zelf God is.

Hier komen we dus niet op.

Maar de geestelijke fout van wie bij Jezus in de Goddelijke almachtigheid vlucht, is dat hij dan wel op God zich werpt, maar den menschelijken band, die hem aan zijn Heiland bindt, werkeloos maakt.

Te zeggen: »Buiten Jezus kan ik niets doen, want Jezus is God, en God is almachtig, " loopt uit op het verzaken van den Middelaar, om alleen de beHjdenis van het Eeuwige Wezen over te houden.

Immers, het komt dan geheel op hetzelfde neer, of ik zeg: »Buiten God kan ik niets doen" of dat ik belijd: «Buiten Christus kan ik niets doen."

Slaat men nu daarentegen het Evangelie zelf op, en ziet men, hoe dat zeggen van Jezus daar voorkomt, dan blijkt aanstonds hoe volmaakt onjuist die opvatting is, en hoe de strekking van Jezus' woord een geheel andere is.

Er is sprake van den Wijnstok. Ik, zegt Jezus, ben de ware Wijnstok. Gij zijt uit mijn wortel als ranken uitgeschoten. Uw roeping is het, als ranken vrucht te dragen. Maar juist omdat gij ranken in mij, als den Wijnstok, zijt, kunt gij voor dat vrucht dragen buiten mij zoo min iets doen, als de tak iets doen kan, om bloesem te doen ontluiken, buiten den stam waaruit die tak voortkwam, en buiten den wortel waarop die stam rust.

Het staat er zoo duidelijk: »Ik ben de Wijnstok, en gij zijt de ranken; alleen wie in mij blijft en ik in hem, die draagt veel vrucht, want buiten mij kunt gij niets doen", wel te verstaan, voor het vrucht dragen.

Zoo blijkt dus, dat dit diepzinnige woord niets hoegenaamd met de Goddelijke almachtigheid uitstaande heeft, en dat het volstrekt niet op alle creatuur, ja, zelfs niet op een iegelijken mensch doelt, maar dat het uitsluitend gezegd is van wie rank in den wijnstok werd^ en dat het bij de verlosten des Heeren eeniglijk doelt op hun geestelijken wasdom en op het voldragen van hun vrucht.

Niet van de Goddelijke almachtigheid spreekt het ons, maar van de wondere levenstnystiek^ die de ziel der verlosten aan Jezus verbindt.

Het is wat Paulus beleed: iNiet meer ik leef, maar Christus leeft in mij, en wat ik nu leef, dat leef ik door den Zone Gods."

Verklaring, uitlegging, redeneering brengt u hier dan ook geen stap verder. Ge verzinkt hier in het mysterie des nieuwen levens. En is nu reeds alle leven voor ons een ondoorgrondelijk raadsel, iets dat men gewaar wordt, dat men voelt, waaruit men ademt, waarin men verkeert, dat men geniet, waar men rijk in is, maar dat men in zijn wezen niet verklaren kan, in veel hooger zin geldt dit nog van ons tnieuwe leven", van ons > leven uit de wedergeboorte", van het kindsleven, dat we uit den Vader hebben, een leven dat in nog hooger zin genoten wordt, en dat ons innerlijk doortintelt, maar dat we in ons omdragen als een onpeilbaar diep mysterie, dat alle uitlegging en toelichtbg tart.

Dat leven hebt ge uit den Vader, ge bezit en smaakt het alleen door de inwerking van den Heiligen Geest, en ge kunt het geen oogenblik als het uwe kennen of genieten dan in de gemeenschap met Jezus. Niet zoo, dat gij het hebt en hij het heeft, maar in dien zin, dat het alleen krachtens uw gemeenschap met hem in u trilt en werkt.

Zonder hem bestaat het voor u niet. Buiten hem is het in u niet. Uw bezit ervan is aan uw gemeenschap met hem, onlosmakelijk gebonden.

Uit den Vader is het, maar God geeft het aan niet één zijner verkorenen, als een op zichzelf staand leven, maar alleen als deel van het leven des ganschen Lichaams, en het leven in dat lichaam hangt aan het leven dat in het Hoofd des Lichaams is.

Gelijk er geen lichtstraal op den vollen middag schiet dan uit de zon, en er geen droppel water op aarde valt dan uit het zwerk, en er geen geur uit de gaarde u tegenkomt dan uit den geopenden bloemknop, zoo ook straalt en trilt er geen leven, dat leven heeten mag, in het hart van Gods kinderen, dan uit hem, die aller hoofd en bezieler is.

Gelijk de kraan in uw woning geen water kan uitgeven, tenzij ze door buizen in gemeenschap sta met het waterbekken daar buiten, zoo ook kan er in uw ziel geen enkele druppel van geestelijke levenskracht worden uitgeperst, tenzij ge in geloofsverbinding staat met de Fontein van dat nieuwe leven in den Middelaar,

Zonder mij, uw Wijnstok, kunt gij, o, in mij geplante ranken, nieU doen.

Nu denkt hier ternauwernood om, wiens hart aan de zucht, aan den lust, aan den zin om vrucht, geestelijke vrucht te dragen, nog schier ganschelijk gespeend is.

Er wordt niet om gedacht door die overigens goede, schappelijke lieden, die gelaten en tevreden hun dagelijkschen arbeid verrichten, en tot geen grove uitspattingen te verlokken zijn, maar geheel vreemd bleven aan het innerlijk verlangen, om geestelijk vooruit te komen, in adel van ziel te winnen, en vrucht te dragen voor een eeuwigheid.

Toen ze vijftig jaar werden, stonden ze even hoog of even laag als op hun veertigste jaar, en als ze op zestig jaren sterven, zijn ze nog even ver.

Een doelloos leven, een boom in den hof, maar van welks takken nooit te plukken valt. Geen streven om van genade tot genade te komen. Geen zweem van een voortschrijden van heerlijkheid tot heerlijkheid. Geen rijper worden. Geen ontwikkeling in het zielsleven. Geen wasdom in Christus.

Maar zetelt in u hooger aandrift; drijft u inwendig edeler drang; hebt gij er geen vrede meê, dat uw goed aanwast, maar gij zelf, persoonlijk, de oude knecht en even arm als vroeger blijft; beseft, voelt, erkent ge, dat uw leven toch een doel moet hebben, een doel voor uw God, voor zijn koninkrijk, voor de eeuwigheid die komt, een doel niet enkel in uw werken en gifte, maar een doel in de rijping van uw eigen persoon, in de heiliging van uw zielsbestaan, in een brengen van glans op het goud dat in u is, laat dan dit aangrijpende woord van Jezus u ten lamp zijn voor uw voet.

Zie dan toe, dat ge niet afdoolt op den weg der uitwendigheden, maar zoek dan van meet af den weg van het wondere mysterie dat in het saAmleven met Jezus is.

Zonder hem kunt ge voor dat doel, om tot dien hooger wasdom te geraken, niets doen.

En toch wordt het telkens ook door mannen van hooggestemden ernst, in weerwil van hun belijdenis van Jezus, in den weg der uitwendigheden gezocht.

Dan worstelen ze met hun zonden, om ze te boven te komen. In het gebed zijn ze volstandig. Aan inspanning om zich boven wat laag is te verheffen, ontbreekt het bij hen niet. In velerlei buitengewoons zoeken ze het Koninkrijk huns Gods te dienen. Müdelijk vloeien hun gaven. Velen benijden hen om hun geestelijk optreden. En toch blijven ze innerlijk de oude knecht, en de vruchten die niet de mensch, maar God van hun takken wil plukken, blijft tot hun bittere teleurstelling uit.

Vraagt ge, of ze dan hun Jezus niet liefhadden, niet beleden, niet voor zijn naam uitkwamen ? o, Gewisselijk, Discipel des Heeren te zijn, was de eerzucht huns levens. Alleen maar ze verstonden niet, dat de rank, om vrucht te dragen, niet aldoor met eigen blad en haar uitbotsel bezig moet zijn, maar uitsluitend toe heeft te zien, dat zij gaaf en gezond tnet haar vezelen in den Wijnstok vast blijve.

Er is een punt waar de rank in den Wijnstok vastzit, en als het op dit punt maar is gelijk het wezen moet, dan kan de rank gerust wezen, dan stijgen de levenssappen vanzelf uit den wortel in de rank op, en bot die rank uit, en zet vrucht, en zal die vrucht voldragen.

En daarentegen als op het punt van aansluiting de rank geknakt werd, zoodat de gemeenschap tusschen wortel en rank belemmerd is, en de sappen niet door kunnen, dan baat het niet wat kunstmiddel men bij de rank ook aanwende, dan kan er niets uitbotten en rijpt er geen vrucht.

En zoo nu ook is het met u en uw Jezus.

Is uw aansluiting aan hem gaaf en zuiver, onderhoudt ge eiken dag vrij en open de stille zielsgemeenschap met zijn wonderbaar leven en zijn hoogheerlijken persoon, en blijft ge in mystóeke vastheid aan hem aangesloten, heb dan voor blad noch bloesem verder zorge, dan ritselt het leven vanzelf in u en is de vrucht er, eer ge het zelf weet.

Dat is het wat Jezus zegt: tDie in mij blijft." Meer hoeft niet. Iets daar buiten en daar boven vraagt hij niet. Jn hem blijven., op het punt van aansluiting, gij als rank, in hem als Wijnstok gaaf en gezond vast blijven, dat er niets geknakt is, en niets wegkankert. En dan volgt het vanzelf : Ik in hem. Dat wil zeggen, als gij de aansluiting maar niet bederft, en daardoor den doorgang van het leven uit Jezus maar niet belemmert, dan dringt Jezus als uw Bezieler vanzelf in u, en dan komt de wasdom ongemerkt, en echte vrucht rijpt aan u, uzelven tot ontlasting der consciende, en uw Vader, die in de hemelen is, tot verheerlijking zijns naams.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

„Zonder mij — gij niets”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken