Bekijk het origineel

„Ontdek mijne oogen.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Ontdek mijne oogen.”

10 minuten leestijd

Ontdek mijne oogen, dat ik aanschouwe de wonderen van uwe wet. Psalm 119 : 18.

WieFde'''vroomheid''mint, mint het van zijn God afhankelijk te zijn, en vindt in dat afhangen van zijn God zijn lust en zijn rust.

En toch sluipt in dien zin, om van zijn God af te hangen zoo licht een valsche trek in. Niets spaart de zonde. Ook niet het beste in ons. Zelfs niet onzen vroomheidszin voor God.

Zelfs is de zonde die in onze vroomheid sluipt, daarom het gevaarlijkst van alle, omdat het zoo pijnlijk en zoo moeilijk is, om aan zonde tot in onze vroomheid te gelooven.

Onze vroomheid is ons natuurlijk schild waarachter we schuilen, juist om voor de giftige pijlen der zonde veUig te zijn.

Die vrome neiging in Onze ziel wordt telkens door allerlei afleiding tot werkeloosheid gedoemd en overstemd. En als we dan, door onze consciëntie aangegrepen, weer tegen die afleiding worstelen gaan, wanen we reeds overwonnen te hebben, en ons van onze zonde weer tot onzen God bekeerd te hebben, .... indien maar weer het vroom gevoel in ons mag opwaken.

Dat gevoel van weer yr< 7««; , gestemd te zijn, maakt ons dan vrij; we treden de zonde weer aan onze voeten; en kunnen het ons daarom vaak niet anders voorstellen, of in die vromer verheffing onzer ziel zijn we vanzelf aan de macht der zonde ontkomen.

Het is wel niet zoo.

Want omdat ge ten leste weerstand boodtaan die ééne bepaalde zonde, waarvoor ge eerst bezweekt, en waartegen ge nu den strijd weer opnaamt, daarom zijt ge nog volstrekt niet uh de macht der zonde, nog niet aan de overmacht van uw zondige natuur, ontkomen. Maar toch de vrome verheffing der ziel beeldt zich dat in, waant reeds feitelijk over de zonde ^etriumfeerd te hebben, en kan het zich niet anders voorstellen, of nu maar weer de vrome opwelling terugkeerde, is de strik weer gebroken, en de ziel vrij.

Vandaar dat juist bij de vroomheid zoo weinig naar het licht van boven wordt gevraagd. Op wat wijs men vroom is, schijnt er niet toe te doen. Ah men maar vroom zich aanstelt, en zich vromeiijk aangedaan gevoelt in zijn getnoed, schijnt alles geoorloofd, wat die vroomheid in ons ingeeft.

Vroom is ook de heiden. Vroom de'Mahomedaan. Vroom de Jood, die den Messias verwerpt. Vroom de Moderne, die met Gods heilig Woord heeft gebroken. En vroom ook elk kind van God, op wat verdoolde paden der vroomheid het ook afweek.

En als ge die verdoolde vroomheid dan naar God en zijn Woord en; zijn Christus terugroept, dan vindt ge niet alleen geen geneigd oor, maar voelt de ingebeelde vroomheid zich door u gekwetst en door u beleedigd.

Juist omdat ge de vroomheid dezer afgedoolden aantast, achten ze zich gerechtigd in valsche geestdrift zich tegen u te stellen. En dan vermoordt de vrome heiden in China den Christenzendeling, en slaat de vrome Mahomedaan den Armenischen priester in Constantinopel dood, en werpt de vrome Moderne den belijder des Heeren de kerk uit; en spreekt vrome lijdelijkheid den ban uit over i wie tegen deze < 7»vrome slapheid der ziel durft getuigen.

Vroomheid, zonder licht van Boven, is juist om haar vroom karakter, schier tot alle zelfontdekking onbekwaam.

Wat men »lijdelijkheid" noemt is ook vroom zijn, maar vroom zijn op eigen hand, naar eigen manier, vroomheid naar de inspraak van het eigen hart.

De vrome trek in zulk een lijdelijke stemming der ziel, valt niet te ontkennen.

De ziel, die in deze gemoedsstemming afdrijft, gelooft in God, denkt aan God, spreekt over God, bidt tot God, en voelt sterken drang, om in alle ding, dat voorkomt, met haar God te rekenen.

Meer nog, het ligt in deze neiging der ziel als vanzelf besloten, om van den mensch zeer laag, van het eigen ik zeer klein te denken, en steeds waar de eere Gods stuiten zou op de vrucht des menschen, alle eere die aan het schepsel kon toekomen, weg te werpen.

Het is zoo, er zijn lijdelijke lieden, bij wie dit wel zoo schijnt, maar niet zoo is, en die de lijdelijkheid slechts als een kleed omhingen. Maar déze öMoprechten laten we thans buiten den gezichtskring. In hen is geen vroomheid. Maar vroomheid is er wel in den wezenlijk] lijdelijke. Die het zoo meent. En oprecht voor zijn God staat. Er den dienst van zijn God in zoekt. En in alle ding zich door dit lijdelijke besef laat leiden. Iets wat ge daaraan licht onderscheiden kunt, of iemand dit lijdelijke ook dan uitspreekt en doorzet, als hij zelf er mee ondergaat, er zelf offers voor te brengen heeft, en er eigen genot of eere meê verliest.j

En is dit zoo, is iemands lijdelijkheid geen opgeplakt verguldsel, maar een diep ingesneden gemoedstrek die hem beheerscht, én als hij met anderen spreekt, én als hij in de eenzaamheid voor zijn God verkeert, én als hij er zelf schade bij lijdt, dan voegt u geen achterdocht, dan hebt ge te erkennen, _dat hier wel waarlijk »W< 7OTheid der ziele in uitkomt, en blijft alleen de vraag over, of het ook een vroomheid ïijn kan, die in de donkerheid is afgedoold van het rechte pad.

Ontdek mijne oogen" bidt 'de Psalmist. En zoo bidt hij niet als één, die nog vóór de enge poorte staat, maar nadat hij de enge poorte is doorgegaan, en getuigen kan dat de liefdedienst van zijn God hem nog nimmur vbïdrbt'en hfe'öft.

Deze vrome bidder spreekt dus uit, dat hij niet alleen vóór zijn bekeering, maar ook na zijn toebrenging, gevaar loopt af te dolen.

Hij ziet het in, dat er ook na zijn bekeering nog allerlei nevelen voor zijn oog hangen, die hem beletten klaarlijk en helder in de wegen zijns Heeren in te zien.

Zijn vroomheid is hem niet genoeg. Hij voelt het diep, dat er ook over het pad der vroomheid dwaallichten zweven, die den vromen wandelaar licht verdolen doen. En daarom gevoelt hij schier meer nog dan vroeger behoefte, om juist nu hij vroom wierd, niet op zijn vromen Lva. te vertrouwen, maar opdat zijn vroomheid hem niet ^•erdolen doe, het licht van zijn God op zijn pad te zien schijnen.

Aan zichzelf overgelaten, ontwaart hij hoe zijn vroomheid hem stil maakt. De majesteit des Heeren HEEREN is zoo ontzaglijk. Van alle bidden is het wegzinken in aanbidding hem het zoetst.

Zoo neigt zijne vrome ziel er toe, om enkel toe te schouwen, te zien hoe God werkt, Gods bestel ook in zijn leven te laten doorwerken, nu eens het goede en dan weer het kwade uit de hand zijns Heeren te ontvangen, en steeds meer de kracht zijner vroomheid daarin saam te trekken, dat hij in dat alles den Naam zijns Gods love en prijze, en stil aanbidde voor zijn heilig aangezicht.

Hij doet dan niets, en hij zit dan stille. Hij wacht op de daden des Heeren. En waar die werken zijns Gods uitkomen, is in dat doen zijns Gods al zijn lust.

De niet »gemaakte" of »voorgewende", maar de alleszins vromej en oprechte lijdelijkheid der ziel voor zijnen God.

Velen die op deze oprechte »lijdelijkheid" smalen, en in eigen geestelijke gezondheid tegen over zoo ziekelijke vroomheid plegen te roemen, zouden wel doen met ook voor hun eigen ziel, in dit stille-zijn voor God, meer dej kracht der heilige mystiek te zoeken.

Smalen op elkander verraadt nooit Christenzin. En als de Martha's die druk bezig de Maria's met berispend oog aanzien, neemt Jezus het voor de Maria's op.

De diepte der mystieke aanbidding is zoo sterkend voor het hart.

Alleen maar, de Godgewijde psalmist, die ons hier toezingt, en die in deze diepte der mystiek geheel was ondergedompeld, toont ons toch, dat . echte vroomheid meer vraagt.

Immers wie waande daarin, en daarin volstrektelijk, te kunnen rusten, zou niet meer bidden: ^ Ontdek mijne < 7(7^if«, dat ik aanschouwe de wonderen uwer wet."

Wie zóó bidt, vraagt om meerder licht, en smeekt dat God de nevelen van voor zijn zielsoog moge wegvagen, opdat het pad voor zijn voet zich scherp en klaarlijk moge afteekenen. En dit te bidden zou natuurlijk geen zin hebben voor wie waande niets jmeer te behoeven, dan sül te rusten in het werk zijns Gods.

Wie smeekt om licht op zijn pad, voelt dat hij vooruit moet, dat er ordinantiën zijns Gods zijn, waarin hij wandelen moet, dat hem een taak wacht, dat hij een roeping in den dienst zijns Gods heeft te vervullen. Maar hij huivert, hij aarzelt, om ook maar een voet te verzetten. Hij mocht een mistred doen. Want hij ziet, en hij tuurt en hij staart wel, maar zijn blik kan niet doordringen. De nevelen belemmeren het doorzien. En daarom loopt hij zijn God aan, dat alomtegenwoordige en almachtige Wezen, en nu roept hij: »o, God, ontdek mij toch de oogen. Ik moet vooruit, en ik zou mistreden, en uitglijden, en mij met al mijn vroomheid toch tegen uw heilige wet bezondigen, o. Kom dan, en neem de schellen mij van de oogen weg, dat ik helder en klaar in de wonderen van uw wet moge inzien, en alzoo wandelen moge in uw wegen."

Oók lijdelijk dus.

Niet een poging om zelf de schellen van de oogen af te nemen. Niet zelf de handen uitsteken, om de nevelen weg te vagen. En ook niet een ontsteken van eigen kunsüicht, om bij den lichtstraal uit eigen lamp den weg te ontdekken,

o. Neen, de vroomheid van dézen bidder verloochent zich ook daarin niet, dat hij het licht op zijn pad uit geen andere lichtbron, dan uit de fontein des lichts in zijn God kan verwachten.

Alleen maar het is niet de lijdelijkheid, om [ op de plek waar men is, stom te zwijgen en stil te blijven zitten, maar een vroomheid die den innerlijken drang voelt van vooruit te moeten, van op den weg te moeten voortschrijden, van een roeping voor zijn God in de zake zijns Gods te hebben, en die dddrom behoefte gevoelt aan licht.

Stille mystiek, zonder meer, sluit het oog, en zinkt weg in het geheimzinnig schemerlicht der aanbidding.

En ook dit moet. Het is als de slaap der ziele, die de ziel sterken moet, voor den arbeid van de hitte des daags.

Maar echte vroomheid weet, dat er na dit sluiten van het zielsoog in de ruste der mystiek, telkens weer een opwaken in de werkelijkheid moet komen, om het werk des daags tot prijs van Gods Naam te voleindigen.

Dan wordt het eerst sluimerend oog weer geopend, en Gods kind staart eerst pijnlijk door de morgennevelen, maar om straks weer het licht van Gods zonne op te vangen, en bij [den glans van dat licht zijn pelgrimsreis voort te zetten.

Vroomheid, die geen behoefte aan dit licht gevoelt, of bij dit licht weigert te wandelen, kan daarom voor God niet bestaan.

Ook uw vroomheid is Gods genadegave, waarvoor Hij en Hij alleen de ordinantiën te bestellen heeft.

En niet de vroomheid, die zichzelve een wet der vroomheid stelt, maar alleen die afhankelijke vroomheid, die zich aan den keursteen Gods toetst, zal voor den Heilige bestaan.

Niet al wie lijdelijk-is, maar wie ook in zijn vroomheid zich door zijn God laat leiden, is vroom voor den Heere HEERE!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

„Ontdek mijne oogen.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken