Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dan de gemeene Gratie.

17 minuten leestijd

DERDE REEKS.

XX.

En toen hij twaalf jaren oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van den feestdag. Lucas 2 : 42.

Toch, het behoeft nauwlijks betoog, komt de aanraking van Jezus met de vrucht der gemeene gratie voor ons veel duidelijker uit na zijn geboorte. Ook in de weken en maanden, die tusschea zijn ontvangenis en zijn geboorte verliepen, greep die aanraking wel metterdaad plaats, en ging de gemeene gratie uit Maria op Jezus over, maar dit onttrekt zich aan onze waarneming. Na zijn geboorte daarentegen heeft die aanraking in het zichtbare plaats. Jezus leeft als kindeke onder de hoede van Maria en Jozef. Tot zijn twaalfde jaar; schier alleen in den huislijken kring, en daarna in aansluiting aan het openbare leven ia Israël. Zoo groeit hij op tot jongeling en man, en eerst op dertigjarigen leeftijd openbaart hij zich aan den Dooper en ontvangt aan de Jordaan zijn wijding voor het Messiasambt.

Nu weten we van die lange dertig jaren uiterst weinig. Iets van het eerste jaar zijns levens op aarde. Daarna één enkel voorval uit zijn twaalfde levensjaar. En voorts blijft alles in onbekendheid schuilen tot aan den Doop bij de Jordaan. Toevallig is " dit natuurlijk niet. God heeft het zoo gewild. En wat uit de traditie over Jezus' kindsheid in geschreven verhalen overging, is zoo niets beduidend, deels zelfs zijn heiligen persoon derwijs onwaardig, dat de kennissc ervan u eei-^mart baart, dan dat het u naar breeder verhaal zou doen verlangen. De Evangelisten toonen klaarlijk, dat ze aan de kennisse dier eerste levensjaren geen waarde hechten, of althans dat het voor de kerk aller eeuwen geschikter is, haar Heiland alleen bij de kribbe, en voorts terstond bij den Doop te leeren kennen, dan dat ze die dertig lange jaren de ontwikkeling van den Heiland van schrede tot schrede volgen kon. Wel prikkelt het soms onze heilige weetgierigheid, om ons het kindeke Jezus bij de eerste ontwikkeling van zijn bewustzijn, bij zijn verkeer als knaap in den huislijken kring, bij zijn leeren lezen, bij zijn omgang met andere kinderen, en zooveel meer te kunnen voorstellen; maar God schoof er een gordijn voor, en het is niet daarbij dat de Geest des Heeren ons wil ophouden. Wat ons moet toespreken is tweeërlei: De gifte van Gods Zoon aan de wereld, als Jezus geboren wordt; en daarna het komen van Jezus tot de wereld, als hij zich aan Johannes den Dooper openbaart.

In zooverre zou men dan ook kunnen zeggen, dat de aanraking waarin Jezus in de jaren zijner opvoeding en ontwikkeling met de vrucht der gemeene gratie trad, zich schier in nog sterker mate voor ons in de nevelen vau het mysterie hulde. En indien men uitsluitend op bepaalde feiten en ontmoetingen zou willen wijzen, is dat ook metterdaad het geval. Maar dit neemt toch niet weg, dat we twee dingen met zekerheid weten. Ten eerste, dat Jezus in Nazareth, aan den oever van het meer van Galilea, is opgegroeid; dat hij van zijn twaalfde jaar af aan den eeredienst in Sions tempel deel nam; en dat hij reeds destijds in de Schrift ervaren was, en straks als leeraar onder Israël optredende, kennis droeg van alle religieuze, staatkundige en maatschappelijke verhoudingen in Palestina. Dit i.u toont, dat het kindeke Jezus niet geïsoleerd van de wereld is opgegroeid, niet buiten het leven van zijn volk omleefde, en niet in geestelijke teruggetrokkenheid, zich van zijn tijdgenooten heeft afgezonderd, maar geleefd heeft onder zijn volk en met zijn volk, en als we zoo zeggen mogen in den toenmaligen volkstoestand geheel was ingevoerd. Dit is het eerste feit, dat vaststaat, en het tweede is, dat we den toenmaligen volkstoestand in Israël én uit de Evangeliën én uit andere gegevens kennen, als een staat van zaken, die alleen dank zij de gemeene gratie alzoo zijn kon. Natuurlijk niet enkel dank zij de gemeene gratie, want in Israël was het vooral het werk van Gods bijzondere genade, dat zijn stempel op den volksstaat afdrukte. Maar wat breede beteekenis men ten deze ook aan de particuliere genade toekenne, te loochenen valt het daarom niet, dat de invloed der particuliere genade toentertijd volstrekt niet meer was, wat ze eens geweest was in Davids dagen, en dat daarentegen allerlei vreemde invloeden uit Assyrië en Baby-Ion, uit Egypte en Arabic, uit Grieken­ land en uit Rome onder Israël werkzaam waren. De toestand gelijk Jezus dien bij zijn optreden ia Israël vond, was derhalve volstrekt niet een toestand van algemeene volksverwildering, noch ook een toestand, die zich rechtstreeks en geheel als vrucht der particuliere ge nade voordeed, maar ook, en voor geen gering deel, uitvloeisel van de sgemeene gratie, " gelijk die én in Israël zelf, én ia deze vreemde invloeden gevoelen deed. Nemea we nu die beide feitea saam. eenerzijds het feit, dat Jezus dertig jaren lang onder Israël verkeerde en in Israels leven inleefde; en anderzijds, dat de toenmalige volkstoestand voor geen gering deel was, wat hij was, dank zij de inwerking der gemeene gratie; dan volgt hieruit vanzelf, dat Jezus op zeer ernstige wijze met de vrucht der gemeene gratie in aanraking is gekomen, niet een enkel oogenblik, maar heel een reeks van jaren, en evenmin slechts op een eakel punt, maar in geheel zijn menschelijke levensontwikkeling. Het is aan dat leven, gelijk de Heere het ia Israël vond, dat hij zijn voorstelliagen en beelden ontleend heeft. Het is ia verband met het toen bestaande volksleven, dat hij de dingen des Koninkrijks ons geopenbaard heeft. Het is de taal van het toenmalig Israël die hij sprak, de gewoonte van het destijds levend Israël die hij volgde, het is op de vraagstukken die destijds de gemoederea bewogen, dat hij inging. Ook al ontbreken ons derhalve de gegevens, om dit alles in bijzonderheden toe te lichten, over het feit zelf kan geen verschil van gevoelen rijzen. De aanraking met de vrucht der gemeene gratie, gelijk ze zich destijds in Israël openbaarde, heeft voor Jezus bestaaa, en ze heeft gewerkt lange jaren en op zeer breede schaal.

De belijdenis van Jezus als »God te prijzen in der eeuwigheid" werpe daarbij niemand eea blinddoek op het oog. Natuurlijk belijdt elk Christen, dat de wetenschap van den Zone Gods «/wetendheid, dat zijn Wezen ^f-^genoegzaamheid was, en dat noch aan zijn Goddelijke tz/wetendheid noch aan zijn Goddelijke zelfgenoegzaamheid, ook maar iets kan worden toegebracht. Noch in die alwetendheid noch in die zelfgenoegzaamheid was dan ook toeneming of wasdom denkbaar. Bij den Zone Gods, als God met den Vader en den Heiligen Geest aan te bidden, kan noch van ontwikkeling noch van opvoeding noch van toeneming in kennis sprake zijn. Wie ook maar iets hierop afdingt, vernietigt rechtstreeks als met één slag de Godheid van den Christus. Maar geheel daarvan afgescheiden is de vraag, hoe we ons het bewustzijn te vertolken hebben van hem, die zich zelven vernietigd heeft en de gestalte eens dienstknechts heeft aangenomen. Reeds onder menschen komt het voor, dat er in ons een rijke kermis schuilt, en dat we toch op een gegeven oogenblik, of door bijzondere omstandigheden, de beschikking over deze kennis missen. Denkt ge u een man van rijke gedachten, veelomvattende geestesontwikkeling en ongemeene wilskracht in den slaap, dan is natuurlijk ia dien slaap zijn kennis niet weg, en zijn gedachtenwereld nog in hem, en zijn wilskracht nog in hem schuilende, maar zooals hij daar in den slaap nederligt, komt het niet uit en treedt het niet naar buiten. Zelfs komt het voor, dat ia langdurige, ernstige, heel het wezea aangrijpeade ziekte, de geestelijke organen tijdelijk zóó werkeloos worden, dat straks de reconvalescent eerst van lieverlede weer in zijn eigen herinnering terugkeert en weer ingroeit in zijn eigen gedachtenwereld. Er ligt dus niets tegenstrijdigs in, om eenerzijds te belijdea, dat ook toen het kindeke Jezus in de kribbe lag, al deze volmaakte Goddelijke kennis ea Goddelijke machtsvolheid ia hem aanwezig was, en dat toch dit alles wegschool, niet uitkwam, ja zelfs in zijn voltooide menschelijke natuur nooit anders dan zeer ten deele uitkomen kon. Fimtum non capax infiniti, d. i.: Het eindige kan nooit het oneindige bevatten, is de beslissende stelregel, waaraan onze vaderen steeds vasthielden, en deswege mag het nimmer voorgesteld alsof de menschelijke natuur van Jezus, die eindig was, ooit zijn oneindige Godheid heeft kunnen openbaren. Het zuivere licht was in Jezus, maar het kon door het prisma zijner menschelijke natuur nooit verder uitstralen, dan voor zoover die menschelijke natuur het doorliet, ea ia dea tint dien het prisma zijn menschelijke natuur er aan gaf.

Staat het nu vast, dat onze menschelijke natuur een proces. van groei en ontwikkeling doorloopt, en niet anders dan door dien groei en die ontwikkeling haar volle afmetingen kan bereiken, zoo volgt hieruit, dat Jezus, om inder.Iaad en in der waarheid onzer één, Z.on des menschen, te zijn, zich in gehoorzaamheid aan den Vader, en uit liefde voor Gods wereld, aan dien groei en aan die ontwikkeling moest onderwerpen. Dit is niet alzoo uit onmacht geschied, maar juist uit de machtsvolheid der Goddelijke liefde. Het zoo straks gebezigde beeld van den slapenden wijsgeer gaat hier d~a ook alleen bij derde van vergelijking door, want in den slaap is de denker lijdelijk, en de Zone Gods was én ia zijn vleeschwording, én in zijn menschelijke ontwikkeling actief. Hij wilde het zelf aldus. Hij ging zelf ia dezea toestaad ia. Het overkwam hem niet, maar hij zocht het aldus. Hij zocht het vleesch en bloed der kiaderkens. Hij zocht onze menschelijke natuur, en dus met de door God voor die natuur gestelde perken en ordinantiën. En hij zocht dit alles omdat hij Gods uitverkorenen zocht. Het was een nederdalen tot ons, om in ons de glorie zijns Vaders te openbaren.

Nu houdt groei en ontwikkeling intusschen vanzelf in, dat wie groeit en zich ontwikkelt van buiten af iets in zich opneemt en onder dit opnemen rijpt. Wie dus erkent, dat Jezus de menschelijke natuur aannam, en dat Vcin de menschelijke natuur groei en ontwikkeling onafscheidelijk zijn, die erkent daarmee tevens, dat ook Jezus velerlei van buiten in zich opnam, en ^hierdoor onder het opgroeien den wasdom bereikte.

Ten opzichte van het lichaam is dit al aanstonds klaar en duidelijk. Elk onzer belijdt ^dat Jezus uit Maria's bloed het vleesch en bloed onzer natuur in zich opaam, ea alleen zóó als kindeke kon voldragen en gebaard worden. En tvcazoo \ rkent een ieder, dat Jezus, geborea zijade, aan Maria's borst gezoogd is, ea ook daarna vaste spijze nam en zijn dorst stilde door te drinken. We kunnen er bijvoegen, dat hij als ieder onzer ook de lucht inademde en straks uitademde, en dat alzoo zijn lichaam in stand bleef en groeide door wat hij van buiten in zich opnam. En niet minder wordt door allen toegegeven, dat Jezus.niet geboren is in volwassen statuur, maar eerst een klein kindeke was, en alleen door te groeien jongeling en man is geworden, iets wat weer alleen door het in zich opnemen van spijs en drank en lucht denkbaar was. Daarom hechtten onze vaderen er zoo aan, dat we van Jezus lezen hoe hem hongerde bij Sichar en dorstte o'^ het kruis, overmits juist dat hongeren en dorsten toonde, dat Jezus' lichaam geen schijnXichssxa. was, dat vanzelf in stand bleef, maar een lichaam als het onze, dat alleen door het in zich opnemen van spijs en drank in stand bleef. Want wel lezen we v^n Jezus, dat hij veertig dagen in de woestijn vastte, maar, ook afgezien van het feit, dat eea vasten van vele dagen ook bij andere personen is voorgekomen, wordt toch ook het verhaal van dat vasten beslotea met de mededeeling, dat hem tea leste hongerde, ea alle hongeren wijst op de noodzakelijkheid, om spijs en drank in zich op te nemea.

Gaat mea au echter vaa Jezus' lichaam op Jezus' geest over, dan aarzelea velea, om ook hier tot gelijke slotsom te komen. Toch moet die aarzeling tegengestaan. Immers Jezus heeft aangenomen niet alleen een menschelijk lichaam, maar ook een menschelijke ziel, en dus ook in die ziel de vermogens der menschelijke ziel, ea alzoo ook een menschelijk bewustzijn ea eea menschelijken wil. Hij was niet God in een menschelijk lichaam, maar God geopenbaard in heel onze menschelijke natuur, en ook die geestelijke natuur des menschen was in Jezus echt en wezenlijk; niet slechts ia schija menschelijk, maar menschelijk naar al die bepalingen, die God zelf, toen Hij den mensch schiep, voor de menschelijke natuur had verordineerd. Ook hier behoeft men zich alzoo slechts af te vragen, hoe die scheppingsordinantie Gods voor onze geestelijke natuur luidt. Of namelijk onze geestelijke natuur geheel volwassen ter wereld komt, dan wel ÜQ^ ontwikkelt. En ten andere of ze zich ontwikkelt uit zich zelve, dan wel door van buiten af ia zich op te nemea. Verschil van gevoelea nu is hierover niet denkbaar. Een ieder stemt toe, dat de schepping van Adam ea Eva als volwassea personea niet de ordinantie Gods is voor het geslacht dat uit hen zou geboren worden. Integendeel, elk kind begint met ook geestelijk ^«ontwikkeld te zijn; geïsoleerd van alle andere menschen zou het nooit tot ontwikkeling komea; ea dat het door oatwikkeliag den wasdom bereikt, geschiedt alleen krachtens zijn contact met de menschenwereld om hem heea. Ook hier is een hongeren naar kennis, en eea dorstea naar wetenschap, en het is uit de natuur ea uit de menschenwereld dat voor een niet gering deel die honger gestild en die dorst gelescht wordt. Niet, alsof dit 's menschen eenig voedsel ware voor de ontwikkeling van den geest. Immers het is ook uit God zelf, dank zij zijn opeabariag ea de iawerking van zijn Geest, dat de iaaerüjke verlichtiag ea sterking aan zijn geest toekomt. Maar toch is zelfs die openbaring Gods in verre de meeste gevallen aan den dienst van en den omgang met menschen geboaden, ea ia elk geval geeft ieder toe, dat oaze geest, behalve uit het Woord eadoor dea Geest, zich ook door de natuur en door ons verkeer ia de wereld der menschen, allerlei ziet aangeboden, wat ons verrijkt. Niet in dien zin, dat spreekt wel vanzelf, alsof een volwassen geest slechts het product zou zijn, van wat hij ia zich opaam. Dit is zelfs bij ons lichaam niet het geval. Wie geea gezoad gestel heeft, dien baat de spijze aiet, ea als ia ons aiet de kracht schuilt, om bloed uit de spijs te makea, blijft de wasdom des lichaams uit. Ea zoo au ook kan 's menschen geest in zijn wasdom nooit het eeavoudig product zija vaa wat hij ia zich opaam, maar is hij het zelf, die keurt wat hij zal opnemen, en die het opgenomene tot zijn eigendom maakt en verwerkt. Slechts blijft dit vaststaan, dat, naar de ordinantie Gods, ook de geestelijke zijde van 's menschen natuur aldus is ingericht, dat ze vaa buiten af velerlei voedsel ia zich moet opnemea, ea zich daardoor vormt.

En dit nu zoo zijade, zoo kan het niet anders, of ook bij Jezus moet ge van twee één stellea, *; óf dat hij zija bewustzijn ontluiken deed buiten zijn omgevmg om; maar dan was zijn natuur in dat opzicht ook geen menschelijke natuur. Of wel, indien hij ook naar zijn geestelijke natuur, voor wat de ziel en haar vermogens aangaat, waarachtig mensch was, dan moet er ook bij Jezus geregelde ontwikkeling in zija measchelijk bewustzijn hebben plaatsgegrepen, en moet die ontwikkeling hebben plaatsgegrepea, doordien hij uit de natuur ea uit het Woord, en uit de menschenwereld om hem heen, allerlei voorstelling, allerlei inzicht, en allerlei kennisse in zich opnam.

De Schrift getuigt het dan ook zelve: Jezus nam toe ook in wijsheid. Dit kan niet zijn, van binnen uit, want naar zijn Goddelijkea persoon was zijns de volmaakte Goddelijke wijsheid, die juist wijl ze in zichzelve eeuwiglijk volkomen is, niet toenemen kan. En dus moet het wel geweest zija eea toenemen doordiea hij uit de natuur, uit het Woord, en uit de wereld om zich heen, verrijking vaa keaais ea iazicht ia zich opaam. Dat het opnemen dier kennis, en het zich ontwikkelen door die opgenomen kennis bij Jezus plaatsgreep op een geheel eenige wijze, is hiermede niet betwist. Veeleer volgt dit uit het geheel eenige van zijn persoonlijkheid. Ons is het genoeg, indien het feit, éa dat Jezus zich ontwikkelde, én dat deze ontwikkeling tot vollen wasdom plaatsgreep door van buiten af in zich op te nemen, maar onver • kort en onverlet blijve. Wie dit toch ontkennen wilde, zou aan Jezus een menschelijke natuur toeschrijven, niet gelijk ze naar de ordinantie Gods zijn moet, maar een denkbeeldige measchelijke aatuur, die alle gemeeaschap met Jezus voor ons afsloot

En staat dit nu vast, dan blijkt ook met volkomen gewisheid, wat we in den aanvang van dit artikel stelden, namelijk dat de gemeene gratie ook hierin een vrucht afwierp voor Jezus. Van verre niet de eenige vrucht, die hier ia aaamerking komt, want wat de Heilige Schrift voor Jezus is geweest, zal geen onzer ooit ten volle verstaan. Reeds de afstaad tusschea het kind Jezus ia dea tempel ea de grijze Schriftgeleerden, die hij oadervroeg, bewijst dit. Ea ook kunnen we slechts bij benadering gissen, wat de dienst des Heerea ia Sions tempel voor Jezus tot verdieping van zijn inzicht ia het heilige bijdroeg. Is reeds oader ons de iadruk diea de ééne mensch van zulke heiligheden ontvangt zoo naam loos veel dieper, dan de iadruk waarvoor de ander vatbaar is, tot wat diepte en in wat rijkdom moet deze iadruk dan wel niet bij Jezus zijn doorgedrongen. Ook wat de Heilige Geest ^zonder mate" voor Jezus bij de geestelijke ontwikkeling van zijn menschelijk bewustzijn geweest is, blijve hier buitea het geding. Dit alles komt bij de ontwikkeling vaa het menschelijk bewustzijn van Jezus niet slechts bij, maar het wijst ons zelfs op de hoofdfactoren. Maar dit alles neemt niet weg, dat Jezus ook de rijke weelde der natuur indronk, ea eveazoo ia zich opaam de taal, de bewustzijnsvormen, de denkbeelden, ea de menschelijke en geestelijke ontwikkeling, die hij in zijn omgeving en bij zijn volk vond. Jezus sprak niet in engelentaal noch in de taal van het paradijs, maar in de gebrekkige taal der toenmalige Joden, Hoe zouden ze hem anders hebben verstaan ? En deze taal bracht Jezus niet mede ter v/ereld, maar die heeft Jezus aangeleerd van zijn moeder. Een taal au kan men niet aanleeren, zonder de gedachtea ea deakbeelden ea voorstelliagen ia zich op te aemea, waarvaa die taal de uitdrukking is. Eu die denkbeeldea wederom koa Jezus niet tot de zijne maken, zoader in de levensontwikkeling van zijn omgeving in te gaan. Stel nu voor een oogenblik dat Jezus geboren ware bij een achterlijk volk, dat op zeer lagen trap stoad, daa zou ook de gedachteawereld waaria Jezus opgroeide eea veel armere zijn geweest. En dat hij nu opgroeide te midden van een volk, dat ook wat het menschelijk leven uit de gemeene gratie betreft, zoo hoog stond en zoo rijk was, als destijds Israël, geschiedde niet bij geval, maar naar het wijs bestel des Heeren, opdat aldus zijn menschelijk bewustzijn juist die ontwikkeling zou erlangen, die voor zijn Messias-ambt noodig was. En zoo werd dan ook de vrucht der gemeene gratie Jezus juist indien vorm en in die mate toegebracht, als naar Gods bestel eischwas voor zijn Goddelijke zending.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken