Bekijk het origineel

Gereformeerde Ethiek.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gereformeerde Ethiek.

8 minuten leestijd

Amsterdam, 5 Nov. 1897.

De Ethiek in de Gereformeerde Thee logie, is de titel van een oratie door Prof. Dr. W. Geesink op 20 Oct. j.l. aan de Vrije Universiteit gehouden, en thans bij den uitgever Kirchner in het licht gezonden.

Elk kenner ea minnaar van de Gereformeerde Theologie zal met deze oratie bijzonder in zijn schik zijn.

Niet als oratie, want van het ten toon spreiden van zijn oratorische gaven heeft deze hoogleeraar hier blijkbaar ganschelijk afgezien, en zelfs beantwoordt de evenredigheid der deelen in dit stuk nu juist niet aan den oratischea maatstaf.

Maar hoog waardeeren zal men deze oratie om haar inhoud, om wat ze ons geeft, om het spoor dat ze| ons opleidt.

Er is metterdaad door deze oratie op Ethiitch gebied positie genomen, en wel positie genomen op een wijze, die aan de hooge eischen én van de zuiverheid onzer belijdenis én van de degelijkheid onzer wetenschap ten volle beantwoordt.

Het is zeer z; eker nog niet de Ethiek zelve, en in zooverre biedt deze studie ons nog volstrekt niet wat we op Encyclopaedisch en Dogmatisch terrein nu reeds bezitten.

De Ethiek zelve moet Prof. Geesink nog schrijven.

Maar wat hij ons alvast biedt is dan toch het schema, en in dat schema de profetie van wat we in zijn Ethiek van hem te wachten hebben.

In deze oratie ligt bijna volledig het plan voor u, het bestek, waarnaar de Ethiek door hem zal worden opgetrokken.

Vak voor vak moet het, dien weg op.

Bij Encyclopadie én Dogmatiek kan men niet staan blijven. Eisch van de wederopleving der Gereformeerde Theologie is, dat achtereenvolgens alle onderdeelen der Theologie diep ingedacht, helder doorzien, en naar vast bestek uiteengezet worden.

Wordt aan de nu opkomende school tijd van leven gegund, dan zal men ook zien, hoe achtereenvolgens alle deze onderdeelen der Theologie aan de orde van behandeling komen. Doch dit is dan alleen op degelijke en afdoende wijze denkbaar, zoo het aan een man vau kunde en studie gegund wordt, zich een reeks vaa jaren in zulk een vak en zijn onderdeelen in te leven, er geheel de oude en nieuwe literatuur van door te pluizen, alle problemen er van door te denken, van het bijzondere tot het algemeene op te klimmen, en zoo ten slotte het spoor te vinden, waarlangs we ons hebben voort te bewegen.

Dat spoor nu ligt voor wat de Ethiek betreft in deze oratie metterdaad geteekend.

Eerst is met de uiterste zorgvuldigheid nagegaan, wat in vroeger eeuwen de studie der Ethiek onder ons was; welke verschillende lijnen in die studie opdoemen; welke verschillende elementen er in worstelen; dan waar ze haar zuiverste uiting verkreeg; en ten gevolge van welke afdolingen tenslotte de stroom verzandde.

Daarna is aangetoond hoe de studie buiten de Gereformeerde Theologie zich steeds meer verlokken liet op outheologische paden, maar toch onderwijl verrijkingen aanbracht, die blijvende winste bieden.

En ten slotte is in deze oratie ten opzichte van de alles beheerschende vraagstukken positie genomen; met een moed die waardeering verdient, tegen de heerschende valsche Ethiek partij gekozen; en uitgestippeld langs wat lijn de nieuwe beoefening der Gereformeerde Ethiek zich zal te bewegen hebben.

Het slot geeft ons dan nog de vrucht voor wetenschap en leven aan, die een betere beoefening der Ethiek ons belooft.

Hierdoor is alzoo drieërlei verkregen: i', dat we thans een korte historie der Gereformeerde Ethiek bezitten, gelijk die dusver nog nimmer geschreven was; 2". dat onze critiek op de »landlanfliche" Ethiek thans principieel vaststaat; en 3". dat het spoor getrokken is, waarop een nieuwe ontwikkeling der Gereformeerde Ethiek zal te leiden zijn.

Laat ons er bijvoegen, dat op elk dezer drie punten werk is geleverd, dat op de hartelijke instemming van alle kenners der Gereformeerde Theologie rekenen mag.

In het eerste deel vestigen we met name de aandacht op wat Prof. Geesink over Voetius zegt. Van hem toch heeft Prof. Geesink, we mogen zeggen, ontdekt, dat hij ook op Ethisch gebied onze beste theoloog en onze uitnemendste denker was.

Het breede stuk dat hiervan handelt besluit hij aldus;

Zoo heeft dan Voetius voor de beoefening der ethiek in de Gereformeerde Theologie zich verdienstelijk gemaakt. Hij heeft haar een blijvende plaats in het academisch onderwijs verzekerd. Haar grenzen bepaald tegenover de dogmatiek. Haar eigenlijk object aangewezen. Haar lijnen met vaste hand getrokken en, hoewel hij geen afgerond systeem heeft nagelaten, toch vele deelen zoo afgewerkt, dat zij slethts in den bouw van een systeem van ethiek behoeven te worden ingevoegd.

Voetius, zij het ook onder den invloed der Puriteinen, heeft de Gereformeerde Theologie met zijn Theologia practica weer gewezen ook op haar roeping voor de facienda en voor de reformatie des levens. En deze reformatie des levens was, naar Calvinistische beginselen, geen nieuwigheid en geen overdrijving.

De zedelijkheid waarop Voetius aandringt is dezelfde welke ook Calvijn met de kracht van een profeet onder oud-Israël te Geneve predikte. Een zedelijkheid gegrond in de belijdenis van Gods souvereiniteit en juist daarom in alles zoekend het recht Gods. Dat recht Gods geelt aan de zedewet dan ook haar juiste plaats èn in haar verhouding tot God èn in haar verhouding tot den mensch. Zij staat onder God en boven den menschen. Voetius heeft dit in een afzonderlijke verhandeling voor de Gereformeerde ethiek zoo belangrijk, dan ook niet nagelaten aan te wijzen. Het zij vergund hier in het kort zijn gedachten weer te geven. Hij onderscheidt tusschen recht en wet en bij het recht tusschen het Goddelijke en het menschelijke. Het Goddelijk recht is óf intra óf extra Deum. Het eerste valt saam met Gods natuur en is niet anders dan de deugd Zijner volkomen heiligheid waarmee Hij zich zelf liefheeft. Het tweede, het ius divinum stricte, is het recht in de onderlinge verhouding van God en mensch. Dit Goddelijk recht over zijn schepsel is zijn macht, zijn heerschappij, zijn majesteit, en in dit recht is alle wetgeving Gods aan zijn schepsel gegrond. De lex divina wortelt dus in het ius divinum. Hieruit volgt, dat de zedewet als zoodanig nooit boven God kan staan. > Itaque lex divina qua talis_non potest dici vim habere obligandi Deum, ius vero contra." God, zegt hij eenige bladzijden verder, heeft geen norm boven of buiten zich die Hem determineert. Deus est sibi lex, of zooals wij in de taal onzer eeuw zouden zeggen : God is autonoom. En toch is God gebonden aan Zijn wet, doch niet door die zedewet qua talis, maar door Zijn recht, dat is: doordat God God is en zich zelf liefheeft, zich zelf niet kan verloochenen, zijn eere aan geen ander kan geven. De wet, welke het recht tusschen God en mensch voorschrijft, vloeit deels uit Gods natuur, deels uit zijn vrijen wil, qua Deus libere ita voluit. Deze onderscheiding in het ius divinum stricte geeft dan weer aanleiding tot die van natuurlijk en positief recht, en zoo zijn er dan ook in de wet Gods tweeërlei geboden, natuurlijke en positieve.

Meer mogen we niet afschrijven.

Het geheele historisch overzicht besluit de schrijver zoo:

En zoo hebben wij dan de ethiek bezien gelijk ^ij in de Gereformeerde Theologie eertijds is beoefend.

In dat e e r t ij d s beschouwden wij de ethiek achtereenvolgens in drie perioden, en wel van ontstaan, ontwikkeling en ondergang. Bij dat ontstaan letten wij op de elementen waaruit zij opkwam ea de confessioneele tegenstellingen, die in deze elementen reeds aanwezig, zoowel dat ontstaan zelf als de verdere ontwikkeling der ethiek in de Gereformeerde Theologie zouden bepalen. Viel dat ontstaan nog vóór het einde der i6e eeuw, in de 17e eeuw sloegen wij daarna haar ontwikkeling gade. Voortgezet in Zwitserland en Duitschland, zagen wij die ontwikkeling in ons vaderland, al was het niet zonder invloed der Engelsche Puriteinen, door den arbeid van onzen Voetius tot een hoogtepunt gevoerd, maar ook door het Coccejadisme gestoord. En eindelijk stonden wij stil bij den langzamen ondergang der ethiek in de Gereformeerde Theologie in de i8e eeuw. Een ondergang èn door het Coccejanisme èn door. wat Schweizer noemt »das aUraahlige Zurücktreten der orthodoxen Centraldogmen" en ten slotte door het W o 1 f f i a n i s m e, veroorzaakt.

Niets deden we liever, dan ook uit de beide andere deelen eenig breed citaat aan onze lezers voorleggen, met name wat Prof. Geesink van de tegenstelling tusschen de organische en mechanische opvatting zegt.

Doch hieruit is geen stuk te nemen. Dit alles moet in zijn verband gelezen worden.

Laat ons daarom volstaan met de lezing en herlezing van deze oratie aan onze theologen en denkende gemeenteleden aan te bevelen.

Ook met deze oratie deden we weer een belangrijken stap vooruit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Gereformeerde Ethiek.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken