Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dan de gemeene Gratie.

17 minuten leestijd

DERDE REEKS.

XXI.

Aanmerkt de leliën des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet; en ik zeg u, dat ook Salomo in al zijne heerlijkheid niet is bekleed geweest, gelijk eene van deze. Matth. 6 : 28.5, 29.

Aan de gemeene gratie danken we ook alle schoon, alle goed dat nog overbleef in het rijk der natuur. De wet der zonde bedreigde ons, wat de natuur aangaat, met den vloek, dat we in stee van het paradijs een aarde zouden bewonen, die slechts doornen en dis telen voortbracht. Maar hierin juist is nu de gemeene gratie, dat deze vloek gestuit is, en dat er ja doornen en distelen opschoten, en ook op elk ander terrein vernieling in de natuur doordrong, maar dat toch dit vernielend element niet de overhand behield, en ons een aardrijk verbleef dat overvloedige, rijk gestoffeerde natuurweclJe aanbiedt. Jezus vond dan ook bij zijn optreden in het toen nog niet verwilderde Palestina, een Oostersch-rijke, een Levantinisch-schoone natuur, wier taal hij opving en aan zijn jongeren vertolkte. Hij sloot zich voor die hem omringende natuur niet af. Van den trek, dien soms overgeestelijke vroomheid openbaart, om zich geestelijk op te sluiten en blind voor het natuurschoon tj zijn, is in Jezus niet het minste spoor te ontdekken. Meer buitenshuis dan in huis treffen we den Heiland aan, en dat hij de dalen van Palestina niet doorwandeld heeft met afgeleid oog, maar met een oog dat zich voor het natuurschoon ontsloot, bewijst u elke bladzijde van het Evangelie. Immers het is aan het natuurleven dat hij zijn beeldspraak, aan het natuurleven dat hij zijn gelijkenissen ontleent, en telkens weer komt op sprekende wijze uit, dat Jezus in wat hij over de dingen van het natuurlijke leven zegt, niet afgaat op wat anderen hem aanzeiden, maar dat hij het alles zelf met eigen oog waarnam.

Hierin nu ligt meer dan oppervlakkig schijnt.

De beeldspraak, die aan de natuur ontleend wordt, is niet toevallig. Integendeel, als Jezus die beeldspraak gemist had, als er de stoffe niet voor bestaan had, en onze Heiland alzoo genoodzaakt ware geweest, om de waarheid Gods in louter afgetrokken begrippen mede te deelen, zou niet de helfte ervan ons zijn aangezegd, en zou wat hij ons nog aanzeide, er bij de jongeren, bij de schare, en bij de navolgende geslachten niet ter helfte zijn ingegaan. Als ge nu nog vraagt, wat zelfs in afgedoolde kringen nog van het Evangelie bleef, dan is het een gelijkenis of een beeldspreukig gezegde, of een dier roerende verwijzingen als naar de vogelen des hemels of de leliën des velds. Denkt ge dan ook, dat niets van dat alles Jezus ter beschikking had gestaan, en dat hij steeds gesproken had in begrippentaal, gelijk Johannes in den aanhef van zijn Evangelie, zoo zou de prediking van het Koninkrijk der hemelen aanstonds gestuit zijn, slechts door zeer enkelen voor een klein deel in zich zijn opgenomen, en nimmer zijn weg gevonden hebben tot die duizendmaal dui zenden, die, van begrippen wars, alleen in de voorstelling leven.

En ook dit nu is weer allerminst toevallig, maar hangt rechtstreeks samen met de scheppingsordinantie Gods. Heel de natuur is symbolisch. D. w. z. heel de natuur draagt een zinnebeeld van het geestelijke. Er zijn twee levens, een geestelijk onzichtbaar, en een zinlijk zichtbaar leven, en dat leven van natuur en geest schiep God in onderling verband. Het ééne draagt de beeltenis van het andere. Het geestelijke spiegelt zich in het natuurlijke, gelijk het geboomte aan den oever zich spiegelt in het rustig onbewogen watervlak. Of, dieper nog opgevat. God schiep de natuur, niet opdat er vrucht en bloem zou zijn, maar om in die natuur zijn eigen wijsheid en almachtigheid te openbaren. In de natuur schijnen de deugden onzes Gods door, niet toevallig, maar omdat Hij ze er in uits raalt. Het zinnen Gods in het rijk der natuur zinspeelt op het zinnen Gods in het geestelijk Koninkrijk. En waar wij menschen, als naar ziel en lichaam bestaande, zoowel aan het onzichtbare als aan het zichtbare leven deel hebben, is de natuur er op aangelegd, om ons het geestelijke te verklaren, en het geestelijke er op ge chapen om het rijk der natuur voor ons zijn beduidenis te geven. Tot in onze menschelijke taal gaat dat door. De klanken die over onze lippen komen, behooren tot het rijk der natuur, maar de gedachten, gewaarwordingen en gevoelens die we in deze klanken voor anderen vertolken, zijn onzienlijk en onzichtbaar van aard.

Hieruit volgt, dat het Koninkrijk Gods in onze zondige wereld inkomende de taal der natuur voor zijn openbaring niet missen kan. Gelijk de apostel Mattheüs opmerkt, dat Jezus in zijn gelijkenissen openbaarde dingen die verborgen waren van vóór de grondlegging der wereld, zoo lag metterdaad in de natuur van Godswege de afspiegeling gegeven van de dingen die in het Koninkrijk der hemelen ons toekomen zouden. Ware nu de vernieling van den' vloek doorgegaan, en ware deze taal der natuur voor ons uitgewischt, of althans dit letterschrift der natuur geheel met doornen en distels overgroeid geworden, zoo zou het middel ontbroken hebben, om ons het Koninkrijk der hemelen te openbaren. En ook al stelde men, dat toch Jezus die sprake der natuur had kunnen kennen, wat zou het gebaat hebben, indien wij, menschen, die taal niet hadden verstaan? Hij zou dan gesproken, maar wij hem niet begrepen hebben. Zou derhalve Jezus in staat zijn in de taal der natuur ons de dingen van het Koninkrijk Gods te openbaren, dan was het voor hem onmisbaar, i". dat de natuur in haar vernieling gestuit werd, zoodat ze het geestelijke nog afspiegelen kon; 2". dat Jezus de natuur leerde kennen in een land, waar ze haar eigen taal nog duidelijk genoeg sprak; en 3". dat de schare die hem hoorde aan die zelfde natuurtaai gewend was. Welnu, zoo greep het dan ook werkelijk plaats. De »gemeene gratie" heeft in het algemeen het ondergaan der natuur in één veld van doornen en distels tegengehouden. Vernieling is er. Sommige streken des aardrijks zijn zelfs gansch verwilderd. Maar toch biedt het aardrijk nog steeds een zeer breeden zoom, die het natuurleven tot rijke ontwikkeling brengt.

Die natuurontwikkeling is in het Oosten veel rijker en weelderiger dan in het Noorden. De koude drijft naar huis, zomerkoelte naar buiten. Vandaar dat in het Oosten veel meer in de natuur geleefd wordt, terwijl de bewoners van Groenland zich ternauwernood even buiten wagen. Daarom kan de taal der natuur in het Oosten zooveel beter dan in het Noorden geleerd worden. Het vele leven in de open lucht maakt voor het verstaan van de taal der natuur ontvankelijk en vatbaar. Dat kleurt heel de taal die men in het Oosten spreekt. Van jongs af wordt het kind er aan gewend. Men drinkt er het natuurleven met een diepte in, die ons vreemd is. En het is daarom buiten kijf, dat men juist in het Oosten zijn moet, om er de pracht van den sterrenhemel en de weelde der natuur ten volle in zich op te nemen. Welnu, dienovereenkomstig ziet ge dan ook, dat Jezus optreedt, niet in Zweden of Noorwegen, veelmin nog onder de Eskimo's of in Siberië, maar in een Oostersch land met een natuur vol Oostersche weelde. Meer nog, heel de voorafgaande openbaring, die Jezus' komst voorbereidde, en de geestelijke taal reeds formeerde eer hij optrad, was van meet af in het Oosten saamgetrokken. En de lange liJD, die van het Paradijs tot op de kribbe van Bethlehem loopt, verlaat geen oogenblik de Oostersche wereld.

Toch is ook in die Oostersche wereld nog onderscheid. Onder de keerkringen, en zoo ook in onze Oost-Indische koloniën, is het leven der natuur wel Oostersch van aard, maar onvrij in zijn ontwikkeling. De hitte is er te drukkend. Dat kleurt te sterk, en geeft daardoor een overhelling naar een ander uiterste, waardoor ontstaat, wat men zou kunnen noemen Oostersche eenzijdigheid. De natuur is er overdreven Oostersch, en verteert daardoor die zachte schakeeringen, en dien rijkdom van vormen, die juist de natuur zoo sprekend maken. Hooger dan het gemeene Oostersche leven staat daarom het leven der natuur in wat men noemt de Levant, d. i. het land om de Oosterhelft van het bekken der Middellandsche Zee. Daar liggen dan ook metterdaad in engen kring bijeen alle de landen, die in de ontwikkeling der menschheid vóór Christus den toon aangaven: Egypte, Griekenland, Rome, Palestina, en daarachter, op gelijke hoogte. Babyion. Stelt men nu de vraag, op welk deel van onze aarde Jezus had moeten optreden, om de natuur te vinden in een vorm die voor de vertolking van de dingen des Koninkrijks het meest geschikt was, zoo is niet wel een ander antwoord mogelijk, dan ' dat de Levant daarvoor het aangewezen terrein was. Hier alleen is de natuur rijk, eo toch getemperd, uitkomende in haar volle schoonheid, en toch van het zware, drukkende en beklemmende van het leven onder de keerkringen vrij gebleven. Zoo is het de gemeene gratie, die de vernieling der natuur in het geineen stuitte, die haar meer stuitte in het Oosten dan in het Noorden, en die haar op d-^ meest gewenschte wijze stuitte juist in een land als Palestina. In den meest eigenlijken zin mag en moet dan ook erkend, dat het de gemeene gratie was, die juist in de Levant, de natuur voor Jezus' oog in zulke vormen deed uitkomen, als haar tevens het meest geschikt maakten, om de dmgen des Koninkrijks af te spiegelen.

En hier komt dan ten slotte nog als laatste vrucht der gemeene gratie bij, dat Jezus vanzelf in deze Levantijnsche natuur, en nader in Palestina, een bevolking vond, die er van huis uit op was aangelegd, om deze natuurtaai te verstaan. Het Joodsche volk had altoos óf in Egypte, óf in Palestina, óf in Babyion geleefd, en was dus een Oostersch volk in den vollen zin des woords, meer bepaaldelijk van Levantijnschen stempel. Dat het zoo zijn zou, lag in Gods bestel. God zelf had Abraham uit het dieper achteraf liggende Ur naar het Palestina der Middellandsche Zee geroepen. Daar was aan Israël zijn vaderland aangewezen. Daar had het zijn poëtisch geestelijke taal gevormd. Daar zijn leven met het leven der natuur vermaagschapt. En het was de vrucht én van deze bepaling van Israels woonstede, én van dat verleden, én van die taaivorming, dat Jezus, /^^«tertijd, en onder dat volk optredende, hoorders om zich heen kon verzamelen, die in deze taal der natuur geen vreemdelingen waren.

Zoo is dan de vrucht der »gemeene gratie" den Middelaar Gods en der menschen te gemoet gevoerd, ten eerste uit Davids geslachtslinie, ten tweede bij het opgroeien onder een zoo hoog ontwikkeld volk, en ten derde in de symboliek der natuur. Maar er is meer nog. De verschijning van den Christus in het vleesch had volstrekt niet alleen ten doel, om zich onder ons te vertoonen, door ons geslacht heen te wandelen, en bij dezen omgang ons de woorden des eeuwigen levens te verkondigen; hij zou geroepen worden om ook in het bestaande leven dat hij vond in te grijpen, er den strijd meê aan te binden, en niet te rusten eer hij er schijnbaar in onderging, om juist door en in dien schijnbaren ondergang te triomfeeren. Jezus was, als we ons zoo mogen uitdrukken, te midden van de wereld, waarin hij optreedt, een element van gisting. Hij dwong tot heilige sympathie of stootte in doodelijke antipathie van zich af. Tusschen hem en het menschelijk leven, waaronder hij optrad, bestonden tegenstellingen, en hij moest den eisch stellen, dat dit menschelijk leven zich naar hem voegen zou en zich door zijn leven zou laten assimileeren. En toen de wereld dit nu weigerde, kon het niet anders, of een strijd moest ontbranden. De wereld moest over hem of hij over die wereld triomfeeren. Hieruit volgt dat Jezus niet, mijdend en ontwijkend, door het leven heen wandelde, maar het leven aangreep, en er de worsteling meê aanbond. Dit komt uit in zijn wonderen, als hij kranken geneest, bezetenen ontlast, dooden in het leven terugroept, de winden gebiedt, de zee aan zich onderwerpt, koninklijk over de voedingskracht van het brood beschikt, en op zoo menige andere wijze in den bestaanden toestand ingrijpt, en dien omzet naar zijn heilig welbehagen. Maar diezelfde strijd moest ten slotte ook worden aangebonden met het georganiseerde menschelijk leven, gelijk het in de scholen der schriftgeleerden, in de hiërarchie der priesters en onder de landsoverheid in vasten vorm optrad. Dien strijd voerde hij inleidend en voorbereidend door twistgesprek en strafrede, maar ten slotte moest deze worsteling leiden tot een levensconflict. De macht van hiërarchie en landsoverheid moest voor hem zwichten, of zich tegen hem opmaken, en hem in geregelden vorm den voortgang zijner zaak betwisten.

Nu schuilt hierin voor ons die gelooven het mysterie van het Verzoenmg-en Voldoeningswerk, en daarom belijden we met alle Christenheid, dat de Zoon des menschen onze zonden op zich genomen en die op het hout gedragen heeft, en alzoo in en door den dood des kruises de straf onzer zonden heeft geboet. Maar één ding spreekt toch wel vanzelf: niet aldus heeft het te Jeruzalem het Sanhedrin, en niet alzoo heeft het de Romeinsche landvoogd begrepen. In de dagen toen dit ontzettend geding te Jeruzalem werd gevoerd, was er niemand die aan de zelfofferande van het Lam Gods dacht. Het Sanhedrin niet, en Pilatus niet, en zelfs de gedachten der jongeren werden door heel andere overwegingen gespannen gehouden. Het was een worsteling tusschen Jezus, en zijn invloed op de schare, en zijn wondere macht aan de ééne zijde, en tusschen de hiërarchie en het keizerschap aan den anderen kant, en in die worsteling isjezusophet kruis ondergegaan, om straks in zijn verrijzenis over deze beide machten te zegevieren. Er is hier dus tweeërlei. Er is de mystieke achtergrond van het zoenoffer, en er is de kennelijke worsteling tusschen Jezus en de twee machten van zijn tijd. En nu gaat het natuurlijk niet aan, die twee kanten van het geding eenvoudig los van elkaar en geheel uitwendig, bijeen te voegen. Integendeel, juist in de worsteling met die twee levensmachten van hiërarchie en keizerschap werd het proces der Goddelijke gerechtigheid voltrokken, en het is dan ook opmerkelijk, dat onze Twaalf Geloofsartikelen, aan het sterven van onzen Heiland toegekomen, zelfs zwijgen over het zoenoffer, en alleen het nuchtere feit opnemen, dat hij gestorven is onder Pontius Pilatus. Wat, zoo zou men toch vragen kunnen, heeft dit nu met onze verlossing van zonde uitstaande, en wat deed het er toe, of Jezus onder Pontius Pilatus stierf, dan wel of hij een anderen dood gestorven ware. Het is toch zijn dood, zijn gewelddadig sterven, zijn vergoten bloed alleen, waarin onze hope rust.

Onze Catechismus intusschen wijst er met nadruk op, dat zijn terdoodveroordeeling door den wereldlijken rechter aan zijn sterven de kracht leent, om de vrijspraak in het gerichte Gods te verwerpen, en houdt dan staande, dat zijn sterven juist onder Póntius Pilatus geen toevallig of bijkomstig iets was, maar door het wereldverzoenend karakter van zijn dood werd geëischt. Het mysterie der Verzoening en de uitwendige gang van het over Jezus gevoerde proces, staan alzoo naar onze Gereformeerde belijdenis, wel terdege met elkaar in verband, en dit verband wordt daarin beleden, dat Jezus in, conflict is gekomen met de aardsche rechtsbedeeling, zooals ze zich onder de hoogheid der Overheid gevormd had. Ga hiervan nu uit, en belijd alzoo, dat de Verzoening uwer zonde alleen kon worden teweeggebracht, indien de Middelaar met den aardschen rechter in aanraking kwam, en door dezen ter dood veroordeeld werd, en dan springt het immers terstond in het oog, dat het bij die aanraking van het hoogste gewicht was, hoedanig bij dit proces de aardsche rechter zich voordeed, en onder welke rechtsbedeeling het doodvonnis over Jezus werd uitgesproken.

Wat is nu deze aardsche rechtsbedeeling ? Is ze een vrucht van de particuliere of van de gemeene gratie? Dat ze een product van gratie is, behoeft nauwlijks aanwijzing. In een helschen staat is rechtsbedeeling ondenkbaar, want alle rechtsbedeeling bedoelt den triomf van recht over onrecht, en in een helschen staat is de triomf van het onrecht uitgangspunt. Ook ziet men hoe in geheel verwilderde toestanden schier alle rechtsbedeeling inzinkt, om alleen het ruwe geweld heerschappij te laten voeren. Overal waar rechtsbedeeling, dien naam waard, heerschappij mag voeren, is alzoo in die rechtsbedeeling een gunst, een genade te begroeten, die God Almachtig in deze zondige wereld, ons, tegen onze verdiensten, schenkt. Rechtsbedeeling toch is geen arbitrage. Het is geen uitspraak van kundige, vroede mannen wat htin voorkomt, billijk en recht te zijn. Neen, rechtsbedeehng is een macht, die eigener autoriteit optreedt om schending van het recht te wreken, moet het, te wreken tot in uw bloed. En ook al stelt men dit thans veelal anders voor, en al baseert men de rechtsbedeeling op geheel anderen grondslag, dit blijft toch naar aller getuigenis van het karakter van alle rechtsbedeeling onafscheidelijk, dat ze ongevraagd en ongeroepen tegen de misdaad optreedt, en straft door executie met dwang. Voor wie nu in God gelooft, kan dit niet bestaan., of van Godswege moet het recht en de macht hiertoe aan den menschelijken rechter gegeven zijn, overmits zonder Goddelijke ordinantie de mensch geen macht over den persoon en het leven van zijn evenmensch bezitten kan. Alle rechtsbediening is alzoo uitvloeisel van een door God gestelde macht, die verordend is, om voor de heerschappij van het ruw geweld de heerschappij van een zedelijk beginsel in de plaats te stellen. Daarom stelt de Schrift het dan ook als een straf voor, wanneer God de rechters wegneemt, en leert ze er ons een zegen, een gunst, een genade in zien, indien God zich ontfermt, en ons weer rechters geeft als in den beginne. Zoo toch staat er in Jesaje i : 26: En Ik zal u uwe rechters wedergeven als in het eerste; daarna zult gij een stad der gerechtigheid genaamd worden; Sion [zal verlost worden door recht".

Tot de > particuliere genade" nu kan de rechtsbedeeling niet gerekend worden. Immers, rechtsbedeeling was er niet alleen in Israël, maar onder alle niet geheel verwilderde volken. Er is en was rechtsbedeeling niet alleen in de Christenlanden, maar ook onder Heidenen en Mahomedanen. Er is alzoo geen quaestie van of de rechtsbedeeling moet tot het terrein der gemeene gratie worden gebracht, en onze Catechismus duidt dit zeer juist aan, door te spreken van den swereldlijken rechter." Want wel bestond er ook in Israël rechtsbedeeling, en droeg met name de rechtsbedeeling van het Sanhedrin in Jezus' dagen een gemengd karakter, maar het oordeel van het Sanhedrin over Jezus is niet beslissend geweest. Onze twaalf Geloofsartikelen maken dan ook van het vonnis van het Sanhedrin geen melding; en niet Cajaphas maar Pontius Pilatus wordt als de verantwoordelijke rechter genoemd. Zoo bevestigt het zich dan van alle zijden, dat de rechtsordening, waaronder Jezus ter dood gedoemd is, niet Joodsch-particularistisch, maar algemeen wereldlijk was, en dat hetgeen in die rechtsordening en rechtsbedeeling uitkwam, is te beschouwen als opgesproten uit den wortel der gemeene gratie. En zeg nu niet, dat dit feit wel verre van Jezus een vrucht der gemeene gratie te brengen, dan toch veeleer omgekeerd een booze vervalsching dier gemeene gratie op Jezus aan deed komen. Wie toch eenmaal wel verstaat, dat het Middelaarswerk niet kon worden volbracht dan tengevolge van een conflict op leven en dood met de wereldlijke rechtsbedeeling, die erkent hiermee tevens, gelijk ons nog nader blijken zal, dat het aanwezig zijn van zulk een rechtsbedeeling voor het Middelaarswerk onmisbaar was, en dat alzoo de gemeene gratie ook in dit opzicht meewerkte, om den raad Gods te volvoeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken