Bekijk het origineel

De Martelaren.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Martelaren.

6 minuten leestijd

ccxxxix.

JUAN DE LION.

In de dagen der Hervorming lag in de nabijheid van Sevilla een klooster, dat van den heiligen Isidorus genoemd. Aan dit klooster klopte op zekeren dag Juan de Lion, een kunstenaar (volgens anderen een kleermaker) aan, met de bede om opname in den kring der monniken. Hij kwam uit Mexico (Amerika), waar hij een tijdlang zijn kunst had uitgeoefend. De in Spanje algemeen heerschende meening, dat het kloosterleven Gode aangenamer was dan het blijven in de wereld, bewoog ook hem, bij zijn terugkeer in zijn vaderland, de gelofte van monnik af te leggen. Weinig vermoedde hij echter, dat hij in die voor hem zoo heilige plaats heel wat anders vinden zou dan de weikheiligheid van den monnik. Immers, even voordat Juan het klooster van San Isidor binnenging, had de Heere daar zijn woord gebracht en het hart van menigen monnik daarvoor geopend, zoodat toen onze martelaar daar eenige jaren vertoefd had, hij had leeren verstaan, dat de hemel niet verkregen wordt door de goede werken van Rome, maar door de genade van Jezus Christus, En hiermee viel bij hem weg de lust om in het klooster te blijven. Hij verliet dus het klooster onder het voorwendsel, dat zijne gezondheid slecht was.

Doch toen hij eenigen tijd buiten het klooster had vertoefd kwam de trek hierna weer bij hem terug, echter niet om er de oude kloosterregelen te volgen, maar om er de onderrichtingen te ontvangen Van die vaders, welke de waar­ heid naar Gods Woord toegedaan waren. Hij keerde dus naar San Isidor's klooster terug, maar vond er niet wat hij zocht. De reformatorisch gezinde monniken hadden hun woonplaats verlaten en waren naar Duitschland gevlucht. Spoedig wist onze Juan ook het klooster te ontloopen. Hij begaf zich naar Duitschland en trachtte er het voetspoor zijner vroegere leermeesters te vinden.

Dit gelukte hem te Frankfort. Van daar begaf hij zich toen met hen naar Geneve, waar hij bleef en zich voegde bij de Spaansch-Gereformeerde kerk. Nadat hij daar eenigen tijd gewoond had, vernam hij, dat in Engeland door den dood van Maria de bloedige vervolging der geloovigen opgehouden had, en hare zuster Elisabeth, zelve Protestantsche, er de kerken der reformatie weer een veilige plaats had ingeruimd. Toen rees de gedachte bij Juan en zijne vrienden op, of zij niet liever naar Engeland zouden gaan met de Engelsche ballingen, die huiswaarts keerden.

De gedachte werd werkelijkheid en in kleine groepjes begaven de Spaansche vluchtelingen zich langs verschillende wegen naar Engeland, Dit was echter niet gemakkelijk, want het Spaansche hof had, in overleg met de In-• quisitie, die verstoord was over de vlucht der monniken van San Isidor, op den weg van Milaan naar Geneve in Frankrijk, in Keulen, in Antwerpen en elders spionnen geplaatst, die de voortvluchtige Spanjaarden moesten beloeren, Juan de Lion vernam dit en nam een weg, die hem naar geen der genoemde plaatsen bracht, maar naar Straatsburg, Daar werd hij en zijn reisgenoot echter aan een der spionnen verraden. En deze, begeerig naar het loon, den verrader der geloovigen toegezegd, volgde den martelaar waar hij ging. Juan bereikte een van deZeeuwsche havens (sommigen noemen Vlissingen), waar hij zich zou inschepen naar Engeland. Doch eer hij dit kon doen nam de .spion, die zich een bevel van arrest had aan­ geschaft, hem gevangen. Zoodra de vluchteling de gerechtsdienaars zag, wendde hij zich tot zijnen reisgenoot en zeide: »Laat ons gaan, God zal met ons zijn, " Nadat hij naar de naast bijgelegen stad gebracht was, werd hij wreed gepijnigd, om hem te dwingen tot het verraden zijner medevluchtelingen.

Daarop werd Juan en zijn medgezel naar Spanje gezonden. Gedurende de zeereis waren beide gevangenen niet alleen zwaar geboeid alsof zij groote misdadigers waren, maar ook droeg ieder hunner nog een cabesse of ijzeren helm, die hoofd en gezicht geheel bedekte en waaraan een stuk van hetzelfde metaal was verbonden, dat den vorm van een tong had en in den mond gesloten werd om het spreken te beletten. Bij hunne aankomst in Spanje werden beide gevangenen naar de gevangenis gebracht, Juan naar Sevilla en zijn reisgenoot, door sommigen Juan Hernandez, door anderen Juan Sanchez genaamd, naar Valladolid. De eerstgenoemde bleef vele dagen in zijn kerker, en werd, op de gruwelijkste wijze gepijnigd. Dit lijden en het slechte voedsel dat hij kreeg, brachten hem eene tering aan, zoodat toen hij op den dag van het auto-da-fé, waarbij hij sterven zou, hij er zoo vermagerd uitzag, dat ieder die hem zag, behalve de inquisiteurs, medelijden met hem kreeg.

Met den sanbenito der Spaansche martelaren gekleed, begaf Juan de Lion zich naar den paal, vergezeld door eenen monnik, die met hem in het klooster van San Isidor nooicius geweest was en hem aan vele dingen herinnerde, waarvoor hij zich schamen moest.

Nadat men het voorwerp dat zijn tong in bedwang hield uit 's martelaars mond genomen had hoopte men, dat Juan den Christus zou verloochenen. Maar het tegendeel geschiedde, tot groote ontzetting der vijanden, In weinige maar krachtige woorden sprak hij kalm zijne geloofsbelijdenis uit en stierf toen den marteldood in de vlammen.

Juan Sanchez onderging geen ander lot. Deze was ook indertijd om der vervolging voor de Protestanten wille gevlucht uit Valladolid naar de Nederlanden onder den naam van Juan de Bibar. Langen tijd bleet zijn schuilplaats den vijanden onbekend, doch toen die ontdekt was, werd hij vervolgd en eindlijk in gezelschap van Juan de Lion gevonden en gevangen genomen. In Spanje werd hij als onboetvaardige ketter aan de overheid uitgeleverd en door deze ter dood veroordeeld. Op de gerechtsplaats bevrijdde men zijn tong van het voorv/erp, dat hem belette te spreken.

Toen naderde hem een biechtvader. Daar hij echter van dezen niets weten wilde, werd de houtmijt aangestoken. Spoedig had het vuur de strikken, waarmee hij gebonden was, verteerd. Toen sloeg hij van den paal weg en sprong, niet wetende wat hij deed, op het stellaadje, waarop zij, die in hunne laatste oogenblikken hunne belijdeiiis herriepen, dit plachtten te doen. Terstond snelden de monniken op hem af en drongen op zijne heiroeping aan. Intusschen was Sanchez echter tot zijn volle bewustzijn gekomen en wierp hij den blik om zich. Daar zag hij aan den eenen zijde de boetelingen, aan den anderen kant echter den martelaar, die blijmoedig den dood te gemoet ging. Terstond wendde hij de oogen van de eersten af en begaf zich naar den schandpaal, waar hij om meer vuur vroeg. Vergramd over deze hardnekkigheid wedijverden de boogschutters en-scherprechters in het opstoken van het vuur des brandstapels. Zoo stierf Juan Sanchez in zijn 33e levensjaar, verlangend uitziende naar de erve der heiligen in de hemelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

De Martelaren.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken