Bekijk het origineel

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dan de gemeene Gratie.

19 minuten leestijd

DERDB REEKS.

xxvni.

Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende woord van God. I Petr. i:33.

Bij elke nadere bepalmg ia zake 6.^ voorkomende of, gelijk juister gezegd wordt ^), de voorbereidende genade kan noch mag het onderscheid tusschen de wedergeboorte van den zondaar en zijn persoonlijke bekeering uit het oog worden verloren. Immers dat er aan de bekeering iets voorafgaat, al ware het slechts het roepen tot bekecring, en dat reeds deze roeping, ook al neemt men ze geheel uitwendig, een bewijs van genade is, valt niet tegen te spreken. Maar zoo staat het met de wedergeboorte niet. Er ^fl« wel ook achter de wedergeboorte genade schuilen, maar deze komt in geen geval zoo uit, en heeft, ook waar ze kan worden aangetoond, een geheel andere beteekenis en draagt een geheel ander karakter. Wie beide, wedergeboorte en bekeering, bij de bespreking der voorbereidende genade dooreenmengt, loopt alzoo grootelijks gevaar, de woorden Ï genade" en »voorbereidend" in onvasten, wisselenden zin te gaan bezigen, en hierdoor te geraken tot een valsche slotsom.

Ter afwending van dit gevaar, waaraan ook onze uiteenzetting bloot zou staan, bespreken we daarom beide afzonderlijk, en zien alzoo eerst de vraag onder de oogen, of er een voorbereidende genade is die voorafgaat aan de wedergeboorte. Die genade kan van tweeërlei aard zijn, óf zoodanige genade die den zondaar voor de wedergeboorte ontvankelijk maakte, óf wel een genade die het in hem tot stand brengen van de wedergeboorte hielp. Voor de goede geboorte van een kind kan tweeërlei te stade komen, ten eerste de krachtige gezondheid van de moeder, en ten tweede de degelijke hulpe van den vroedmeester. Of wil men de wedergeboorte liever met een operatie vergelijken, zeg dan dat het welslagen van eene operatie kan worden voorbereid, ten eerste door het gestel van den lijder op gezonde kracht te brengen, en ten andere door operatiebed, instrument en heelkundige hulp zoo uitstekend mogelijk te doen wezen. In dien zin nu kan ook bij de wedergeboorte worden gevraagd, vooreerst of de toestand van den zondaar verschil maakt, en ten andere of er vooruit iets kan worden verricht, om de wedergeboorte te beter te doen slagen.

Hiertoe moet de vraag beperkt. Want wel gaat er velerlei andere genadedaad Gods aan de wedergeboorte vooraf, maar deze draagt geen voorbereidend karakter. Een ieder geeft toe dat aan de wedergeboorte voorafgaat de eeuwige verkiezing van den zondaar, en dat de wedergeboorte met noodzakelijkheid volgt, omdat de verkiezing voorafging. En zoo ook erkent de Gereformeerde kerk, dat de wedergeboorte gemeenlijk binnen de sfeer van het genadeverbond valt in de verbinding met de voorafgaande geslachten, maar ook dit is het niet, wat men bedoelt, als er gesproken wordt van voorbereidende genade. Voorbereidende genade zou er dan alleen bij de wedergeboorte wezen, indien aan de daad der wedergeboorte een ontvankelijk maken voor die wedergeboorte voorafging, of ook indien er, eer de wedergeboorte tot stand kwam, iets voorafging, waardoor ze werd ingeleid of bevorderd Wie erwten of dergelijke poot, doet vooraf tweeërlei. Hij bereidt den grond waarin hij poten wil, door dien los en rul te maken en te mesten, en hij weekt de erwten in water, om de spoedige ontkieming te bevorderen. In dien zin nu ware het op zichzelf ook denkbaar, dat er iets/« den zondaar vooraf geschiedde, om hem vatbaar voor de wedergeboorte te maken, en dat er iets aan of om hem geschiedde, om de wedergeboorte beter te doen slagen.

Juist in dien zin echter moet elk denkbeeld van voorbereiding in of aan den zondaar bij de wedergeboorte beslist worden teruggewezen, overmits al hetgeen waarop men in dat verband gewezen heeft, wel de bekeering, maar niet de wedergeboorte voorbereidt, ja, elk denkbeeld van voorbereiding met het eigen karakter der wedergeboorte in strijd is. Slechts twee exceptiën zijn hier toe te laten. Vooreerst toch kan men naar waarheid zeggen, dat, ware geen gemeene gratie tusschenbeide getreden, de weder te baren persoon er niet zou geweest zijn. Ware er geen gemeene gratie gekomen in het Paradijs na den val, zoo iou Adam en Eva ten zelven dage den lood zijn gestorven, en geen mensch na Ken het aanzijn hebben gezien. En zoo ook, ware er geen verdubbeling van gemeene gratie in Noachs gezin gekomen, en heel ons geslacht in den zondvloed ondergegaan, zoo zou er na den zondvloed oiemand meer geboren zijn, en wie niet eerst geboren werd, kon niet wedergeboren worden. Dat geven we dus wel toe, maar niet dit is het, wat onder voorbereidende genade pleegt verstaan te worden.

En zoo ook erkennen we in de tweede plaats, dat, voorzoover wij kunnen oordeelen, de wedergeboorte nooit plaats grijpt dan onder zoodanige omstandigheden, dat er, dank zij velerlei voorbereidende genade, bekeering volgen kunne. We spreken hier voorzichtig, omdat niet op elke wedergeboorte bekeering volgt, en ook onze kerk aanneemt en belijdt, dat er veel jonge, vrol^ wegstervende kinderen zijn kunnen, aan wie we de wedergeboorte niet ontzeggen kunnen, bij wie we zelfs veelszins wedergeboorte onderstellen durven, en die toch te vroeg uit het leven scheiden, om tot bekeering bekwaam te zijn. Zich steeds voorzichtig op dit punt uit te laten, is alzoo geraden. Maar onder dat voorbehoud dient erkend, dat bij personen, die nog in dit leven tot bekeering zullen komen, de wedergeboorte niet anders plaats grijpt, dan onder zulke omstandigheden, dat de mogelijkheid ter bekeering daardoor worde voorbereid. Toch vercindert ook dit niets aan onze stelling, dat er van voorbereiding voor de wedergeboorte zelve geen sprake valt. Wanneer, op welk oogenblik, de wedergeboorte bij een bekeerling onder de heidenen of Mahomedanen plaats grijpt weet niemand, maar wel mag gezegd, dat, waar zulk een heidensche man of vrouw wedergeboren wordt, Gods voorzienig bestel tevens de omstandigheden en middelen aanwezig doet zijn, die straks hem of haar dienen kunnen, om door de aanraking met Christenen of door de predikmg van het Evangelie tot bekeering te komen. Ook dan echter strekt dit alles wel om de bekeering, maar niet om de wedergeboorte voor te bereiden.

Nog moet hieraan, ter afsnijding van misverstand, iets toegevoegd over de zonde. Volkomen juist toch is opgemerkt, dat wedergeboorte onmogelijk is, alvorens er zonde voorafga. Adam vóór zijn val was onvatbaar voor wedergeboorte. Bij den Christus kon evenmin van wedergeboorte sprake vallen. En wie eenmaal wedergeboren is, zoodat de .kiem der zonde in hem gedood is, kan niet ten tweeden male voorwerp van wederbarende genade zijn. Het staat alzoo vast, dat het »dood zijn in zonde" de onmisbare voorwaarde is, om de genade der wedergeboorte deelachtig te kunnen worden. En evenzoo dient erkend, dat onder Gods wonderbaar bestel, voor meer dan één juist een dieper val in zonde één der middelen is geweest, waardoor God hem tot persoonlijke bekeering heeft uitgedreven. Denk slechts aan Augustinus. Maar al wat voorafgaat, en zelfs voorafgaan moet, is daarom nog geen voorbereiding, en allerminst voorbereidende genade. Niemand zal zeggen, dat het vallen en breken van zijn been een voorbereiding is voor de operatie, om het been weer ia het lid te zetten. Al geven we dan ook hier toe, dat aan de wedergeboorte noodzakelijk val in zonde of ontvangen en geboren zijn in zonde moet voorafgaan, met de voorbereiding voor de wedergeboorte heeft dit niets uitstaande.

Van voorbereiding voor de wedergeboorte zou alleen onder twee omstandigheden sprake kunnen zijn. En wel ten eerste, indien eenig zondaar, zeg de diepst gevallene, als zoodanig voor wedergeboorte ongeschikt was, en niet in aanmerking kon komen. En ten tweede indien er van menschelijke zijde iets, wat dan ook, in de wedergeboorte verricht werd of meewerkte, waardoor de daad van het wederbaren tot stand kwam. Ware toch de zaak der wedergeboorte aldus te verstaan, zoo zou, althans bij de diepst gezonkenen, zekere voorbereiding moeten voorafgaan, om ze voor de wedergeboorte geschikt en ontvankelijk te maken. De akker huns harten zou, als we ons zoo mogen uitdrukken, vooraf moeten worden geploegd en 'geëgd. En ook, hielp iets van 'smenschen zijde in de wedergeboorte mede, dan zou, eer het aan de wedergeboorte toekwam, deze medewerkende kracht in den mensch moeten worden aangebracht, indien ze ontbrak. Zoo zou er derhalve wezenlijke voorbereiding voor de wedergeboorte, zoo al e, niet bij allen, dan toch bij de meesten zijn k aan te nemen, en zou zelfs de vraag rijzen, fai hoever wij menschen onzetzijds iets doen konden, om bij onszelven en bij onze kinderen deze geschiktheid voor de wedergeboorte te bevorderen.

Geen der twee echter zal ooit van Ge­ b reformeerde zijde erkend worden. »Al waren uwe zonden als scharlaken, ') - ze zullen wit worden als sneeuw, " en nooit zal men daarom onzerzijds, met het Evangelie voor zich toegeven, dat ooit eenig zondaar zou mogen denken: Mijn zonden zijn te groot dan dat ze vergeven worden. Dat is de Kaïnsgedachte, niet de grondgedachte van het Evangelie. Integendeel, de grondgedachte van het Evangelie is juist omgekeerd, dat de diepst gevallene genade kan vinden, dat we nooit aan de toebrenging ook niet van den verst afgedoolde behoeven te wanhopen, en dat juist zij die > vermoeid en beladen" zijn, tot den Heiland geroepen worden. Dat er verharding en verstolddng kan intreden, staat vast, maar over dat stadium in het leven van den zondaar wordt hier niet gehandeld. Immers verharding en verstokking treedt nooit in dan juist in de worsteling tegen de genade.

Onze kerk kon nooit anders leeren krachtens haar belijdenis omtrent het karakter van de zonde in den mensch. Stond ze op het Pelagiaansche standpunt, dat bij de zonde uitsluitend te rekenen valt met onze zondige daden, zoo zou de zaak anders komen te staan. Maar zoo leerde onze kerk nooit. Zij zocht steeds met de Heilige Schrift de oorspronkelijke, de beslissende schuld in den val van Adam. Ze nam het menschdom als één geheel en dus solidair verantwoordelijk, niet als een saamvoeging van eenlingen. Er is erfschuld. Die erfschuld is voor allen gelijk. En in die erfschuld ligt het doodelijke, overmits we, krachtens die erfschuld, aüen in zonde ontvangen en geboren worden. Vandaar onze belijde nis bij den heiligen Doop onzer kinderen, dat we verklaren te gelooven, dat ook deze nog onnoozele kinderkens, zoogoed als wij zelven, in zonde ontvangen en geboren, en daarom allerhande ellende, ja, der verdoemenis onderworpen zijn. Devraag, tot welken trap zich deze aangeboren zonde in de onderscheiden personen ontwikkelen zal, beheerscht alzoo de zaak niet. Die ontwikkeling kan in den één zeer ver gaan, bij een ander door genade gestuit worden, maar beiden staan voor God, wat hun erfschuld en erfzonde betreft, volkomen gelijk. »Zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd." »Er is geen onderscheid." — Op grond nu van deze belijdenis mag men, met de Heilige Schrift voor zich, niet willen staande houden, dat de ééne mensch geschikter voorwerp voor de wedergeboorte zou zijn dan de andere, en dus ook niet, dat genade, die voorafging, den zondaar de vereischte ontvankelijkheid, om wedergeboren te kunnen worden, zou aanbrengen. Aan de wedergeboorte gaat niets vooraf dan de geboorte in zonde en onder de verdoemenis.

m En evenmin mag ook maar een oogen­ m blik het tweede worden toegegeven, alsof d de mensch zelf, of iets van menschelijke zijde, mede zou werken om de wederge­ o boorte tot stand te doen komen, of te o beter te doen slagen. Ware dit aldus, dan v voorzeker zou er ook voorbereidende genade w noodzakelijk zijn, om dit medewerkende iets in den persoon zelf, of in zijn omgeving aanwezig te doen zijn. Doch juist dit is niet zoo. In den mensch of onder menschen d werkt niets, wat het ook zij, ter wederge­ o boorte mede. Eer werkt van 's menschen o zijde alles tegen. Niemand kan tweeërlei d wedergeboorte stellen. De wedergeboorte is h voor allen één. Men kan dus niet zeggen: n De wedergeboorte is anders bij een men-G schenkind van een maand of van een jaar, dan bij een menschenkind van volwassen u leeftijd. Van tweeën één dus. Ge moet óf alle onnoozele kinderen van de wedergeboorte uitsluiten, óf ge moet erkennen, dat bij de wedergeboorte niets als voorafgaande eisch kan worden gesteld, dat niet ook in het kleinste wicht aanwezig kan zijn. Welnu, in een kind van een week, een maand kan eenvoudig niets medewerken. Niet zijn wil, want die werkt nog niet. Niet zijn verstand, want dat slaapt nog. Niet zijn gevoel, want dat neemt hij nog niet waar. Ook niet de Heilige Schrift of de predikatie, want die kent hij nog niet. En evenmin iets uit zijn omgeving, want die omgeving mist nog elk middel om op zulk een kind geestelijk in te werken. Er moge reeds voor dat kindeke gebeden worden, maar dat gebed hoort hij nog niet. Zulk een wicht leidt nog een puur stoffelijk bestaan. Het slaapt, staroogt, vertrekt zijn spieren, en zuigt melk uit 's moeders borst. Dat is al. Reeds van die zijde staat het alzoo vast, dat er van me­ dewerking geen sprake kan zijn. Iets wat nog sterker klemt, als men er op let, dat volgens de Heilige Schrift de wedergeboorte reeds in den moederschoot kan plaats grijpen, iets waardoor de afsnijding, van alle medewerking volstrekt wordt.

Nog van andere zijde is dat duidelijk te maken. Ook bij den mensch hebt ge te onderscheiden tusschen het middelpunt en tusschen den omtrek van zijn leven. Er is in zijn levens-aanzijn een kern, een middelpunt, waarvan alle levensbeweging uitgaat, en er zijn ook levensbewegingen, die uit dit middelpunt, uit die kern haar aandrift of aandrijving ontvangen. Nu grijpt de wedergeboorte niet plaats in dien omtrek, maar in dat middelpunt, in die kern. Er is in ons een spil, waar zich heel ons leven om wentelt. Die spil is door de zonde verzet en scheef getrokken, en de gevolgen zijn dat alle levensuitingen verkeerd worden. Dat kan niet anders. En nu is de wedergeboorte juist het weer rechtzetten van die spil. Nog niet met het gevolg, dat aanstonds ook alle levensuitingen van den omtrek recht komen te staan. Dat kan niet, omdat ook de werking van de spil op den omtrek door de zonde leed. Maar in elk geval de wedergeboorte, als het weer recht zetten van die spil, kan alleen daar plaats hebben, waar die spil zit, d. i. in het binnenste middelpunt van heel ons menschelijk aanzijn. Kon nu de mensch zelf, of anderen voor hem, op die spil, op dat binnenste middenpunt, op die kern van zijn leven inwerken, zoo ware het nog denkbaar, dat hier van medewerking sprake viel. Maar dit is niet zoo. Elke levensuiting van ons zelven, of van anderen voor ons, grijpt ver van het middelpunt af, in den omtrek plaats. Bij die spil kan niemand bij. Die heeft niemand onder zijn bereik. Tot die binnenste spil van ons leven heeft alleen God den toegang. En zoo blijkt dan ook langs dezen weg, hoe zelfs het flauwste denkbeeld, alsof er bij de wedergeboorte van eenige medewerking van 'smenschen zijde, en alzoo van voorbereidende genade in die medewerking, sprake kon wezen, ten eenemale moet worden afgewezen.

Nog sterker treedt dit aan het licht, zoo men let op de twee dingen, die in dit middelpunt van ons leven wel te onderscheiden zijn. We hebben in ons ons bestaan, en ten tweede ons bewustzijn van ons bestaan. We zijn en we denken. Hoe die twee samenhangen weten we niet. Slechts zooveel staat vast, dat in God is vooreerst het Eeuwige Wezen, en ten tweede het Goddelijk Zelfbewustzijn van dit zijn Eeuwig Wezen, en dat de mensch, als naar den heelde Gods geschapen, evenzoo onderscheidenlijk een aanzijn en het zelfbewustzijn van dit aanzijn ontving. Nu vindt, let wel, de bekeering uiteraard haar sfeer in dat zelfbewustzijn. Een idioot, een zinlooze, een van het verstand beroofde kan zich, zoolang hij in dien toestand blijft, niet bekeeren. Maar anders staat het met de wedergeboorte. De wedergeboorte moet juist even diep doordringen als de zonde doordrong, en de zonde heeft niet alleen ons bewustzijn vervalscht, maar ook onze natuur verdorven. Gaat men nu op de spil, op de kern, op het middelpunt van ons menschelijk bestaan terug, zoo moet wel én de kiem van ons aanzijn en onze natuur, én evenzoo de kiem voor ons bewustzijn, in dat middelpunt schuilen. Inden omtrek komt niets uit, dan wat werkt uit dat middelpunt. Alzoo ligt én de bron waaruit onze natuur werkt, én de lichtbron waaruit ons bewustzijn opvlamt, in dat ééne middelpunt, en zulks wel in zulk eene verhoudmg, dat het bewustzijn de natuur volgt, niet de natuur het bewustzijn. En waar nu God alleen dit uitgangspunt, zoo van alle uitingen onzer natuur, als met name van alle uitingen van ons bewustzijn, onder zijn bestel heeft, daar volgt hier noodzakelijk uit, dat, om actie ten deze onzerzijds mogelijk te maken, eerst de volledige daad der levendmaking van Gods zijde moet zijn voorafgegaan. Van medewerking onzerzijds, hetzij uit de aandrift onzer natuur, hetzij in ons bewustzyn, kan alzoo eerst dan sprake komen, als de wedergeboorte als zoodanig haar volledig beslag heeft verkregen.

Slechts zij men op zijn hoede, om hierbij niet in een ander uiterste te vervallen, en de wedergeboorte voor te stellen als een geheel onafhankelijke scheppingsdaad. Ook dit is geschied en geschiedt nog, juist ten einde het absoluut karakter der wedergeboorte te beter tegen alle voorwendsel van 'smenschen zijde te verweren. Feitelijk komt de voorstelling er dan op neer, dat de eerstelijk geboren tnensch wegvalt, en er een andere nieuwgeboren mensch voor in de plaats treedt. Het lijk van dien eerstgeboren mensch blijft dan nog wel een tijdlang aan den nieuw geboren mensch vastgeketend, maar gaat hem niet aan, en in zijn sterven wordt die keten losgemaakt, en alsdan vaart de nu vrijgemaakte mensch ten hemel op. — Deze voorstelling is ten eenemale onjuist, en men mag zich ten deze door de uitdrukkingen der Heilige Schrift, dat we »den nieuwen mensch" moeten aandoen, en s geschapen zijn in Christus Jezus" niet op het dwaalspoor laten leiden. De wedergeboorte is een daad niet van nieuwe schepping maar van herschepping. Dienvolgens is de wedergeboorte wel terdege afhankelijk van wat ze vindt. Een Salomo is een mensch van heel anderen aanleg dan een David, een Johannes een geheel ander persoon dan een Paulus. Welnu, dit verschil, dit onderscheid tusschen de personen is bepaald door de eerste geboorte, en kan niet door de wedergeboorte worden omgezet. De wedergeboorte kan niet uit David een Salomo, of uit Salomo een David maken. Afhankelijkheid van de eerste geboorte is alzoo metterdaad aanwezig, maar dit geeft daarom niet het minste recht, om van medewerking van iets van 's menschen zijde te spreken, overmits de vraag hoe iemand geboren werd, met welken aanleg, met welken karaktertrek, met welk een inborst, niet van hem zelven afhing, en hem ook niet gevraagd is, maar eenigfijk afhing van Gods bestel. De Goddelijke daad in de wedergeboorte hangt dus niet af van de menschelijke keus, maar de wedergeboorte als tweede Goddelijke daad sluit zich aan aan de eerste Goddelijke daad in de geboorte.

Daarom komt de wedergeboorte dan ook niet tot stand dan door het »levende en eeuwig blijvende Woord van God", en is ook de herschepping in de wedergeboorte, evenals de eerste schepping, wel uit deu Vader, maar tegelijk door het Woord, en krachtens den Heiligen Geest. Dit bedoelen we hiermede : Dat alle dingen geschapen zijn «fcö; -het Woord, en dat er buiten het Woord geen ding geschapen is, hebben we zoo te verstaan, dat in elk schepsel zich een gedachte Gods uitspreekt, dat in elk schepsel een gedachte Gods werkt en zich belichaamt, en dat, overmits in het eeuwige Woord de volheid en de heerlijkheid der gedachten Gods is, geen ding anders dan door het Woord en uit den Vader kan geschapen zijn. Zoo is het dan ook met een iegelijken mensch. De ééne gedachte van zijn Goddelijk beeld heeft God Drieëenig in de onderscheidene menschen op onderscheiden wijze belichaamd. We zijn niet allen gelijk, maar ongelijk. Hierin is de veelvuldige wijsheid Gods, en daarom zal elk kind Gods eens op den witten keursteen een naam ontvangen, dien niemand kent dan God en hij zelf. Ging nu de wedergeboorte buiten dien onderscheiden aard van een iegelijk mensch om, zoo zou men nog denken kunnen, dat ze alleen uit den Vader was. Maar dit is niet zoo. De wedergeboorte schikt zich naar den bestaanden persoon, gelijk deze dit zijn persoonlijk bestaan van God ontving, een persoonlijk bestaan, dat hij ontving uit den Vader, maar door het Woord. En juist uit dien hoofde kan het dan ook niet anders, of ook bij de herschepping van deze bestaande persoonlijkheid, heeft een Goddelijke werking plaats, die eveneens uit den Vader is, maar door den Zoon. Er is dus zeer zeker in de wedergeboorte een medewerking en saamwerldng, maar niet een samenwerking tusschen God en mensch, maar wel een samenwerking van de Goddelijke Personen. Zij die dit gevoeld hebben, Guydo de Bray, de opsteller van onze Geloofsbelijdenis vooraan, hebben dan ook steeds het schoone woord uit i Petr. i : 23 v.v. steeds verstaan van de Goddelijke herscheppende kracht, die door het klevende en eeuwig blijvende Woord" tot stand komt. Het is het herscheppende spreken van dit »levende Woord" dat ze ook in het afgeleide woord der Openbaring beluisterd hebben, en het is die stemme Gods die voor hen het Evangelie tot Evangelie maakt. Het staat er zoo rijk en zoo heerlijk: Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijken, maar uit onvergankelijken zade, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God. Want alle vlcesch is als gras, en alle heerlijkheid des menschen is als eene bloem van het gras; het gras is verdord, en zijne bloem is afgevallen. Maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid. En dit is het Woord dat onder u verkondigd is."

Doch natuurlijk zij die voor de waarheid dat ook deze herschepping is door den Zoon het oog niet ten volle openden, konden er dat niet in lezen, en verstonden daarom deze woorden nog altoos min

'1 Gratia jrraevenims, of voorkomende genad wordt in tegenstelling met de gratia codperans oo v/el geb^ziml voor de eerste daad der levendirisfldng ziëïve.

of meer ia den" zin, alsof de wedergeboorte tot stand kwam door den Bijbel, d. i. dan door den inhoud van de Heilige Schrift die door hen zelven gelezen of door anderen hun gepredikt werd. Klaar en helder was hun dit zelven natuurlijk niet. Ook konden ze het nooit duidelijk maken wat het Woord (d. i. dan de Heilige Schrift) aan de wedergeboorte toebracht. Maar zoo iets bleven ze dan toch aannemen. En op die wijs kreeg het dan al den schijn, ^isof er dan toch zekere voorbereidende genade óók voor de wedergeboorte bestond. Des neenl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 december 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 december 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken