Bekijk het origineel

Koloniaal Debat.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Koloniaal Debat.

26 minuten leestijd

Sinds jaren had het Koloniaal debat ook voor de kerken dit hooge belang, dat rusteloos, met name van antirevolutionaire zijde, op tweeërlei werd aangedrongen: i". op het innemen door onze Regeering van een zuivere positie tegenover de Mahomedaansche en j, Heidensche religiën, en in verband hiermede ten gunste van de Zending; en 2^ op het herstel van godsdienstige en kerkelijke vrijheid voor de Protestanten in Indië.

Tot dusver echter had deze rustelooze aandrang nog tot weinig resultaat geleid. Want wel was de algemeene opinie onder de koloniale staatslieden allengs gunstiger gestemd geraakt voor de Zending, en had met name de toenmalige Minister Keuchenius meer dan één kostelijken maatregel genomen, maar in hoofdzaak bleef de Indische regeering nog weifelend, en stuitte men bij het Departement van Koloniën nog op gebrek aan de onmisbare sympathie.

Hierin echter is thans, na het optreden van den Minister Cremer, een onmiskenbare kentering ten goede gekomen.

In het Voorloopig Verslag op de Begrooting van Ned. Indië voor ditjaar was namelijk het volgende door de Kamer opgenomen :

De tegenwoordige Minister heeft vroeger blijk jjegeven van zijne goede gezindheid jegens de Christelijke zending door de oprichting van een zendingspost in de Bataklanden krachtig te steunen en men verwachte, dat hij als Minister van dezelfde gezindheid blijk zou geven. Verscheidene leden zouden intusschen gaarne eene verklaring ontvangen omtrent de houding, die de overheid naar zijne meening tegenover de zending, en in het algemeen als vertegenwoordiger eener Christelijke natie, behoort aan te nemen. Zij wezen op het gevaar, aan uitbreiding van het Mohammedanisme in Indië verbonden. Met teleurstelling had men dan ook uh het vermelde op blz. 17 van het Koloniaal Verslag gezien, dat de Islam zich in de binnenlanden van Palembang langzaam, maar gestadig uitbreidt. De uitbreiding van dit fataUstisch en dweepziek geloof kon naar hun gevoelen slechts worden gekeerd door krachtige bevordering van het Christendom. Van die bevordering moest men zich niet laten weerhouden door angstvallige overwegingen van politieken en oeconomischen aard. Gevraagd werd, of de Minister genegen is daartoe het zijne te doen.

Sommigen zagen een hoofdbezwaar tegen de uitbreiding van htt Christendom in art, 122 van het Regeeringsreglement. Met herinnering a hetgeen hieromtrent vroeger, bepaaldelijk in § 6 van het Voorloopig Verslag betreffende de loopende begrooting, werd gezegd, drongen zij andermaal op intrekking van die bepaling aan. Ook werd opnieuw de wensch geuit, dat de toelating van zendelingen in Indië niet langer afhankelijk zou worden gesteld van het goedvinden der Indische Regeering.

Door eenige leden werd naar aanleiding van deze opmerkingen gewezen op de bezwaren, die het optreden van zendelingen van verschillende kerkgenootschappen op hetzelfde terrein veroorzaken. Deze leden stelden hoogen prijs op de kerstening der inlandsche bevolking, maar zij meenden, dat het indringen van zendelingen op elkanders terrein aan de goede werking van het Christendom niet bevorderlijk kon zijn en wenschten dat de Regeering tegen zoodanig indringen zou waken.

En voorts bij de 5e afdeeling dit:

In aansluiting aan vroegere betoogen werd door sommige leden opnieuw aangedrongen op wijziging van de in Indië geldende bepaling, dat de aldaar gevestigde Europeanen, die niet bekend staan als Roomsch-Katholieken of Israëlieten, beschouwd worden als leden der Protestantsche Kerk. Ook werd nader de wensch geuit dat de Christelijk Gereformeerde Kerk, die reeds verscheidene gemeenten in Indië telt, als zoodanig door de Regeering zou worden erkend. Gaarne vernam men of de Minister bereid is aan deze wenschen te gemoet te komen.

Van verschillende zijden werd bezwaar geopperd tegen de samenvoeging van de zorg voor de belangen van onderwijs, eeredienst en nijverheid bij één departement van bestuur. Men achtte die samenvoeging zonderling. Immers bestaat er geenerlei verband tusschen de belangen van onderwijs en eeredienst eenerzij ds en die van nijverheid anderzijds. Men wenschte daarom, dat de belangen der nijverheid zouden toevertrouwd worden aan een ander departement, bijv. aan dat van openbare werken of van binnenlandsch verkeer.

Met terugslag hierop nu liet de Minister zich in zijn Memorie van Antwoord op blz. 7 aldus uit:

De goede gezindheid van den ondergeteekende jegens de Christelijke zending heeft in geen enkel opzicht verandering ondergaan. Daar die zending en middel is om beschaving te verspreiden, welvaart te bevorderen en rust en orde te bevestigen, zal zij zeker door de Regeering naar vermogen behooren te worden gesteund. Doch de Regeering als zoodanig mag geen propaganda maken voor de Christelijke leer, omdat zij dan haar neutraal standpunt zou prijs geven, inbreuk zou maken op het beginsel van godsdienstvrijheid en het vertrouwen zou schokken harer talrijke onderdanen die andere godsdiensten belijden. Gaf zij haar neutraal standpunt prijs, dan zou zij waarschijnlijk het tegenovergestelde uitwerken van hetgeen beoogd werd. Zij heeft de overtuiging van andersdenkenden te ontzien, ook al strooken die niet met de Christelijke leer. Dit standpunt is niet een gevolg van »angstvallige overwegingen", maar wel van eene voorzichtige staatkunde en van de op de Regeering rustende verantwoordelijkheid, welken haar in dezen tot richtsnoer moeten zijn.

Wat betreft het weder geopperde bezwaar, dat art, 122 van het Regeeringsreglement aan de uitbreiding van het Christendom zou in den weg siaan, kan de ondergeteekende verwijzen naar hetgeen onder § 6 (blz, 11) der Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag betreffende de loopende begrooting is aangevoerd,

Hanahaving van de bepaling omtrent de toelating van Christen-leeraars, priesters en zendelingen in eenig bepaald gedeelte van Nederlandsch-Indië acht de ondergeteekende gewenscht, vooreerst opdat in elk bijzonder geval zal kunnen worden beoordeeld, of zoowei in het belang der veiligheid van de zendelingen zelven als in dat van de openbare orde en rust, de toelating al of niet behoort te worden toegestaan; maar evenzeer om de mogelijkheid te behouden dat de verschillende zendmgsvereenigingen, elke op haar gebied, met vrucht werkzaam blijven. Deze bepaling (art, 123 Regeeringsreglement) zou de zaak der zending slechts kunnen schaden, wanneer zij werd toegepast door een Bestuur dat de zending vijandig ware. Dat daarvan nu geen sprake kan zijn bewijst o. a. wel de keuze der bestuursvestigingen op Nieuw-Guinea.

In nader antwoord op de aan het slot dezer paragraaf gemaakte opmerking geelt de ondergeteekende als zijne meening te kennen, dat er geen krachtiger middel is om het zendingswerk vruchteloos te doen zijn, dan door den inlander te toonen welke verschillen de Christenen verdeeld houden. Het nog te bewerken terrein is zóó groot, tegenover dat waar reeds met vrucht gewerkt is, dat er volstrekt geen noodzakelijkheid bestaat dat men elkaar verdringt. Het moet het streven der kerkgenootschappen zelve zijn dat dit kwaad worde voorkomen. Schieten zij daarin te kort, dan kan de plicht der Regeering op den voorgrond treden om te zorgen dat rust en orde niet in gevaar komen.

Nader op p. 9 in dezer voege:

Eene spoedige afdoening van de aanhangige voorstellen tot regeling van den toestand der inlandsche christenen in Ncderlandsch-Indië op privaatrechtelijk gebied, wordt ook door den ondergeteekende-wenschelijk geacht. Laatstelijk is door den vorigen Minister daarop bij den Landvoogd aangedrongen in December van het afgeloopen jaar.

De regeling dezer belangrijke aangelegenheid is evenwel niet zoo gemakkehjk tot stand te brengen als men oppervlakkig zoumeenen. Met behoedzaamheid behoort daarbij te worden te werk gegaan, zoodat de Raad van Nederlandsch-Indië het noodzakelijk achtte de rechterlijke en administratieve autoriteiten te hooren die gevestigd zijn in streken waar zich inlandsche christenen bevinden. Het is den ondergeteekende niet bekend hoever de zaak in Indië gevorderd is en het is hem alzoo ook niet mogelijk reeds nu eene spoedige afdoening in uitzicht te stellen. Of met het oog op de hierbedoelde regeling tot eene wijziging van art, 109 van het Regeeringsreglement zal worden overgegaan, kan nu nog niet worden uitgemaakt. Tot eene wijziging van dat artikel strekten de door de Staatscommissie tot her^ening van de Indische wetgeving op privaatrechtelijk gebied ingediende voorstellen op dit punt zich niet uit.

De afdoening van dit onderwerp zou, door haar afhankelijk te stellen van eene partieele herziening van het Regeerings-reglement, slechts worden vertraagd.

Voorts op p. IS in deze woorden:

Eene bepaling, dat de in Nederlar.dsch-Indïë «gevestigde Eurüpeanen', die'niwbexend staan

als Roomsch-Katholieken of Israëlieten, beschouwd worden als leden der Protestantsche Kerk", bestaat niet. Wellicht werden bedoeld de bepalingen, dat, »de protestanten in Nederlandsch-InJië voortaan maar één kerkgenootschap (zullen) vormen" (art. i van het Koninklijk besluit van ii December 1835 n». 88, opgenomen in Indisch Staatsblad 1844, n". 34), zoomede dat > tot het Protestantsche Kerkgenootschap in Nederlsndsch-Indië behooren allen, die aldaar op belijdenis des geloofs tot ledematen zijn aangenomen, — zij die in de Protestantsche Kerken gedoopt zijn, en diegenen welke in andere landen, als tot de Protestantsche kerkgenootschappen behoorende erkend, zich (in Nederlandsch-Indië) ter nederzetten, mits door behoorlijke bewijzen of attestatiën van hunnen doop of lidmaatschap buiten 's lands hebbende doen blijken" (art. i van het Reglement op het Bestuur der Protestantsche Kerk in Nederlandsch-Indië goedgekeurd en gearresteerd bij Koninklijk besluit van 28 October 1840 n'. 57, opgenomen in Indisch Staatsblad 1844 n°, 34). Uit deze beide bepalingen volgt wel dat dein Nederlandsch-Indië verblijdende protestanten tot één kerkgenootschap zijn vereenigd, doch niet hetgeen in het Voorloopig Verslag wordt vooropgesteld. Voorts kan nog worden gewezen op art. 2 van het Koninklijk besluit van 28 October 1840 n". 57, waarin ten aanzien van de in art. i genoemde protestanten wordt gezegd: sDeze allen blijven tot het Protestantsche kerkgenootschap behooren, zoolang zij niet vrijwillig en duidelijk verklaard hebben zich daarvan af te scheiden of om wettige redenen daarvan afgescheiden zijn." Hieruit blijkt dit de protestanten individueel niet behoeven te blijven behooren tot het Protestantsche kerkgenootschap en er dus ook protestanten zijn die niet beschouwd worden tot dat kerkgenootschap te behooren.

In hoever de hier genoemde bepalingen zouden moeten worden gewijzigd indien nopens de inrichting van het Protestantsche kerkgenootschap de door art. 122 Regeeringsreglement vereischte overeenstemming ware te verkrijgen, zal nader moeten worden overwogen, wanneer de behoefte aan wijziging als vaststaande moet worden aangenomen.

Met betrekking tot den wensch, dat de Christelijk-Gereformeerde Kerk als zoodanig ook in Nederlandsch-Indié door de Regeering zal worden erkend, meent de ondergeteekende uit den loop der zaken te moeten opmaken dat de vraag, of die erkenning in den gewenschten zin behoort te worden toegelaten, niet urgent is. Nadat, naar aanleiding van dé in ludië gerezen vraag, of gewenscht werd erkenning der Christelijk Gereformeerde gemeenten die er toen waren en later komen zonden, dan wel het geheel dier gemeenten, namelijk de Christelijk Gereformeerde kerk in Nederlandsch-Indië, als kerkgenootschap, door den Minister KEUCHENIÜS bij missive van 10 Juli 1889, litt. A> , no. 10 aan de Synodale Commissie van het Christelijk Gereformeerde Kerkgenootschap haar gevoelen was gevraagd over de wijze van uitvoering van het denkbeeld eener organisatie van de Christelijk Gereformeerde kerk in Indië, werd daaraan door die Commissie bij schrijven van 8 Februari 1890 voldaan, onder opmerking dat het gegeven advies geen officieel advies was, namens de Synode uitgebracht, vermits deze toen niet bijeen was. Daarop richtte voornoemde Minister bij missive van 22 Februari 1890, litt. A', n». 25 aan de genoemde Synode andermaal een verzoek om definitief advies uit te brengen, doch aan dat verzoek is tot op heden niei voldaan. De aan de Synodale Commissie toegezonden bescheiden werden bij schrijven van i8 December 1896 van den heer dr. A. KUYPER terug ontvangen. Is uit de hier weergegeven loop van zaken geenszins eene behoefte aan urgente afdoening op te maken, evenmin is die af te leiden uit het feit dat de Christelijk Gereformeerde gemeente te Batavia, na hare erkenning als rechtspersoon {Indisch Staatsblad 1892 n°. 233), niet meer op een verzoek in hierbedoelden geest is teruggekomen. Intusschen stelt de ondergeteekende zich voor nopens dit onderwerp in nader overleg te treden met den Gouverneur-Generaal.

Ea eindelijk op bl/, . 18 aldus;

Hetgeen door de zending te Modjowarno ten bate van den inlander wordt gedaan, o. a. ook door de oprichting van een ziekenhuis en het verleenen van medische hulp, wordt door de Regeering met de meeste waardeering gadegeslagen. Zooveel in haar vermogen is, is zij bereid om die nuttige instelling te steunen, doch zij heeft in dat opzicht met zekere beginselen rekening te houden, alsook met de belangen der schatkist. De aan het ziekenhuis te Modjowarno verleende kostelooze verstrekking van geneesmiddelen is reeds als een vorm van subsidie te beschouwen. Niettemin bestaat bij den ondergeteekende geen bezwaar nader met den Gouverneur-Generaal in overleg te treden nopens de vraag of er, behalve hetgeen reeds van Regeeringswege gedaan wordt, aanleiding bestaat om bovendien nog eene geldelijke subsidie te verkenen. Evenwel geeft hetgeen in dit opzicht in het Voorloopig Verslag vermeld staat een minder juist beeld hoe deze zaak geloopen is. Toen de vorige Minister bij de behandeUng der begrooting voor 1896, in antwoord op een desbetreffende vraag, antwoordde dat hij nader met den Landvoogd in overleg zou treden nopens eene subsidie voor het ziekenhuis te Modjowarno, genoot die instelling nog hoegenaamd geen hulp van Regeeringswege. Sedert werd kostelooze verstrekking van geneesmiddelen verleend, en dientengevolge trad de toekenning ook van eene geldelijke subsidie op den achtergrond, omdat die kostelooze verstrekking reeds als eene subsidie was te beschouwen.

Dat de tegenover de zending te Modjowarno gevolgde gedragslijn ook ten aanzien van andere dergelijke instellingen zal behooren te worden in acht genomen, spreekt vanzelf. Elk geval zal evenwel op zichzelf moeten worden beoordeeld, en telkens zal met de financieele gevolgen rekening zijn te houden.

Hierin was drieërlei opmerkelijk.

Vooreerst, dat' deze geestelijke belangen thans niet alleen bij de artikelen, maar ook bij de algetneene beschouwingen, als deel van het algemeen regeeringsèeleid ttr s-prdkc kwamen.

Ten tweede, dat de toon der bespreking zoo veelszins van welwillendheid getuigde.

En ten derde, dat de bespreking zoo breed en zoo uitvoerig was. Men maakte er zich niet meer van af, maar toonde nu ook van regeeringswege in te zien, dat deze geestelijke belangen minstens even hoog stonden, als de quaestie van koffieoogst of irrigatie.

Natuurlijk bleven er nog haken en oogen, en kwanü er in dit breede antwoord nog slltrld v: > or, waarop c.ptie viel te maken, maar wie wint op eenmaal alles? En oök was het begrijpelijk, dat het Departement van Koloniën den overgang uit den ouden in den nieuwen toestand geleidelijk wenscht te maken.

Bij de openbare beraadslaging gaf de antirevolutionaire partij dan ook vau haargunstigen indruk van dit antwoord blijk, door bij monde van den heer Kuyper, zich aldus uit te spreken:

Het derde punt dat ik wensch te behandelen is evenzoo eene zaak van algemeen regeeringsbeleid en, hoewel het voortijds hier wel de gewoonte was om het punt, waarop ik nu kom, te bespreken bij de afdeeling onderwijs, eere dienst en nijverheid, vindiceer ik mijn recht om het bij de algetneene beraadslaging te bespreken. Dit is ook geschied in het voorloopig Verslag en ten deele ook in de Memorie van Beantwoording. Het geldt nl. de vraag: welke positie Nederland als koloniale Mogendheid heeft in te nemen in het religieuse vraagstuk. Rakende dit vraagstuk nu, heeft de Minister van Koloniën in zijne Memorie van Antwoord eene zóó uitstekende verklaring afgelegd, dat ik hem voor dit zijn woord niet warm genoeg danken kan. Hij heeft nl. verklaard, dat deze vier groote dingen die voor elke koloniale Mogendheid immers het hoogste ideaal vormen: beschaving^ welvaart^ rust en orde^ door de Christelijke Zending^ krachtig worden bevorderd. Wie zoo schreef, moest dan ook wel als Minister van Koloniën tot de conclusie komen, dat de Christelijke zending zijnerzijds behoort gesteund te worden. Met een Minister die dit niet alleen in woorden zegt, maar ook door daden toont, gaan wij ten deze dan ook eene nieuwe aera te gemoet. En dit heeft de Minister getoond. Immers hij heeft in zake de medische zending verklaard, geneigd te zijn tot het verleenen van geldelij ken steun. Zoo wil hij het zendingshospitaal te Modjowarno niet alleen gratis medicijnen blijven verschaffen, maar is ook niet ongeneigd om aan dat hospitaal zeker geldelijk subsidie bovendien te geven. En dit niet bij wijze van exceptie, maar onder bijvoeging, dat, indien aan dit denkbeeld gevolg wordt gegeven, die zelfde gedragslijn ook zoude behooren te worden" gevolgd ten aanzien van andere soortgelijke instellingen.

In de tweede plaats heeft de Minister bij de nadere vestiging van ons rechtstreeksch bestuur op Nieuw-Guinea — iets wat ik zeer toejuich — getoond, rekening te houden met de wenschen, welke dienaangaande van de zijde der zendelingen zijn geuit. En eindelijk heeft de Minister bij voortduring zich bereid verklaard met eene herziening van art. 109 betreffende de positie der inlandsche Christenen niet langer te willen dralen, en nu de Staatscommissie op dit punt geen acht heeft geslagen, dit zelf te willen doen en er de aandacht ook van den Gouverneur-Generaal op te willen vestigen.

Intusschen, al kan ik uit dien hoofde het algemeene standpunt door de Regeering ten deze ingenomen toejuichen, daaruit volgt nog niet, dat ik de begripsbepaling daaraan in positieven zin door den Minister toegevoegd, zeer scherp genoeg belijnd vind. Die begripsbepaling toch wordt hierin gezocht, dat de Regeering, als niet confessioneel, geen rechtstreeksche propaganda mag maken voor eenige Christelijke leer. Nu legt, dunkt mijj een Minister een in officieel stuk zulk eene verklaring niet af, of er moet aarleiding toe bestaan. Veroorlove daarom de Minister mij de vraag: is er in het Voorloopig Verslag of daarbuiten iemand in deze Kamer aan het woord geweest, van welke zijde ook, die van den Minister gewild heeft, dat de Regeering als zoodanig voor eene bepaalde confessie propaganda zou maken? Zoo niet, wat doet die verklaring dan in de Memorie van Antwoord ?

Er komt eene andere formule in diezelfde begripsbepaling voor, die mij beter bevalt, nl. deze: dat de Regeering geen inbreuk mag maken op de godsdienstvrijheid. Ook deze verklaring verrast niet. Wie had ze van dezen Minister anders verwacht? Maar toch doet het mij genoegen dat dit zóó kras en duidelijk in de Memorie van Antwoord staat. Daarmede toch heeft de Minister te gelijk zoo kras mogelijk het oordeel geveld over art. 122 van het Regeeringsreglement. Zie, er wordt in ludië geen inbreuk gemaakt op de godsdienstvrijheid van de Chineezen, van de Mahomedanen, van de Armeniërs, van de Joden of van de Roomsch-Katholieken, Die alleen zijn volkomen vrij, maar er wordt wel en zeer ernstig^ inbreuk gemaakt op de godsdienstvrijheid van de Protestanten, Nu mag ik —-voor zoover ik dit niet reeds van den Minister als persoon wist — na die uitspraak in zijne Memorie van Antwoord vertrouwen, dat ook hij zulk een inbreuk op de godsdienstvrijheid met mij zal wraken en afkeuren. Maar kome het ook hier van woorden tot daden en worde aan dezen misstand hoe eer hoe beter een einde gemaakt.

Wat toch is het geval. Op de summiere verklaring in het Voorloopig Verslag voorkomende, dat alle in Indië gevestigde Christenen, die niet bekend staan als Roomsch-Katholiek, beschouwd moeten worden als leden der Protestantsche gouvernementskerk, schijnt Jde Minister geen redres noodig te achten. Waarop grondt zich nu deze zijne onthouding? Hierop, dat al wie niet tot de Protestantsche gouvernementskerk wil blijven behooren, vrij is er zich van af te scheiden. De Minister verklaart op dien grond niet goed te begrijpen, welk bezwaar hier schuilt, omdat wel alle Protestanten worden geacht tot die Protestantsche gouvernementskerk te behooren, maar alleen zoolang ze zei ven niet vrijwillig verklaren, er zich van te willen afscheiden. Wat dit punt nu betreft, heb ik er reeds bij eene vorige discusssie op g'swezen, dat wie aanvrage doet om echtscheiding, daarmede zelf de verklaring aflegt dat hij met die vrouw getrouwcl is, zoo nu ook houdt elke aanvrage om afscheiding van een bepaald kerkgenootschap eo ipso altoos die erkenning in, dat men daartoe behoort. En juist die erkenning mag men in casu niet geven. Het zal den Minister uit de stukken, door mij aan de Regeering teruggezonden, dan ook blijken, dat de Gereformeerden, die èn te Soerabaija èn te Batavia weigerden te erkennen, dat ze als tot de gouvernementskerk behoord hadden, en dus niet konden aanvragen om daarvan afgescheiden te worden, op dien grond niet het recht konden verkrijgen om een eigen kerk te formeeren.

Hoe is derhalve op dit oogenblik onder de vigueur van art. 122 van het Regeeringsreglement de toestand ? Zoo, dat ten eerste art. i van het desbetreffend Koninklijk besluit zegt: »DE Protestanten in Nederlandsch-Indië vormen te zamen één kerkgenootschap". Maar nu vraag ik wel aan den Minister zelven en allen leden der Kamer: wat geeft der Regeering het recht zoo iets te bepalen? Wat gaat het haar aan, in hoe vele soorten van kerken de Protestanten zich gelieven te verdeelen ? En toch wordt zulk een dwaas artikel gehandhaafd. De regeering maakt uit, dat ieder, die op Indischen bodem gedoopt bf aangienctaen is, do ipso btehöört tbt dit döör haar zelve gesticht kerkgenootschap. En ook bier weder vraag ik: wat gaat het de Regeering aan, of iemand hier of elders gedoopt is, en tot welke kerk hij op grond van die doop zal behooren? Maar het reglement stoort zich hier niet aan, en zegt in art. 5, dat er een bestuur is over DE Protestantsche gemeenten; in art. 9 dat de belangen van AL de Protestantsche gemeenten onder dit kerkbestuur ressorteeren; in art. II, dat alle kerkeraden van Protestantsche gemeenten in Nederlandsch-Indië door het intermediair van dit bestuur moesten correspondeeren met de Regeering. In den bekenden bundel Verandering der verordeningen betreffende de Protestantsche kerken in Nederlandsch-Indië i\ssA op bladz. 34 zelfs dat correspondentie door alle kerkeraden, geene uitgezonderd, moet worden gevoerd door het kanaal van het kerkbestuur. En nog verder gaat men op de bladz. 137 en 138 van dien bundel, waar gezegd wordt, dat alle Evangelische of Protestantschegetneenten te zamen onder dit ééne kerkbestuur tnuis hooren, dat alle speciale belijdenissen door de Regeering als secte-namen worden beschouwd. Wat recht heeft nu toch de Regeering om, als ik Gereformeerd of Luthersch ben te zeggen: »gij zijt een sectaris", en zulks nog wel in een ofHcieel stuk.

Nu weet ik wel, dat deze Minister dit niet gedaan heeft, maar er blijft toch eene zekere contmuïteit in het Regeeringsbeleid, zoolang men er zich niet van losmaakt, en zoo moet ik ten deze wel bij den fungeerenden Minister aankloppen.

Uit het aangevoerde toch blijkt mijns inziens duidelijk dat men in Indië nog wel terdege alle Protestanten onder deze dwangbepaling opneemt. Nu voelt de Minister zelt misschien niet zoo sterk, wat iemand er tegen kan hebben om bij de Protestantsche gouvernementskerk gerekend/ te worden. Maar hij gelieve dan van mij de verzekering aan te nemen, dat vele Gereformeerden, Lutherschen en Doopsgezinden er nog altoos prijs op. stellen zich zelven overeenkomstig de beginselen van hunne eigen belijdenis te organiseeren, en waar zij dit doen, daar hebben zij noodig eigen kerkeraden en eigen bediening van het sacrement. Dit alles is thans niet voor hen te verkrijgen, eenvoudig wijl men zich niet als eene eigene Protestantsche gemeente kan constitueeren, of volgens de artikelen van het straks besproken reglement, valt men toch weer onder het ééne kerkbestuur, waartoe alle Protestantsche gemeenten volgens het Koninklijk besluit moeten behooren. Immers vraagt men: wat is volgens het uitgevaardigde reglement op het bestuur van de kerken, voor de Regeering het ofScieele kenmerk, van eene Protestantsche gemeente, dan luidt het antwoord (zie bladz. 137 van den bundel), dat men zichhouéi, aan de leer van het Evangelie en het Protestantsche beginsel belijdt. Nu houdt eene Gereformeerde gemeente zich aan de leer van het Evangelie, en hij belijdt het beginsel van het Protestantisme. Hij beantwoordt dus volkomen aan het gestelde kenmerk en ze behoort alzoo volgens het reglement tot de Protestantsche gemeenten.

Hierop aoitwoordde de Minister van Koloniën op 18 Nov. dit:

Is de quaestie van den godsdienstigen toestand der Europeanen in Indië niet hoofdzakelijk eene Indische? Bestaat bij de Lutherschen, de Doopsgezinden, de Ned. Gereformeerden, of bij wie dan ook, eene sterke neiging tot afscheiding, op eene wijze die met hunne overtuiging en gevoelens strookt, dan zullen zij wel in de eerste plaaits in Indië daarvan doen blijken, en schijnt pas in de tweede plaats 's lands raadszaal voor zoo iets aangewezen.

Nu is het mij niet bekend, dat op ditoogenblik dergelijke strooming in Indië bestaat. Wel weet ik oat indertijd daar enkele requesten zijn ingediend, maar tevens meen ik te weten, dat degenen die zich afzonderlijk wenschten te vestigen, het voorbeeld hebben gevolgd van die Christenen in Indië, die den weg van rechtspersoonlijkheid hebben ingeslagen, zooals o. a. geschied is door de leden van de Engelsche kerk en de Armenische Christenen.

Daarmede wordt wel niet voldaan aan den wensch van den eersten geachten spreker, maar betreft het hier niet in hoofdzaak de vraag of zoodanige oplossing voldoet aan den wensch van de betrokken Christenen in Indië?

Mocht dit niet het geval zijn, en zulks door hen aan den Gouverneur-Generaal worden medegedeeld, zoodat alsdan de medewerking der Regeering noodig werd, dan kan de geachte spreker verzekerd zijn, dat ik ernstig in overweging zal nemen^wat verder in deze te doen is. Verre van mij de wensch om kunstmatig te vereenigen, wat niet bij elkander behoort. Maatregelen met dergelijk doel genomen, dragen toch de kiem van ontbinding in zich. Waar thans zoo vele groote quaestiën op den voorgrond staan, schijnt deze quaestie, althans voor het oogenblik, van minder tu-gentie.

Wat nu betreft mijn antwoord op de in het Voorloopig Verslag gestelde vraag aangaande de houding van de Regeering ten opzichte van de zending, werd mij de wedervraag gedaan: waaruit gebleken zou zijn van den wensch der Kamer dat de Regeering zich zou inlaten met het maken van propaganda ? Het was mij bekend dat de geachte spreker dien wensch niet koestert. Zijne belangrijke rede van het vorige jaar heb ik niet alleen met belangstelling aangehoord, maar ook met de belangstelling die zij verdiende herlezen.

Maar ik wensch te doen opmerken dat de vraag in het Voorloopig Verslag zeer algemeen gesteld was en dat ik, ook uit deferentie voor de Kamer, die in het algemeen moest beantwoorden. Waar aan den Minister gevraagd werd eene verklaring omtrent de houding, die de overheid naar zijne meening tegenover de zending — die uitdrukking vind ik niet gelukkig, want de Regeering staat niet tegenover de zending — en in het algemeen als vertegenwoordigster eener Christelijke natie behoort aan te nemen, meende ik ook_ een algemeen antwoord te moeten geven. En ik geloof nog dat, al moge het niet gelegen hebben in de bedoeling van den vrager om het gegeven antwoord jte krijgen, het toch met het oog op velen, die minder indachtig zijn aan politieke overwegingen dan aan hun geloofsijver, goed is dat er op gewezen wordt dat wij wel zijn eene Christelijke natie die Indië regeert, maar dat de bevolking van Nederlandsch-Indië geen Christelijke is. Wij besturen in Nederlandsch-Indië niet een Christenvolk, en daarnaar moeten wij ons gedragen. Vooral is zulks van belang wat betreft onze houding tegenover inlandsche godsdienstleeraars. Goeroes en andere Mohamedaansche geloofsdrijvers maken van elke gelegenheid gebruik om de bevolking op te zetten tegen het Europeesch bestuur door wantrouwen en ontevredenheid te kweeken.

En zou het nu niet voor hen eene schitterende gelegenheid zijn om dat wantrouwen te voeden, wanneer de Regeering afweek van haar hooger standpunt, dat zij was ook eene Regeering voor ben ? Owk ten aanzien van hen moeten wij geen vü'et g'even aan htft VeWift dit de RegéttiBg als zoodanig zich zou mengen in zaken van godsdienst. Immers, aan al onze onderdanen in Nederlaudsch-Indië is vrijheid van godsdienst gewaarborgd. Indirect daarentegen te reageeren zou natuurlijk niet goed zijn. Maar eene welwillende houdmg jegens de zending is mijns inziens heel wat anders. En de steun der Regeering, ook geldelijk, waar zg optreedt, zuiver onderwijzend, genezend, zij der zending verzekerd. Ik wensch hier er op te wijzen dat bij voorbeeld aan de zending te Modjowarno niet alleen geneesmiddelen worden verschaft, maar ook indirect geldelijke hulp.

In het Maandbericht no. 10 van het Nederlandsch Zendelinggenootschap, waarin een zeer belangrijke brief van mevrouw Beivoets—van Ewijck voorkomt over de opleiding van inlandsche ziekenverpleegsters, leest men op bladz. 178, dat vier inlandsche vrouwen aan dat gesticht worden opgeleid tot vroedvrouwen en tevens dat de geldelijke ondersteuning daarvoor gegeven, beschouwd wordt als eene uitredding uit veel geldelijke zorg.

Die verdienstelijke schrijfster zegt daar:

Indien wij toch in deze tijden de toelagen voor de opleiding der meisjes hadden moeten missen, dan zou bij een steeds toenemend aantal patiënten en daaraan gepaard gaande uitbreiding van personeel en gebouwen, onze geldelijke toestand zeer zorgelijk zijn en weldra | onhoudbaar blijken."

Ik wensch — en ik ben overtuigd dat de Indische Regeering dat ook doet — dat velen dit voorbeeld zullen volgen, omdat op die wijze, beter dan door het inrichten van scholen door menschen die minder toewijdmg voor de zaak hebben dan deze personen toonen, met weinig geld veel goeds kan gedaan worden én omdat het voorbeeld van een Europeaan, die zich geheel wijdt aan de verspreiding van geluk en welvaart onder de hem omgevende bevolking, op die bevolking een diepen indruk maakt. Ik herinner mij hoe, toen onder de Batta's eene zending werd opgericht op de Oostkust van Sumatra, de menschen daar niet konden begrijpen, dat de zendeling om iets anders kwam dan een landcontract te sluiten of eigen voordeel te bejagen. Eerst langzamerhand zijn zij tot de conclusie gekomen dat de zendeling uitsluitend te hunnen bate kwam. Wanneer eenmaal dat vertrouwen gewonnen is, kan zulk een zendeling soms veel meer doen dan dikwijls een ambtenaar. Maar zelfs die gunstige overtuiging aangaande deze doet geenszins de verplichting der Regeering wegvallen om er voor te waken dat op plaatsen, waar de vestiging van een zendingsstation misschien bezwaren zou inhebben, moeilijkheden voorkomen worden, die aanleiding zouden kimnen geven tot het zenden van expeditiën of politietroepen.

Waar gezegd wordt dat er in zooverre rechtsongelijkheid is, dat de Mohamedaansche propaganda niet geweerd wordt, daar komen wij op een van de moeilijkste punten, die deze quaestie biedt. Men vergete niet dat de Mohamedanen in Indië thuis zijn, en dat die propaganda zich onder allerlei vormen kan voordoen en gemaakt wordt door heen en weer trekkende lieden, die moeilijk te kennen zijn. Zoo kon de afgevaardigde uit Rotterdam spreken van duizenden. Wilde men in het Regeerings-reglement bepalen, dat hunne toelating aan de goedkeuring der overheid moet onderworpen worden, dan zou men voor groote moeilijkheden komen.

Indertijd zijn daaromtrent in Indië plannen geopperd, die nog niet zijn kvmnen worden verwezenlijkt; ik zal echter mijne voorshands niet groote bekendheid met deze aangelegenheid trachten te vergrooten en nader overwegen of door partieele wijrigiug van het Regeeringsreglement in dit opzicht iets kan gedaan worden.

Datzelfde geldt ook voor wat betreft eene eventueele wijziging van art. 109 van het Regeeringsreglement, met het oog op den rechtstoestand der inlandsche Christenen; ook omtrent dit onderwerp zal eerst later kunnen worden beslist.

De winste is alzoo niet gering.

Erkend dat we hier staan niet voor particuliere belangen van eenige Zendingsvrienden, maar voor een beginsel van gewichtig algemeen regeerbeleid.

Welwillende toenadering van beide zijden.

De medische Zending in beginsel van regeeringssteun verzekerd.

Op betering van de rechtspositie der inlandsche Christenen uitzicht gegeven.

In Nieuw-Guinea een betere toestand in het leven geroepen.

Regeling der kerkelijke quaestie toegezegd.

Is dit niet metterdaad het zich ontsluiten van een nieuwe aera, waarop alleen de zaak van de Heideusche offerfeesten op Lombok nog een pijnlijke schaduw werpt?

Het gaat alles piano, en zelfs pianissimo in onze regeerkringen, vooral bij Koloniën.

Maar wie geduld weet te oefenen, en volharding bezit, zal toch ten slotte ook op dit terrein betere beginselen zien zegevieren.

De eerste goede stap is nu gedaan, en andere zullen volgen.

In ons nummer van 5 Dec. geven we het overige debat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Koloniaal Debat.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken