Bekijk het origineel

Doopquaestie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Doopquaestie.

4 minuten leestijd

In de Gereformeerde Kerk zagen we, dat feitelijk aan het besluit der Haagsche Synode in zake den heiligen Doop alle beteekenis ontzegd wordt.

De redeneering daarbij was deze.

In een kerk zijn er vraagstukken, die de Belijdenis, en andere vraagstukken die het Reglement beslist.

Nu behoort de heilige Doop tot die heiligheden die in de Belijdenis worden uitgemaakt, en het Reglement kan niet anders en niet meer doen, dan hoogstens tijd en gelegenheid regelen voor wat krachtens de Belijdenis, en krachtens haar alleen vaststaat.

En overmits nu de Haagsche Synode niet over de Belijdenis, maar in zake een Reglement handelde, vergist zich wie van haar handhaving van den heiligen Doop gevorderd had.

Door dit betoog nu loopt een lijn, die ook de onze is.

Al wie waant dat een kerk, die haar levensband met de Belijdenis losliet, zich redden kon door reglementair de scheuren te dichten, vergist zich. In zooverre bleek dan ook van achteren dat zoo menige actie in de Hervormde kerk weleer op touw gezet, om door reglementaire bepalingen het gevreesde kwaad af te weren, tot geen doel kon leiden, overmits de vastigheid der kerk in haar band aan de Belijdenis, en in die Belijdenis aan het Woord ligt, en derhalve alleen herstel van de Belijdenis in haar oorspronkelijke kracht waarlijk betering kan aanbrengen.

Al het andere is wat men wel eens genoemd heeft lapwerk. Een verband om den gebroken arm, maar zonder dat dit verband den arm tot arbeid bekwaamt.

We miskennen dan ook allerminst het deel van waarheid, dat in deze opmerking school.

Vergissen we ons intusschen niet, dan paste op deze op zich zelf juiste praemisse de minor, en dus ook de conclusie, niet.

Wat toch de Haagsche Synode te regelen had, was niet de afschaffing of de instandhouding van den heiligen Doop, maar de vereischien voor het toelaten tot het doen van belijdenis.

Immers de vraag aan haar oordeel onderworpen, was alleen deze: Zal het voor het doen van belijdenis al dan niet vereischte zijn, dat de bediening van den heiligen Doop vooraf zij gegaan ?

Nu is de bepaling, welke de vereischten zijn, om tot het afleggen van openbare belijdenis te worden toegelaten, een dier zaken, die in elke kerk door de kerkelijke regeling moeten worden vastgesteld, want het is door deze openbare belijdenis dat men voor het eerst in het volle genot van het lidmaatschap der kerk treedt.

Tot dusver was men inembrum mancum. Eerst nu wordt men membrum plenum et perfectum.

En tot het geven van zoodanige bepaling geroepen, heeft nu de Haagsche Synode verklaard: Bij mij, in mijn kerk, kunt ge in het volle genot van het lidmaatschap komen, ook al zijt ge niet gedoopt.

Aldus zijn de juiste proportion van het gevallen besluit, en juist in deze proportiën ligt de trouwbreuke.

En nu zegge men niet: Een Synode heeft dit niet te bepalen. Dat Doop voorafgaande eisch is staat vanzelf vast door het bevel van den Christus.

Want dat is wel zoo, en we geven volkomen toe, dat alle bepaling achterwege kon blijven, maar hierover liep de quaestie niet.

De quaestie was, dat sommige kerkeraden het lidmaatschap toestonden zonder Doop.

Dit nu had tot bestraffing van zulk een kerkeraad moeten leiden.

En zie, in plaats van zulk een kerkeraad te bestraffen, verleende nu de Synode feitelijk een vrijbrief aan alle kerkeraden om desgelijks te doen.

Wie aldus te werk ging, zou in haar oog niet zondigen.

Al geven we dus toe, dat de quaestie verre van zuiver gesteld was, het onzuiver stellen der quaestie vermindert de ergernis niet, maar verhoogt die.

Nu toch blijkt, hoe de Haagsche Syno de ophield den eisch dien Christus zelf voor ^y« kerk gesteld heeft, ook voor haar kerk te doen gelden en te handhaven.

Maar evenzeer dient erkend, dafs al ware het besluit der F/aode anders uitgevallen, dit de Herv. k..K allerminst gered zou hebben.

Wat haar redden kan is alleen terugkeer tot de Belijdenis, den Dienst en de Tucht der vaderen.

Doch juist daarvan raakt men steeds verder af.

En daarover spreekt en redeneert men wel in den breede, maar stuurt er niet op aan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Doopquaestie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken