Bekijk het origineel

VAN de geneene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

VAN de geneene Gratie.

18 minuten leestijd

DERDE REEKS.

XXVI.

Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde die in mij woont. Rom. 7 : 17.

Nu het onderzoek naar de beteekenis der gemeene gratie voor den Christus en zijn Middelaarswerk ten einde is gebracht, gaan we gelijksoortig onderzoek instellen ten opzichte van den Christen en diens toebrenging ten eeuwigen leven. Ook op dit punt is de belijdenis der gemeene gratie in de eeuw der Hervorming niet tot volledige uiteenzetting gekomen, en ook hier zal alzoo op feiten te wijzen zijn, die wel niemand betwist noch ontkent, maar die toch dusver in de dogmatiek zich niet de hun toekomende plaats zagen ingeruimd; en dat niettegenstaande ze voor de zelfkennis en de zelfbeschamiug van het kind van God uiterst belangrijk zijn. In de stichtelijke letterkunde, soms ook in het dicht, kwamen de zielsbevindingen ten deze tot uiting, maar noch in den Catechismus, noch in de handboeken voor leerstellige Godgeleerdheid, noch ook in de Catechistische toelichtingen en predikatiën werd genoegzaam met de gemeene gratie bij de toebrenging ten eeuwigen leven gerekend. In afzonderlijke leerstellige studiën kwam er een en ander aan het woord, maar zonder toch de zaak die het gold tot een zelfstandig afgerond geheel te vormen. Calvijnwas er in voorgegaan, om wel de gemeene gratie als feit te belijden, en in de grondtrekken van het gebouw haar plaats aan te wijzen, maar zonder haar verder uit te werken; en de tisstis de Calvin" hebben ook ten deze zijn voorbeeld gevolgd. Dat thans de nieuw ontwaakte Gereformeerde Theologie deze schade poogt in te halen, bedoelt intusschen in het minst niet een botvieren aan de zucht, om »de vaderen" op de vingers te tikken; of om uit overdreven schoonheidsgevoel een onevenredigheid in den gevel van het leerstellig gebouw, zoo goed zoo kwaad het lukt, bij te werken; maar is geboden door de droeve ervaring, die kerk en theologie ten gevolge van deze leemte hebben opgedaan.

Vergunne men ons dit laatste vooraf met een kort woord nader toe te lichten.

De ï gemeene gratie" raakt de verhouding van natuur en genade, of wil men, want dit komt ten slotte op hetzelfde neer, de verhouding tusschen kerk en wereld, tusschen de Godgeleerdheid en de wereldsche weienschap, tusschen onzen ouden en onzen nieuwen mensch, of ook, als we het zoo mogen uitdrukken, tusschen ons ik in Christus, en ons ik in onszelven. Er is een oud en er is een nieuw leven, waarvan de tegenstelling nooit sterker aan het licht trad dan toen Paulus schreef: »Wat ik (zondigs) doe, dat doe niet ik, maar de zonde die in mij woont." Dat tweeërlei leven, dat zoo schoon in onze Geloofsbelijdenis, Art. 35, geteekend werd, is scherp onderscheiden, en nochtans verwant. Iets waarvan het gevolg steeds was en nog is, dat de ééne maal het geestelijk leven zóó sterk als nieuw uitkomt, dat het al den indruk maakt, alsof het buiten alle verband met het natuurlijke stond, en door principieel nieuwe schepping ontstaan ware, en dus als een tweede zelfstandig iets naast het natuurlijke liep. De behoefte om zich zoo uit te spreken was zelfs zóó sterk, dat de heilige apostelen in het minst niet aarzelen van een «nieuwen mensch", van een smaaksel Gods, als in Christus »geschapen" te spreken, daarbij uitgaande van de door Christus zelven aangegeven gedachte, dat we feitelijk bij dit nieuwe leven te doen hebben met een tweede ^1? boorte. Zoo opgevat schijnt] het dus alsof alle gemeenschap met wat voorafging, ware af te snijden, en alsof dientengevolge ook alle gemeenschap met het nog nawerkend natuurlijk leven voor dit nieuwe leven, ware te ontkennen.

Hiertegenover echter [staat een geheel andere beschouwing, met gelijke rechten. Want wel is het zoo, dat Jezus dit nieuwe leven uit een twttAt geboorte doet opkomen; maar zonder de opmerking van Nicodemus te ontkennen, dat de eigen mensch van de eerste »geboorte" als ware het weer in zijn moeders lijf ingaat, en nu zelf ten tweeden male geboren wordt. Iets wat geestelijk genomen beduidt, dat het één zelfde leven is en blijft, maar een leven dat zijn geboorte overdoet. In de breede openbaring over de opstanding komt dezelfde gedachte uit. Wat er is sterft, maar sterft, niet om vernietigd, en door iets nieuws vervangen te worden, maar om, door den dood henen, tot een mensch van hooger leven te ontwaken. Alzoo wordt de eenheid tusschen de natuurlijke en de geestelijke geboorte toch weer streng vastgehouden. Er gaat niet eenerzijds een oude mensch weg, om een anderen nieuwen mensch in zijn plaats te doen treden, maar het is en blijft dezelfde mensch, die eerst oud is, daarna nieuw wordt, en alzoo in zijn nieuw leven het product blijkt te zijn, niet van een tweede schepping, die gelijk aan de eerste zou zijn, maar van herscheppmg. Zelfs blijft na die herschepping de oude mensch nog voortbestaan en nawerken, en het is juist uit dat voortbestaan en nawerken van het ik in zijn eerste gestalte, dat zoo tal van pijnlijke vraagstukken voor het leven van Gods Hnd, van de kerk en van de Christelijke maatschappij geboren worden. Ook in het stuk van het genadeverbond komt deze zelfde waarheid tot uitdrukking. Immers het genadeverbond bindt juist het nieuwe leven aan het genealogisch verloop van het natuurlijk leven, wel niet in volstrekten zin, maar zóó toch, dat het geestelijk verband tusschen Gods heiligen saamloopt met het geslachtsverband in het natuurlijke, naar de formule: »U en uwen zade, " of »u en uwen kinderen."

Hieruit is het duidelijk, dat de ééne zaak van het nieuwe leven, of van het leven der genade, van twee zeer verschillende zijden kan bezien worden. Men kan óf drang gevoelen om den nadruk te leggen op het nieuwe in dit leven, en dan dit nieuwe zoo sterk mogelijk doen uitkomen. Of wel er kan oorzaak zijn, om de aandacht saam te trekken op het ieit, dat dit nieuwe leven hetzelfde is als het oude leven, edoch tot in den wortel vernieuwd. Wie het eerste beoogt, zal zoo ver mogelijk den samenhang met het oude ik op den achtergrond dringen; en wie omgekeerd het tweede wil, zal dien samenhang zoo breed als het kan uitmeten. Hieruit nu ontstaat het gevaar, dat de eerste ten slotte voor dien samenhang van het nieuwe ik met het oude ik kortweg het oog geheel sluit; terwijl anderzijds de tweede er licht toe komt, om het oude ik zóó sterk te laten uitkomen, dat ten slotte dat oude ik voorkomt als de macht waardoor het nieuwe ik tot aanzijn kwam. Feitelijk heeft er dit dan ook toe geleid, dat op het Christelijke erf tweeërlei meenbg, tweeërlei inzicht, tweeërlei grondbeschouwing aldoor met elkander worstelde.

Eenerzijds toch kwam het streven op, dat in de dagen der Reformatie zich in de Dooperschen vastzette, om het ontstaan van het nieuwe leven als een tweede formeele schepping te verstaan; het vleesch en bloed van den Christen op te vatten als uit den hemel in deze wereld ingeschapen; en in samenhang hiermee alle verband tusschen Gods kind en de wereld te verbreken, en den Christen geheel van de burgermaatschappij door een dusgenoemde > mijdinge" en het afwijzen van de overheidsambten uit te sluiten. Dit is het geestelijke dualisme. En anderzijds poogde zich daarentegen een richting te handhaven, die omstreeks denzelfden tijd het karakter van het Arminianisme aannam, en die aan het oude ik zooveel waarde toekende, dat ten leste het nieuwe leven geacht werd uit den wil van het oude ik te ontstaan; iets wat ten slotte op een vernietiging van Gods almachtige genade en op loochening van het volkomen verderf door de zonde moest uitloopen. Wie dit nu wel in het oog vat, zal terstond begrijpen, waarom onze vaderen in hun eerste worsteling, toen het tegen de Dooperschen ging, zeer beslist met hun belijdenis van de gemeene gratie uit den hoek kwamen, maar ook, hoe ze in hun tweeden strijd, nu niet met de Dooperschen, maar met de Arminianen, van de gemeene gratie zwegen, en al hun kracht saamtrokken op het handhaven van het karakter van het nieuwe leven als door God gewrocht zonder toedoen van het oude ik. En overmits nu die tweede strijd de laatste was, en achtereenvolgens in dezen tweeden strijd de dogmatische formules zijn uitgewerkt, laat het zich volkomen verklaren, hoe onze Gereformeerden, na eerst zoo moedig met hun belijdenis van de gemeene gratie opgetreden te zijn, nochtans in hun latere dogmatische uitwerking dit gewichtig leerstuk bijna glippen lieten.

Doch wat is nu daarna gebeurd? Toen eenmaal de Arminianerij, niet enkel door de geestelijke kracht der waarheid, maar met behulp der Overheid, officieel en kerkelijk was ter aarde geworpen, stak de Gereformeerde theologie het zwaard op, ze staakte den strijd, en meende het voortaan af te kunnen met eindelooze herhaling der aloude, eens tegen de Arminianen gebezigde bewijsvoering. Daartegenover nu sterkte zich de wereldgeest, om, wetende dat hij geestelijk op verre na niet tot in zijn laatste verschansingen was ontwapend, telkens weer, zij het ook in anderen vorm, den aiouden strijd met ons aan te binden. Zonder het zelf te vermoeden had de Gereformeerde Theologie zich bijna weer in den Dooperschen hoek van het dualisme laten dringen, en in de gemeente liep dit zelfs zoover, dat in Engeland het Calvinisme zich zoogoed als uitsluitend bij de Dooperschen of Baptisten staande hield, en dat hier te lande al wat met het Genadeverbond in verband stond, en alzoo op een samenhang met het natuurlijke leven wees, schier geheel in vergetelheid geraakte, om ja, den kinderdoop nog te laten staan, maar te midden van een geestelijke levensbeschouwing, waarbij welbezien alleen Bejaardedoop passen zou.Dit nu bracht teweeg, dat de Theologie aan onze hoogescholen óf weinig anders deed dan het oude herkouwen, óf wel kettersch afdoolde; terwijl uit de gemeente wel drang opkwam, om de gemeenschap met de wereld af te snijden, en zich in conventikelen terug te trekken, maar geenszins om in nieuwe, voortgezette en verder ontwikkelde Gereformeerde Theologie handhaving van het grondkarakter onzer oorspronkelijke reformatie te zoeken. In minder dan een halve eeuw heeft dit er toen in de gevolgen toe geleid, dat eenerzijds de Theologie aan onze hoogescholen geheel met de Gereformeerde belijdenis brak en brutaalweg naar de paden des ongeloofs oversloeg; en dat anderzijds in de gemeente al wat nog beslist stond, in het mystieke verliep, en alzoo feitelijk eveneens de Gereformeerde belijdenis, niet in naam, maar metterdaad loS' liet. Een droeve loop der dingen, die nog in de huidige gestalte onzer Gereformeerde kerken nawerkt; en waaraan alleen door breed opgevatte en tegelijk diepjingrijpende godgeleerde studie een einde kan worden gemaakt.

Inmiddels had na het inslapen der kerk en het bewusteloos inzinken der Gereformeerde Godgeleerdheid, de geest der wereld het terrein vrij gekregen, om op het breede erf der wetenschap en des maatschappelijken levens het oi^e ik tot vernieuwde heerschappij te brengen. Al spoedig werd dit oude ik dan ook weer ds gaaf erkend, en zelfs in zijn hooge voortreffelijkheid geprezen. Gevolg waarvan natuurlijk zijn moest en was, dat het bestaan zelfs van het nieuwe ik driestweg geloochend werd, ja, gebrandmerkt werd als het voortbrengsel van dweepzieke verbeelding, en dat tegen „de fijnen" als ingebeelde dwazen de strijd met spot en hoon, niet meer door ernstige discussie werd aangebonden. Er werd zelfs niet meer gezocht naar de juiste verhouding van de natuur en de genade. Alle genade werd driestweg ontkend ; de natuur was het één en al geworden ; en uit die natuur moest alles verklaard. En toen hier nu bij kwam, dat de onderzoekingen op natuurkundig gebied in nog geen eeuw een zoo dusver ongekende vlucht namen, en tot zoo verrassende resultaten leidden, was het geen wonder, dat ten leste niet alleen de genade maar zelfs al wat geestelijk was in het gedrang geraakte, en de dag nabij scheen waarop het materialisme voor altoos triomfeeren zou.

Natuurlijk ware het toen de roeping der kerk en der Theologie geweest, om tegenover dezen overmoed van het oude ik en van het natuurleven, het deugdelijk recht van het nieuwe ik en van het leven der genade zóó fier te verdedigen, dat ten slotte het juiste verband tusschen beide weer viel aan te wijzen. Maar hier dacht de kerk niet aan. Ze dacht er niet aan in haar officieelen vorm, want die was versteend. En ook dacht ze er niet aan in haar geestelijke kern, want in die geestelijke kern trok ze deels rechtstreeks af naar wat men later de nachtschool noemde, ot wel, ze zong het lied der onbedachtzamen in de geestelijke weelde van de mannen van den Réveil, die deels in philanthropic, deels in kinderlijke blijdschap de kracht meenden te bezitten, om dezen storm der geesten te bezweren.

Dientengevolge is toen de taak, om het geestelijke te redden en de verhouding tusschen geest en natuur op te sporen van de kerlc van Christus overgegaan op de Philosophie. Omdat de kerk haar plicht niet deed, heeft Philosophie toen de taak overgenomen. Naar de Theologie luisterde niemand meer, naar de Philosophie een ieder. Daardoor is het toen geschied, dat de ernstige en nadenkende Christenen, die het gewicht van deze geestelijke worsteling gevoelden, zich almeer van de Theologie hebben afgewend, en in den waan gingen leven dat de Philosophie ten slotte het Christendom redden moest. Schleiermacher was de man, die het eerst dezen smaad van de Theologie gevoelde, en alsnu een poging waagde, om de Theologie weer op het paard te helpen, edoch door geen andere methode, dan door haar feitelijk in Philosophie om te zetten. Wat hij als Theologie aandiende, was feitelijk een philosophische gestalte in het theologische kleed. Zoo schiep Schleiermacher de school der dusgenaamde Vermittelungstheologen of bemiddelende godgeleerden, die ten onzent in de Ethische Theologen optraden; een school juist daardoor gekenmerkt, dat ze de hoofdvragen van de verhouding van natuur en genade door de Philosophie liet uitmaken, en dan daaraan een geheel gewijzigde Theologie vasthaakte. En daartegenover stonden dan de mannen der meer positieve richtingen deels als Methodisten, die enkel maar de practijk voor oogen hadden, en zich met de diepere vragen niet inlieten, deels als versteenende Gereformeerden, die wel de oude belijdenis met hand en tand vasthielden, maar zelf niet inzagen langs wat weg zij zich, van uit hun belijdenis, in deze meer machtige geestelijke worsteling mengen zouden.

Dit alles nu zóü geheel anders zijn geloopen, indien de Gereformeerde kerkende Gerereformeerde Theologie haar belijdenis van de gemeene gratie, en, wat daarmee rechtstreeks samenhing, van de Verbondsleer, naar alle richtingen had weten uit te werken en door te voeren. Zoo toch zou zij ten slotte tot een bevredigende oplossing gekomen zijn van het zoo ingewikkeld en moeilijk verband tusschen natuur en genade, wereld en kerk, en alleszins in staat zijn geweest, aan de Philosophie de leiding bij het nu opkomend geding te betwisten. Helaas, ze heeft dat niet gedaan. Ze heeft zich ingebeeld, dat de volkomen zegepraal reeds behaald was, toen ze te Dordt in 1618/9 aan den vrijen wil van den zondaar, d. i. aan het oude ik, het vermogen betwistte, om uit zich zelf ten goede te kiezen; en ze heeft de noodzakelijkheid niet ingezien, om den priccipieelen strijd die hierin school, ook tot op de algemeene fundamenten des levens door te zetten. Ze zocht steun bij de Overheid, en achtte zich achter het schild der Overheid veilig. Men ziet dan ook, hoe terstond na Dordt de veerkracht uit onze Theologie wegsterft. Voetius drong wel dieper door, maar werd niet begrepen. En zoo sliep onze Gereformeerde Theologie in, om eerst na jaren van werkeloosheid en smaad eindelijk weer naar haar schoon verleden terug te grijpen, maar om dan nu ook de gerechte straf te moeten ondergaan, dat ze aanvankelijk met wantrouwen begroet werd. Zelfs mag ze het als een bijzondere gunste Gods beschouwen, dat dit wantrouwen een zoo weinig fel karakter aannam, en reeds zoo

spoedig voor meerdere sympathie plaats maakte. Een onverwachte voorspoed, die ten onrechte te weinig teeder gewaardeerd werd oor menig predikant, die, optredende in ene gemeente die op dezen keer der dingen ganschelijk niet was voorbereid, achtte bestraffend en van uit de hoogte te kunnen spreken, waar alleen in het winnen der harten en het zoeken van den geleidelijken overgang kracht ware te vinden geweest ter overwinning.

Juist daarom echter is het leerstuk der sgemeene gratie, " voor het huidig tijdsgewricht van zoo overwegend belang. Tusschen het leven der natuur en het leven der genade gaapt een breede, diepe klove, die alleen door de gemeene gratie te overbruggen is. Verzuimt men nu die brug te leggen, dan kan het niet anders of de aloude eenzijdigheden moeten weerveldwinnen, waarbij men eenerzijds schier uitsluitend op de genade let, om voorts de natuur aan de wereld over te laten, en anderzijds zich derwijs in het leven der natuur vastzet, dat men de genade feitelijk verloochent. Men kan, of men wil of niet, men kan niet bij de quaestie van den vrijen wil staan blijven. De wil, vrij of on vrij, is slechts een vermogen in den mensch. Achter den wil ligt de mensch zelf, en die mensch zweeft niet in de lucht, maar is deel van het wereldgeheel, en zoo ligt achter den wil het vraagstuk van den mensch, en achter den mensch het vraagstuk van de wereld als geheel genomen. Reden waarom ge nooit tot op den bodem van dezen oceaan uw dieplood laat zinken, zoolang ge niet tot op de primordiale gronden van de verhouding van de wereld tot Godzijt doorgedrongen. En die verhouding nu, niet van een denkbare, maar van de feitelijk bestaande wereld tot God, wordt geheel beheerscht door het vraagstuk van de gemeene gratie. Immers in die feitelijk bestaande wereld is de zonde. Op die wereld werken de gevolgen van de zonde. En alles resumeert zich dus ten slotte in de vraag, hoe een wereld, die zondig is, van Godswege nog zoo veelszins begenadigd kan zijn, zonder zijn souvereine heiligheid in het geding te brengen. En juist op die alles beheerschende vraag is geen antwoord te vinden dan in de hQXiie-^viisA& x gemeene grati

Heel de strijd gaat ook nu weer tusschen het natuurlijke, en tusschen dat hoogere, daf uit de natuur niet kan verklaard worden, en zich nochtans te midden van het leven der natuur openbaart. Het is het ééne zelfde raadsel, als ge Jezus te midden der menschheid, de kerk in de wereld, het geloof te midden van het menschelijk overleg en beleid, het wonder 'm. den loop der gebeurtenissen, of ^i? genade in het onheilig hart ziet optreden; en altoos weer komt het bij elk dezer tegenstellingen op de verhouding aan, waarin beide tegenover elkander staan; en alle deze verhoudingen moeten eenzelfden grondslag bezitten, eenzelfde uitgangspunt hebben, onder eenzelfden regel vallen. Op zichzelf bestaat deze tegenstelling reeds tusschen God en de wereld, tusschen dit aardsche aanzijn en het eeuwige, tusschen hemel en aarde, tusschen wat geestelijk onzichtbaar en wat waarneembaar is voor onze zinnen. Maar die op zichzelf reeds bestaande tegenstelling wordt nu nog verscherpt en versterkt, doordat de zonde beide reeksen nog verder uiteendrijft, en de genade, die tegen de zonde inkomt, het geestelijke tot nóg hoogere uitdrukking brengt. Wedergeboorte is meer dan geboorte, opstanding is meer dan leven, de volharding der heiligen meer dan de staat der rechtheid in het paradijs. Waar alzoo eenerzijds de wereld, het natuurlijke, het zienlijke door de zonde dieper wegzinkt, neemt anderzijds de genade een hooger standpunt in dan de oorspronkelijk geestelijke schepping.

Van twee kanten is alzoo de klove breeder geworden. De wereld is door de zonde verzwakt en de geestelijke macht is door de genade tot hooger stand opgeklommen. Die nog dieper klove dreigt daarom alle eenheid, alle verband, allen saamhang te verbreken, zoodat ten slotte de wedergeborene niets meer met de wereld te doen wil hebben, en de wereld alle hooger leven gaat ontkennen; de theologie de wetenschap in den ban slaat, en de wetenschap aan de theologie alle recht van meespreken betwist; en evenzoo de kerk doet of er geen wereld is en de wereld met het bestaan der kerk niet meer rekent. Aan de ééne zijde lichtschuwe mystiek, en aan de andere zijde uitdagend ongeloof. Hier de kerk, als een geestelijk lichaam, dat ijl vervluchtigt en elke belichaming mist, en daartegenover een ontzielde wereld, die van geen hemel boven zich meer afweet. Moet dit nu tegengegaan en is het onze roeping de juiste verhouding tusschen natuur en genade, tusschen de kerk en de wereld, tusschen theologie en wetenschap, tusschen wedergeboorte en opvoeding, tusschen den ouden mensch en den nieuwen mensch weer voor het besef onzer eeuw te herstellen, dan baat geen formule meer, en is in geen vergelijk meer heil te vinden, maar dan moet de werkelijkheid, de zich van alle zijden aan ons opdringende werkelijkheid der bestaande natuur, zoo in als buiten den mensch, onder de oogen worden gezien; en dit nu juist kunt ge niet tenzij ge bij elk dezer tegenstellingen u rekenschap geeft van het bestaan en het hoe bestaan van de gemeene gratie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

VAN de geneene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken