Bekijk het origineel

„Vrouwen die de Godvruchtigheid belijden.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Vrouwen die de Godvruchtigheid belijden.”

10 minuten leestijd

Maar (hetwellc de vrouwen betaamt die de Godvruchtigheid belijden) door goede werken. I Tim.:2 : lo.

In kringen, waar manner! en vrouwen'saim de ^«-godvruchtigheid belijden, heeft de vrouvr volkomen gelijk, dat ze zich van den man ontslaat, en alsnu eerst als gelijke tegenover hem, en straks als de meerdtre boven hem wil staan.

Als de man zich van God emancipeert, emancipeert de vrouw zich van hem.

Waarom zou ze ook zijn meerderheid erkennen f Waarom in het huwelijk zijn gezageeren? Wat ter wereld zou haar bewegen kunnen, voor den man te wijken, in stee dat hij wijken zou voor haar?

Als het op brutaal geweld, op den sterken arm, op vechten van man tegen vrouw aankomt, ja, dan legt zft het af. Maar zelfs m dat ooïicht worden de kansen der vrouw dagelijks béter immers steeds minder beteekent de phrskke sterkte, steeds meer de technische vd-Lmenheid van het wapen en de «l^heia waarmee het wordt gehanteerd. En als het ten ïotte eens^ankal'op technische handigheid en slimheid zal aankomen, waarom zou de vrouw daarin bij den man achterstaan ?

Gaat het op een worsteling bij de stembus dan zaï de vrouw het eveneens > "nnen, want het aantal vïOüWen, dat op aarde leeft, gaat dat der mannen te boven.

En bovendien, niVt zei-Sa, ^"i.Sis^'n^sxi ge ZICH icgcuv/'w.. - ---vrouw niet vaak als slaven onder het juk?

Wat «nr7aak wat beweegreden er T Isrin^^i' ; ^a« men de be-godvruchtigheid be^ j

lijdt, voor de vrouw dan denkbaar wezen of •bestaan kunnen, waarom zij willig en eigener beweging met de iweetie plaats vrede zou nemen?

Wordt ze ten slotte overwonnen, goed, dan zal ze het lot ondergaan van eiken verslagene, maar de worsteling kan ze althans wagen. En de mogelijkheid is volstrekt niet uitgesloten, dat de man ten slotte overwonnen wordt door haar.

Want zegt ge, dat de natuur der vrouw er tegen opkomt, dat in de vrouw het passieve heerscht, gelijk in den man de activiteit, dan ïvergeet ge, dat in on-godvruchtige kringen 'de natuur almeer de vrucht van evolutie heet.

Ten gevolge van wet en usantie, ja, is de natuur der vrouw thans zoo geworden. Maar niets belet, dat onder andere wet en usantie de natuur der vrouw een geheelen ommekeer ondergaat, en boven der mannen natuur uitstijgt.

Als de kring ^«-godvruchtigheid belijdt, wie staat er dan boven man en vrouw, om aan elk zijn plaats aan te wijzen?

Dan hebben, dan erkennen ze geen van beiden een God boven zich, dan heeft de een precies zooveel zeggenschap als de ander, dan kunnen ze zelven hun natuurlijke verhouding regelen gelijk ze willen, en ook valt bij die regeling natuurlijk de opperheerschappij aan hem of haar ten deel, die feitelijk in de worsteling het sterkst blijkt en overwint.

Maar zoo is het in kringen, waar men »de Godvruchtigheid belijdt", niet. En zoo kan het in die kringen niet zijn.

Let toch op de apostolische uitdrukking: > de Godvruchtigheid belijden".

»Belijden" is voor iets uitkomen, desnoods ten koste van lijden. Ge kunt niet belijden^ of ge moet van iets overtuigd zijn. Datgeen waarvan ge overtuigd zijt, moet u regel van leven wezen. En ge moet dit niet verbergen, of voor u houden, maar het toonen, openbaren, en er propaganda voor drijven in uw woord, in heel uw optreden, in al uw doen.

Nu ziet de Godvruchtigheid, gelijk de apostel die hier immers bedoelt, niet op graad van innerlijke vroomheid, maar op het verlaten van den dienst der wereld en der afgoden, om zich over te geven en toe te wijden aan den dienst van den God Israels, van Jehova, den God van Christus Jezus.

In uw kring wordt alzoo de Godvruchtigheid beleden, zoo gij er prijs op stelt gerekend te worden bij de geloovige aanhangers van Jezus; onderwijl de < 7«-godvruchtigheid beleden wordt in die andere kringen, waarin men er voor uitkomt, dat men met de overgeleverde Christelijke religie gebroken heeft.

De tegenstelling tusschen wat men thans »de fijnen" en de slieden der wereld" noemt, dekt nagenoeg volkomen dit onderscheid.

In die wereldsche kringen is men van God en zijn Woord geëmancipeerd, en erkent men dus niet^ dat over man en vrouw God heeft te zeggen, en dat die man en vrouw zich naar het zeggen van God te voegen hebben.

In onze kringen daarentegen houden we aan den dienst des Heeren vast. Wij erkennen en belijden dat God boven allen staat, over allen te zeggen, voor een ieder zijn stand te verordineeren heeft, en dat alzoo ook man en vrouw, in hun onderlinge verhouding, zoo hebben te verkeeren, als de ordinantie Gods het bepaalt.

Nu is, naar luid van het apostolisch woord, de hier geldende ordinantie voor man en vrouw deze:

»Eene vrouw late zich leeren in stilheid, in alle onderdanigheid.

Doch ik laat der vrouw niet toe, dat zij leere, noch dat zij over den man heersche, maar wil dat zij in stilheid zij.

Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva.

En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.

Doch zij zal zalig worden in kinderen te baren, zoo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid."

Een ordinantie, die we nu niet nader ontleden, waar we ook niets aan toevoegen.

Immers niet op de uitwerking der bijzonderheden komt het hier aan. Het is ons genoeg, dat die van God door zijn apostel gegeven ordinantie ontwijfelbaar de gelijkstelling tusschen man en vrouw tegenspreekt, en aan de vrouw een positie aanwijst, die heerschappij uitsluit.

Met deze ordinantie nu maken de vrouwen ïdie de Godvruchtigheid belijden" gemeenlijk geen ernst.

De emancipatiezncht der wereldsche vrouw heeft ook haar hart verleid. Nog wel niet om zich feitelijk te emancipeeren, maar toch reeds genoeg, om ook haar telkens en telkens weer tot zekere spotternij met deze van God gestelde ordinantie te verleiden.

Nauwlijks kan die ordinantie Gods in het gesprek aan de orde komen, of er plooit zich een ongeloovige lach om haar lippen, en er komt iets uitdagends in haar woord.

Dat dit niet bij alle vrouwen zoo is, dient erkend. Er zijn Christenvrouwen, die al zulke spotternij zelfs verfoeien. Maar de meesten staan zwak op dit punt.

Hoe ze ten deze staan, kunt ge terstond hieraan merken, of ze die ordinantie Gods lieihebben, of wel dragen als een last, die ze zich liefst van de schouders schoven.

De vrouw die goed staat, moet ook van deze ordinantie zeggen kunnen: jo. God, hoe lief heb ik uw wet. Indien uwe ordinantie niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan."

Niet de man moet haar die ordinantie. hebben te leeren. Zij zelve moet die ordinantie in haar hart dragen. Ze moet er voor pleiten. Ze moet er voor ijveren. Ze moet beseffen, dat juist in die ordinantie Gods haar sterkte en de waarborg voor haar geluk ligt.

Ze staat verkeerd, als ze denkt: iHadGoddie l^rdinantie maar nooit gegeven."

En goed staat ze alleen, zoo ze er nog sterker dan de man tegen opkomt, dat men in wet of levensusantie iets op die ordinantie van haar God afdinge.

Wil dit nu zeggen, dat de vrouw daarom zon. der protest te berusten heeft in al wat wet en usantie in onze maatschappij op dit stuk heeft • ingevoerd ?

Geenszins.

Niet die maatschappelijke wet, maar haar God staat boven haar, en te buigen heeft ze alleen voor wat God verordineerd heeft.

Juist dus die ordinantie Gods moet haar wapen zijn, om al wat de man zich in strijd met die ordinantie over haar aanmatigt, te weerstaan, én tegenover den man in het gemeen, én als ze gehuwd is, ook tegenover haar eigen man, om 's Heeren wil de ordinantie Gods te verdedigen.

Ook zij ontving van Godswege rechten, rechten die ze niet in den steek mag laten, maar die ze, omdat het Goddelijke rechten zijn, te beplei-! s v ten, en desnoods ten prijs van druk en lijden, te handhaven heeft.

Ze moet tde Godvruchtigheid belijden". En die Godvruchtigheid eischt op dit stuk, dat ze zelve met den lust harer ziele de ordinantie Gods aanvaarde, maar ook dat ze aan al wat in strijd met die ordinantie haar wordt opgedrongen, weerstand biede.

En alzoo heeft de vrouw idie de Godvruchtigheid belijdt" tweeërlei te doen. Ten eerste tegenover haar eigen zondige neiging en tegenover de thans heerschende emancipatiezucht der vrouw, zelve »de ordinantie Gods over de vrouw" hoog te houden. Maar ook anderzijds om naar die ordinantie Gods critiek te oefenen op wat de man van de vrouw maken wil.

God, niet de man, staat boven de vrouw, en in niets heeft de vrouw voor den man te zwichten, dan in zoover God dit voor haar besteld heeft.

Het menschelijk leven heeft twee zijden. De ééne een wereld die naar buiten, de ander een wereld die naar binnen is gekeerd, en beide zijn even interessant, beide zijn even gewichtig, en omdat in beide Gods grootheid moet verheerlijkt worden, zijn ze beide van eeuwige beteekenis.

De vrucht van beide zal eens ingedragen worden in het Koninkrijk Gods.

Nu is man en vrouw saam aangelegd op die naar buiten en naar binnen gekeerde wereld van ons menschelijk leven, maar het is niet aan hun eigen keus overgelaten, wie in de ééne en wie in de andere het priesterschap voor God zou bedienen.

God die beiden schiep heeft daarop orde gesteld, en zoo door de natuur die Hij ons inschiep, als door het Woord dat Hij ons gaf, die uitwendige wereld aan den man, en die inwendige "^t reld aan de vrouw toegewezen, en beiden op hun eigen arbeidsveld aangelegd.

Voegt zich nu de man en voegt zich de vrouw hiernaar, dan loopt alles wel, en zal het eind voor beiden schoon zijn.

Maar gaan ze ruilen, zegt de man: »Laatmij in die inwendige mystieke wereld ingaan", of ook zegt de vrouw: »Laat ik in de uitwendige wereld huishouden"; ofeindelijk zeggen ze saam: »Laat ons saam in alle twee inschuiven", dan is er revolutie, dan is er opstand tegen de ordinantie Gods, en dan wreekt zich dit kwaad in algemeene verwarring.

Voor de vrouwen »die de Godvruchtigheid belijden" komt er dus alles op aan, of ze in de wereld die God haar toewees behagen kunnen krijgen; oi ze de valsche inbeelding kunnen laten varen, alsof wat God aan den man toewees begeerlijker ware; en of ze tot het inzicht komen, dat de haar toegewezen wereld even interessant, even gewichtig, voor God even heilig is, en dat zij, met haar natuur en haar aanleg, tien kansen hebben om in die inwendige wereld als een ster voor God te flonkerentegen één om met valschen schijn te flikkeren in de wereld der uitwendigheid.

Wat er bij de vrouw uit moet, is de valsche voorstelling, alsof de haar toevertrouwde wereld lager stond.

Het is als met den adelaar en den leeuw.

De adelaar heeft de lucht van God als wereld ontvangen, en is daarom bekleed met machtige vlerken. De leeuw ziet zich den bodem der aarde toegewezen, en is daarom voorzien van zijn ssterke pooten" zooals de Schrift het noemt.

Is nu daarom het leven van den adelaar minder interessant dan dat van den leeuw?

En ook, als dan de adelaar den leeuw wil gaan nadoen, en als de leeuw loopen, in stee van op zijn vlerken drijven wil, breekt hij dan niet zelf zijn kracht?

Welnu, zoo is het ook hier.

De wereld van de vrouw is een andere wereld dan die van den man, maar beide zijn voor God even gewichtig.

En wil dus de vrouw in haar kracht uit komen, dan moet ze juist niet den man willen nadoen, maar aan den man »de sterke beenen" laten, en zelve zalig drijven op de vleugelen van het mystieke leven, dat naar binnen gekeerd en meer verborgen, maar juist in die verborgenheid zoo warm, zoo rijk en zoo schoon is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

„Vrouwen die de Godvruchtigheid belijden.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken