Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

7 minuten leestijd

„ROBINSONS."

slot

Reeds kortten de dagen zeer merkbaar; 't werd ook veel guurder weer. Onze twee zwervers maakten intusschen gebruik van den tijd, die hun nog bleef, om zooveel mogelijk rendieren te schieten. Wel kon men natuurlijk al dat vleesch niet dadelijk verorberen, maar de visscher verstond zeer goed de kunst vleesch te drogen, waarna het zeer lang goed ea eetbaar bleef. Ook werkte de koude er veel toe mee, dat de mondvoorraad niet bedierf. Ze hadden nu ook reeds een flinken stapel rendiervellen. Die konden ze kostelijk gebruiken. De houten hut was van buiten in den regel gedekt met sneeuw. Van binnen behingen ze nu de wanden met rendiervellen, die ze aan elkander naaiden. Dit nu bleek een degelijke beschutting te zijn tegen de felle koude. Eu wanneer het vuur brandde en natuurlijk de deur en het luikje gesloten waren, kon het in de hu flink warm zijn. Dit was trouwens noodig, want daar buiten vroor het steen en been.

't Was goed, dat onze reizigers bij tij ds gezorgd hadden. Want de winter kwam, en zij wisten dat nu althans vooreerst op geen verlossing was te hopen. Doch de winter ging weer voorbij, het werd lichter en warmer en weer zomer, en nog altijd vertoonde zich geen schip, hoe scherp ze er ook naar uitzagen. Zoo gingen zelfs dertien maanden om, waarin de twee Robinsons geen menschelijk wezen behalve elkander zagen en van de wereld niets meer dan het kale, eentonige Spitsbergen, een lusthof voor schaatsenrijders. Ge zult misschien vragen of dan de huisgenooten en vrienden van Brakmo niet naar hem onderzochten. Maar, ge weet, er is naar Spitsbergen ook geen telegraaf, en daarbij 't kwam wel niemand in de gedachten, dat de visscher zoover zou zijn afgedwaald. Ieder meende dat hij en de jongen in den storm waren omgekomen.

»Hoor eens vriend" sprak Brakmo tot den jongen, toen weer de zomer ten einde liep, »ik heb geen lust hier nog een winter door te maken."

»Ik evenmin", zei de jongen.

»En daar er geen schip komt, " vervolgde Brakmo, „moeten we met Gods hulp beproeven met onze boot weg te komen." 't Is nu nog tijd, straks zitten we weer in 't ijs."

Dadelijk gingen ze aan 't werk. Maar, o wee, de boot bleek bij onderzoek tamelijk geleden te hebben. In aller haast en zoo goed als 't kon, werd het vaartuigje nu wat gekalefaterd. Twee dagen nadat ze hun plan hadden gemaakt, staken onze vrienden reeds in zee. Ze hadden nu echter gezorgd den noodigen teerkost mee te nemen.

Gelukkig echter was daar zelfs de helft niet van noodig.

Er woei een gunstige Noordenwind, en zoo zeilde het scheepje dan door 't nu nog open water voorspoedig zuidwaarts, recht op de Noorsche kust aan. Binnen weinig tijds was de reis afgelegd, en juichend zette Brakmo weder te Vardo den voet op zijn vaderlandschen grond. Dadelijk telegrafeerde hij vandaar naar Tromso aan zijn vrouw, en reisde toen zelf zoo spoedig mogelijk daarheen. Ge begrijpt, hoe verheugd zijn huisgenooten waren, hem, dien'ze al lang voor dood hadden gehouden, weer levend en gezond voor zich te zien.

Dat is nu een pas gebeurde geschiedenis van een Robinson, door iedereen te bevragen, die een reisje naar Tromso maken wil. En als we eens over den eigenlijken Robinson spreken zal blijken, dat ook van diens geschiedenis meer Waar is dan men veelal denkt.

AAN VRAGERS.

We hadden den vorigen keer ongemerkt zooveel geschreven, dat het er niet alles in kon. 't Wordt nu echter tijd dat we antwoorden op eenige vragen van onzen lezer A. de D. te R., die al vrij lang wacht en met hem wachten, gelijk hij zegt, vele anderen. Alleen houde vriend De D. het ten goede dat •wtj blijven letten op het opschrift boven de^e afdeeling: iVoor Kinderen."

«Wanneer, vraagt onze lezer, begint een kind te denken, en zich feiten, meer bijzonder, of wel algemeene, gebeurtenissen te herinneren? Wat, of welke zijn de kenteekenen daarvan in een kind te bespeuren of te bespieden ?

Wanneer begint een kind te zondigen, hetzij wetend of onwetend."

Onze lezer meldt er bij, dat men het hierover niet eens kon worden. We gelooven het graag. Want de eerste twee vragen komen hierop neer: Wanneer begint het verstand te werken, met 2(? ^bewustheid? Als een kind, b. v. zes maan­ - den oud, een reis naar Indië maakt, daar drie maanden vertoeft, en dan weer heengaat, weet het daar later toch niets van, wijl het zich niet bewust was wat er gebeurde.

Nu is het echter beslist onmogelijk te zeggen, wanneer het verstand begint te werken. Want dat weten we alleen als zich die werking oJ> enbaarl en het is zeker dat vóór dit geschiedt, het verstand toch reeds eenigen tijd werkte.

Zoover wij dus zien kunnen, is van denken en herinneren eerst sprake als zich de bewijzen daarvan openbaren, en nu is het weer zeker dat die bewijzen niet bij alle kinderen zich op denzelfden tijd vertoonen. Men kan dus, niet zeggen: na zooveel maanden, na een jaar of zoo, maar enkel dat na twee jaar in den regel, ook wel veel vroeger, soms verbazend vroeg, blijkt te bestaan wat hierboven werd bedoeld.

Zoodra een kind hoe jong ook afkeer betoont van, of neiging tot iets waarmee het in aanraking komt op een of andere wijs, en dit niet louter uit lichamelijke oorzaken is te verklaren, werkt zijn verstand. Zoodra het dus afkeer of toeneiging toont, bij bloot zien^ werkt zijn herinnering. Bij elk zeer jong kind kan men dit opmerken, gelijk nog veel meer, dat we nu niet opnoemen.

Met zondigen begint een kind, helaas, al zeer vroeg. Wanneer? Dat kan onze vriend toch in zijn Bijbel lezen. David zei reeds: Ik ben in ongerechtigheid geboren, 't Met wetenschap zondigen staat weer in verband met het pas besprokene.

Men moet zich echter vooral wachten, bij zulke dingen een dag te bepalen of zelfs een week of maand. Bilderdijk zegt, dat hij al ver^ zen maakte op moeders schoot. Maar ten eerste s wil Bilderdijk wel eens overdrijven, ten tweede zal een ziekelijk kind als hij misschien lang op moeders schoot hebben gezeten, en ten derde zijn die verzen zeker zijn mooiste niet geweest? Althans een, dat hij als jongen van zes, zeven jaar maakte en dat nog bekend is, is niets dan een rijmpje.

n Verstand, geheugen en al dergelijke gaven ontwikkelen en toonen zich bij den een veel spoediger dan bij den ander. Dit blijkt ook later telkens weer. — 't Is wel een bewijs daarvoor, dat de zonde in heel ons wezen is doorgedrongen, dat die eerste blijken van verstand bij kleine kinderen, dikwijls juist bestaan in bewijzen hunner zondige natuur.

We hopen dat het den vrienden nu eenigszins duidelijk is, die zullen inzien dat het moeilijk ging hier nog meer te zeggen.

Een andere vraag luidt: Hoe kon men bij avond in de steden van het Joodsche land den weg vinden, daar er toch geen straatlantaarns waren, en de huizen immers ook geen ramen hadden aan de straat ?

't Antwoord is eenvoudig. Men ging zonder hooge noodzaak in den donker niet uit, wijl dan op straat de «buitenste duisternis" heerschte. Wie toch ging deed het voor de veiligheid in gezelschap, en men droeg dan brandende fakkels of ook lantarens, die de Schrift lampen noemt. ïEen lamp voor den voet" is een lantaarn die het pad verlicht. Eigenlijk was de toestand al evenzoo als in de middeleeuwen in onze steden, waar zelfs tegen donker de tboevenklok" luidde, ten teeken dat nu 'tgeboeft op straat kwam en ieder die wat te verliejen had dus er af moest. Op t sommige dorpen in ons land is het wat de verlichting betreft nog altijd net zoo droevig gesteld als in het Oosten, waar men echter veel meer maan en sterrenlicht had.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken