Bekijk het origineel

Kerkelijk debat.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kerkelijk debat.

29 minuten leestijd

Ook de toestand der Indische kerk kwam in debat bij Eeredienst.

De heer Donner liet er zich in dezer voege over uit:

Mijnheer de Voorzitter! Ik meende bij deze afdeeling ditmaal het woerd niet te voeren, na het glasheldere en overtuigende pleidooi, dat door den geachten afgevaardigde uit Sliedrecht gehouden is. Dinsdag en Donderdag jl., voorde godsdienstvrijheid der Protestanten in Indië.

Met hetgeen door den geachten afgevaardigde zoo welsprekend in die redevoeringen gezegd is, stem ik geheel in.

Maar de laatste woorden van den Minister, Donderdag in antwoord op de repliek van den heer Kuyper, hebben mij uitgelokt en tegelijk aangemoedigd om bij deze afdeeling toch een enkel woord te spreken over de kerkelijke aangelegenheden in Indië, meer bepaaldelijk over de noodzakelijkheid van godsdienstvrijheid voor alle Protestanten in Indië.

Het antwoord van den Minister was zoodanig als wij, geloof ik, van de Regeeringstafel nooit te voren uit den mond van een Minister van Koloniën gehoord hebben.

Immers de Minister verklaarde: > omtrent de artt. 122 en 123 van het Regeeringsregleraent kan ik mededeelen dat de zaken die urgent zijn, dadelijk zullen worden overwogen, terwijl de minder urgente zaken eveneens te gelegener tijd zullen worden nagegaan".

Die mededeeling, ik zou haar eene toezegging willen noemen, die toezegging des Ministers, dat de urgente zaken in betrekking tot de artt. 123 en 123 dadelijk zullen worden overwogen, verheugd mij en velen; wij zijn er den Mbister recht dankbaar voor.

Ik reken tot de aUerurgentste zaken van de art. 122 en 123 in de allereerste plaats de vrijheid van godsdienst voor alle Protestanten in Indië, dat aan alle Protestanten in Indië, zonder onderscheid, het recht wordt toegekend, om, óf als Gereformeerde óf als Luthersche óf als Doopsgezinde gemeente bij de Regeering bekend te zijn en als zoodanig rechtspersoonlijkheid hebben, en niet als eene vereeniging, maar als kerk of kerkgenootschap.

Ik verwacht evenwel, dat bij de overweging van deze zoo urgente zaak bezwaren zullen oprijzen èn bij de Regeering hier èn bij de Regeering in Indië. Men zal zeggen; wanneer wij overgaan om aan alle Protestanten godsdienstvrijheid te verzekeren, zoodat men zich als kerkgenootschap kan constitueeren, dan komen wij niet alleen in strijd met art. 122 van het Regeeringsregleraent, maar ook met het Koninklijk besluit van ti December 1835 {Staatsblad no. 88.)

Men zal zeggen: wanneer wij die godsdienstvrijheid geven, dan zal daardoor het bestaan van de Indische Protestantsche kerk bedreigd worden. Men zal verder gaan en zeggen: in welke moeilijkheden wordt dan niet de Regeering gewikkeld, wanneer in Indië meerdere Prottistantsche gemeenten van verschillende gezindheid ontstaan. Hoedanig zal dan de verhouding zijn van die gezindheden tot de Kegeerin|j en wederkeerig van de Regeering tot die gezindheden. Hoe zal de Regeering daarmede in correspondentie treden, en wat men verder daartegen zal kunnen inbrengen.

Het komt mij echter voor dat de wijziging of de opheffing van art. 122 in geen geval de tegenwoordige Indische Protestantsche kerk in

gevaar zou brengen wat betreft haar bestaan of hetgeen zij van den Staat geniet. Immers die Protestantsche kerk als zoodanig behoeft niet te vreezen, want ïnaar mijn oordeel is, in het belang van de godsdienstvrijheid van alle Protestantsche gezindheden in Indië, de wijziging of de opheffing van art. 122 rivtt^nogdzakelijk.

Wel zou ik het wenschelijk achten, en ik heb die wenschelijkheid aan deze plaats meermalen uitgesproken, maar ik acht het alleen wenschelijk voor die kerk zelve, evenals voor de Regeering, — dat dit artikel, dat toch niet uitvoerbaar is, worde gewijzigd of opgeheven.

Maar over die wenschelijkheid spreek ik thans niet. Ik spreek alleen over art. 122 in betrekking tot de godsdienstvrijheid voor alle Protestanten, en ter wille hiervan is het niet^ noodzakelijk dat art. 122 gewijzigd of opgeheven wordt.

Ik zeide zooeven, dat er ter wille van de godsdienstvrijheid voor alle Protestanten in Indië geene noodzaak bestaat om art. 122 te wijzigen of op te heffen, en wel, omdat, gelijk de geschiedenis van dit artikel ons leert — en zeer duidelijk — dat het niet in den weg staat aan het constitueeren en bestaan van andere kerken of kerkgenootschappen behalve het Indisch Protestantsch kerkgenootschap.

Ik neem de vrijheid om hier in herinnering te brengen wat j, door mij ten bewijze hiervoor in de vergadering van 29 November 1888 gezegd is; ik zeide toen: > 0p de vraag van den heer Mackay, in de zitting van 8 Augustus 1854, of in Indië alle mogelijke kerkgenootschappen zouden erkend worden — bijv., wanneer zich daar eene Luthersche kerk vestigde, die van de Protestantsche Evangelische kerk geen deel^wilde uitmaken ^of eene Hervormde gezindte—^ antwoordde de Minister Pahud : »I)aaromtrent kan, dunkt mij, geen twijfel bestaan; dit volgt uit de bepaling in dit Vilde hoofdstuk opgenomen. Andere gemeenten en dus ook die, welke door den geachten spreker zijn genoemd, zullen in Nederlandsch-Indië evengoed als in Nederland worden erkend.""

Die uitspraak van den toenmaligen Minister, die geene tegenspraak vond aan de Regeeringstafel, noch bij de leden der Kamer, is zeker wel een afdoend bewijs dat art. 122 niet in den weg staat aan de Regeering hier en ook niet aan de Indische regeering, om aan andere gezindten dan de Indische Protestantsche kerk, het recht van bestaan, niet als vereeniging, maar als kerk te verleenen. En de Indische Protestantsche kerk heeft niet te vreezen dat haar door de erkenning van andere kerken; of kerkgenootschappen schade zal worden toegebracht.

Anders is het gesteld. Mijnheer de Minister, met het Koninklijk besluit van 1835, zooeven door mij genoemd.

Het eerste artikel daarvan luidt: »De Protestanten in Nederland zullen voortaan maar één kerkgenootschap vormen"; vandaar dat dit artikel met zijn aanhang noodzakelijk zal moeten worden ingetrokken, zal de Regeering het goed recht van al de Protestanten in Indië om zich als kerken te constitueeren, kunnen eerbiedigen.

Of er nu zulk een groot bezwaar tegen de intrekking van dit besluit bestaat, en de Regeering in moeilijkheden zou gewikkeld worden, waarmede zij met meerdere kerken of kerkgenootschappen te doen zou krijgen, kan ik niet inzien.

Waarom kan de Regeering niet in correspondentie treden met hetzij de synodale comraissiën van die kerkgenootschappen, of hetzij met de deputaten van de verschillende Gereformeerde gemeenten in Indië ? Die weg is zoo moeilijk niet, en zal ook in betrekking tot art. 123 de juiste weg zijn om, waar dit noodig is, met die commissiën of deputaten in overleg te treden over de geschiktste plaatsen voor de zendelingen.

Het zou den welstand der kerken in Indië bevorderen en hare zending in den meest geordende weg bevoordeelen.

Ik heb gemeend deze weinige woorden te moeten spreken om mijne erkentelijkheid aan den Minister te betuigen, en ook om enkele opmerkingen te maken in betrekking tot de uitvoering en de bezwaren, die er tegen zouden kunnen aangevoerd worden.

Niet dat de Minister, of de regeering in Indië, aan deze aanwijzingen of opmerkingen behoefte hebben, maar ik mag verwachten, dat het der Regeering en dezen Minister niet onverschillig zal zijn om te weten welke gevoelens onzerzijds daaromtrent bestaan.

Ik eindig dan ook met de wensch, dat deze Regeering en de tegenwoordige Regeering in Indië de eere zal hebben om de onderdanen van Nederland in Indië, die vrijheid te geven waarop zij naar recht aanspraak hebben en waardoor alleen hunne zaak goed bevorderd wordt.

Wanneer deze Regeering en deze Minister daartoe medewerken, dan zal dit bij vernieuwing een getuigenis zijn, dat Nederland nog altijd het land is waar godsdienstvrijheid en gewetensvrijheid op hoogen prijs wordt gesteld.

Doch daar kwamen de heeren Roessingh en Dr. De Visser tegen in verzet. De heer Roessingh zei in hoofdzaak:

Mijnheer de Voorzitter! Naar aanleiding van hetgeen bij de algemeene beraadslaging door den geachten uit Sliedrecht, bij wien de heer Donner zich thans aansloot, over de organisatie van het Protestantsch kerkgenootschap in het midden is gebracht, neem ik de vrijheid een oogenblik het woord te nemen.

Ik zou mij kunnen refereeren aan hetgeen vroeger, onder andere ook bij de behandeling van de begrooting voor 1895, over dat onderwerp hier door mij is in het midden gebracht, en zou dan natuurlijk, na dat gedaan te hebben, kunnen zwijgen, maar de oppositie tegen art. 122 van het Indisch Regeeringsreglement, zooals die vroeger hier gevoerd is, heeft eene geheel andere houding aangenomen; en ik acht het noodig daarop het eerst te wijzen.

Wanneer wij ons herinneren hoe de geachte afgevaardigde uit Katwijk telken jare aandrong op intrekking van dat art. 122, terwijl hij nu het behoud van dat artikel verdedigd, dan is er mijns inziens eene wijziging gekomen in diens opiniëD. Terwijl vroeger van die zijde dikwerf gewezen is op de vermeende willekeur van het Protestantsch kerkbestuur in Nederlandsch-Indië, en op de onmogelijkheid voor de Regeering om met dat bestuur tot wederzijdsch goedvinden te geraken omtrent gewenschte verbeteringen in de regeling van het kerkgenootschap, zooals art. 122 eischt, zoo was de dringende vordering telkens, dat artikel vallen. Die tegenstand was dan, ik wees er vroeger op, moeilijk te verdedigen en vol te houden. Immers, men was steeds bezig met onderlinge overeenstemming, al ging dit niet altijd even gemakkelijk. En ten bewijze dat zulk een wederzijdsch goedvinden wel gevonden kan worden en thans getroffen is omtrent enkele punten, verwijs ik dien geachten afgevaardigde naar het Koloniaal Verslag van dit jaar, bladz. 141, en op het Algemeen Verslag dfet Protestantsche Kerk in Neder-

landsch-Indië over 1893, bladz. 85, waar de wijzigingen waaromtrent de Regeering inNederlandsch-Indië en het kerkbestuur tot overeenstemming gekomen zijn, worden opgenoemd.

Nadat die tegenstand tegen art. 122 en de daarmede samenhangende regeling dezen grond verloor, komt nu de oppositie van andere zijde. Nu kan, zoo hoorden wij zooeven van den heer Donner, naar zijne meening art. 122 »< ? /blijven bestaan, en is hij het dus niet eens met den heer Kuyper, aan wien hij zich overigens aansluit. Deze toch veroordeelt dit artikel. In zijae redevoering, 11. week hier gehouden, trachtte hij duidelijk te maken, dat de tegenwoordige regeling van het Protestantsche kerkgenootschap in Indië ernstig inbreuk maakt op de godsdienstvrijheid der Protestanten. Hij sprak verder: > De Minister heeft dan ook zoo kras mogelijk het oordeel geveld ovei art. 122". Waarom? »Omdat de Regeering geen inbreuk vil maken op de godsdienstvrijheid". Nu moet ik eerst opmerken dat het mij werkelijk eenigszins begint te dwarrelen, wanneer ik eerst van die zijde hoor, dat een oordeel geveld moet woeden over art. 122, terwijl straks door den heer Doüner het voortdurend bestaan van dat artikel werd bepleit. In de Memorie van Antwoord, noch in de redevoering van den Minister heb ik er iets van bemerkt, dat deze zulk een oordeel velt over dat artikel en het komt mij voor dat dit slechts door een petitio principii d'; n Minister toegedicht wordt. En wel door deze. De Minister erkent, en te recht, dat hij geen inbreuk wil maken op de godsdienstvrijheid. Volgens den heer Kuyper staat art. 122 deze in den weg. Ergo veroordeelt de Minister dat artikel. Nu is het al zeer onwaarschijnlijk dat dit artikel de godsdienstvrijheid der Protestanten in i> (ederlandsch-Indië belemmeren zou.

Wanneer toch in ééne afdeeling van het Regeeringsreglement zulk eene tegenstdjdigheid werd aangetroffen, terwijl art. 119 de vrijheid van belijdenis voor ieder uitspreekt en art. 122 de godsdienstvrijheid belemmert, is hei a priori zeer onwaarschijnlijk dat het ooit de bedoeling kan geweest zijn.

Een oordeel, dat het bestaan van het Protestantsch kerkgenootschap de godsdienstvrijheid belemmert moet wel goede gronden hebben, die gewogen moeten worden vóór men het uitspreekt of steunt. Want ik ben het geheel eens in dit geval met den vorigen spreker. In Nederland zijn wij zeer gevoelig en te recht, voor de handhaving van de godsdienstvrijheid. Onder ons leeft nog de herinnering aan den strijd, welke hier gestreden is om gewetensvrijheid te verkrijgen. Tevens leert ons de historie hoe de Gereformeerde Staatskerk later in Nederland die godsdienstvrijheid voor menig andere gezindte zoo goed als onmogelijk heeft gemaakt en nu zij later verkregen is, zijn wij te recht dankbaar daarvoor en vreezen wij iets van dien kostelij leen schat te zullen verliezen.

Wil men echter beoordeelen of de Protestantsche Kerk in Indië de godsdienstvrijheid belemmert, dan moet ons duidelijk voor oogen staan wat men in dezen gedachtenkring onder godsdienstvrijheid verstaat. Waar misverstand mogelijk is omdat een zeer onderscheiden begrip aan godsdienstvrijheid gehecht kan worden, moet dat uit den weg worden geruimd. Absolute godsdienstvrijheid onderstelt absolute scheiding tusschen kerk en Staat. Elke kerk zou dan geheel onafhankelijk van den Staat moeten zijn, evenals de Staat onafhankelijk vau den invloed der kerk.

Zoo is het in Indië niet en zoo kan het niet zijn, vooral in eene kolonie niet. ïln mogen sommigen het ook wenschelijk oordeelen, ik geloof dat noch de Regeering thans, noch een van de Christelijke kerkgenootschappen, die in art. 122 bedoeld worden, dien wensch lou willen effectueeren. Zulk eene voUedige onaf lankelijkheid wordt dan ook door de heeren Huyper en Donner, met beider klaagtoon over beiemmerde godsdienstvrijheid niet bedoeld. Immers, indien zij bedoeld ware, zou men ook gekant moeten zijn tegen eenige bemoeiing van Regeetingswege met het religieuse vraagstuk, en ik heb niet een van beide sprekers zich daartegen hcoren verklaren. Maar verder zou dan ook mceten wegvallen elke financieele steun van Regeeringswege niet enkel voor een of meer kerkgenootschappen, maar ook voor de jiending.

Nu is het duidelijk dat de geachte'afgevaardigde uit Sliedrecht dit niet wenscht. ^Vel kwam er wijziging in diens gevoelen over art. 123, dat op de zending betrekking heeft. Terwijl de geachte afgevaardigde bij de behandeling van de begrooting van het loopende jaar o. a. zeide sdat de beperking die daarin (art. 123) aan de toelating van zendelingen nog altoos in den weg staat zeer beslist en stellig uit het Regeeringsreglement moet verdwijnen", sprak hij nu: sik ben tegen dat artikel niet om de zaak maarora den vorm". Hij oordeelde, dat eene missie om te arbeiden met de Regeering moet overeenkomen.

Hetzij men spreekt van toelating of van overeenkomen^ de zaak blijft toch dat voor eene vestiging het eindoordeel aan de Regeering blijft. Dus ook hier bemoeiing van den Staat, en geen absolute onafhankelijkheid der zending.

Eerst bij geheele onthouding der Regeering van alle zaken die het religieuse vraagstuk betreffen, zou er sprake kunnen zijn van onbeperkte godsdienstvrijhsid; maar dan zou even goed het geheele Vilde hoofdstuk van het Regeoringsreglement moeten verdwijnen. Zoodanige absolute scheiding bedoelt de geachte afgevaardigde uit Sliedrecht niet en zij bestaat ook niet. Men heeft een Protestantsch kerkgenootschap in Indië, waarvan de organisatie zich groad op het Koninklijk besluit van 1835.

Kan aan het bestaan daarvan eene grief ontleend worden, dat de godsdienstvrijheid niet verzekerd zoude zijn voor Protestanten in Indië ? Het Koninklijk besluit van 1835, welker intrekking thans door den geachten afgevaardigde uit Katwijk verlangd wordt, bedoelde waarlijk niet die godsdienstvrijheid te beperken of te verhinderen, terwijl art. 122 Regeeringsregiement die vrijheid bedoelde te versterken door een kerkbestuur aan het kerkgenootschap te greven, om zoo directen Staatsinvloed uit te slu'ten. Dat besluit voldeed destijds aan de behoef een en aan de gedachten, die vele hoofden omtrent dat onderwerp vervulden. Nooit zijn daartegen bezwaren uit Indie ingebracht, en van d.iar, waar, zooals de Minister terecht opmerkte < ie behandeling van deze aangelegenheid in de eerste pkats behoort, zullen ze toch eerst moeten komen.

In de 2de alinea van het eerste artikel van genoemd besluit werd ruimte gegeven voor het bexwaar, dat er mocht bestaan, tegen eene vereeniging van de Hervormde en Luthersche gemeente in Batavia. En zoo weinig heeft men bezwaren gevoeld dat die beide gemeenten met eigen goedvinden zijn ineengevloeid.

Slechts in den laatsten tijd hebben wij hier klachten van gekwetste godsdienstvrijheid gehoord. In het Voorloopig Verslag worden ze over­ gebracht, en de heeren Kuyper en Donner hebben er hier doen hooren.

De Protestanten in Nederlandsch-Indië worden gerekend tot één kerkgenootschap te behooren. Zoo luidt het eerste bezwaar.

Nu kan men daarover zeer verschillend oordeelen : het kan zijn, dat het voor een Gereformeerde bezwarend is, ook maar een enkel oogenblik gerekend te worden tot een kerkgenootschap, dat toch de leer van het Evangelie tot grondslag neemt en de Protestantsche beginselen belijdt; over een andermans gevoeligheid kan men moeilijk oordeelen. Maar kan het geene overgevoeligheid worden als men zoo klaagt, daar toch de beweerde krenking van godsdienstvrijheid geen werkelijke, doch slechts hoogstens denkbeeldig kan zijn? Werd ooit vanwege Regeering of kerk een onderzoek ingesteld bij iemand, die^in Indië kwam, hoe het met zijn doop of belijdenis stond? Hoe weet men dan of iemand Protestant is r Men kan het toch niet anders weten dan door eene vrijwillige wilsuiting van dien Protestant. Doet deze zich niet als Protestant kennen, dao zal ook wel geen kerkbestuur zich met zijn Protestantisme bemoeien; doet [hij het wel dan is dit eene vrijwillige daad en kan hij zich verklaren of hij tot het Protestantsche kerkgenootschap wil gerekend worden, dan of hij zich wenscht aan te sluiten aan eene andere bestaande gemeente, bijv. de Gereformeerde te Batavia, of de Christelijk Gereformeerde te ; Soerabaija, of brf de Engelsche kerk, die, naar ik van den Minister hoorde, ook rechtspersoonlijkheid heeft in Indië. Dat hier de vrijheid van godsdienst belemmerd wordt, kan ik niet zien, ol men moet al een heel scherpe microscoop gebruiken.

Wij hebben van den vorigen geachten spreker gehoord, dat die kerken slechts rechtspersoonlijkheid hebben, maar dat haar eigen bestaan aiet is gewaarborgd. Maar mij dunkt eene schending van godsdienstvrijheid ligt daar niet.

Ook waar gevraagd wordt eene inrichting van een kerkgenootschap naar eigen belijdenis en naar eigen beginselen, zou de vraag kunnen luiden aldus: of de beweerde schending van godsdienstvrijheid lin dit verband niet eerdei wordt omgezet hierin, of men wel in overeenstemming is met wat het kerkrecht van die gemeente is ? En ik vraag, of men in dit verband spreken moet van belemmerde godsdienstvrijheid, of van een niet toegeven aan de eischen van een kerkrecht van een zeker genootschap ? Ik meen dat hier verwarring en^dooreenmenging van begrippen is.

De heer Kuyper heeft in zijne rede o.a. gezegd, dat wijlen de Minister Keuchenius weinig of geene studie gemaakt had van /tet 'kerkrecht^\tTL dat daarom die twee gemeenten te Soerabaija en te Batavia op den verkeerden weg waren geraakt. Ik zou dezen Minister niet aanraden eene poging in het werk te stellen om wijlen den Minister Keuchenius ten opzichte van die studie te willen overtreffen, want hij zou dan eene zeer lastige zaak beginnen. Immers er bestaat geen kerkrecht in dien zin waarin het hier genomen wordt. Ieder kerkgenootschap heeft zijne theorie over de wijze waarop het meent dat het in verhouding tot den Staat moet staan en de Staat tegenover dat kerkgenootschap, over de inrichting, die het zich wenscht te geven, enz., theorieën die zich telkens wijzigen onder velerlei invloeden. Wordt het kerkrecht in dien zin genomen, dan kan men spreken van een Gereformeerd, van een Luthersch kerkrecht enz. en ook van een kerkrecht van de Protestantsche kerk in Indië,

Mag nu om aan de eischen van zulk een kerkrecht te voldoen, schade gedaan worden aan een ander kerkgenootschap, dat ook zijn kerkrecht, zijne organisatie heeft ? Zoo ja, dan staat de Regeering, die de godsdienstvrijheid te handhaven heeft, voor een zeer moeilijk geval. Zij heeft te zorgen dat de organisatie van het eene kerkgenootschap die van het andere niet hindert en desorganiseert. Immers leed dit kerkgenootschap schade, dan zouden van deze zijde weder komen klaagtoonen over beleediging van godsdienstvrijheid.

Is er een weg om uit de moeilijkheid te geraken, ik zal mij verheugen en dien gaarne zieB volgen. De Regeering bedenke in deze, dat men, hoe men ook organiseere, niet iets anders desorganiseere; men desorganiseere op die wijze niet het protestantsche kerkgenootschap, dat volgens het verslag in rSgs een aantal van 49.821 Protestantsche Europeanen en 214.726 Protestantsche inlanders als leden telde, waarvan het overgroote deel nooit een ander dan het Protestantsche kerkgenootschap gekend heeft en wier godsdienstvrijheid ook belemmerd zou worden indien het bij een door hen niet gekend genootschap moest worden ingedeeld.

De heer Donner stapt over alles heen en zegt: dat kerkgenootschap kan wel blijven bestaan ook als het besluit van 1835 ingetrokken wordt. Men meene niet dat die kerk zich zoo gemakkelijk zal weten te redden. De intrekking van het Koninklijk besluit — mogelijk kan het gewijzigd worden — zou desorganisatie van die kerk ten gevolge hebben. De heer Kuyper zeide bij het Aijeh-debat: seen zekere onrechtvaardig begonnen toestand, eenmaal historisch geworden, moet geëerbiedigd worden". Ik zeg niet dat ik dit geheel met hem eens ben; maar indien volgens dien geachten afgevaardigde in 1835 onrecht gepleegd is — quod nego - — dan is die toestand van dat kerkgenootschap thans toch historisch geworden en moet dien geëerbiedigd worden. Het is waar: de tijden veranderen; wat men toen niet gevoelde, kan tegenwoordig aanstoot geven. De wijze waarop het nieuwe kerkgenootschap moet erkend worden, zal spoedig gevonden moeten worden; zoo drong de heer Donner; maar ik geloof niet dat de zaak zoo gemakkelijk en spoedig op te lossen is als de heer Donner zich dat voorstelt. AI verheug ik mij dat hij terugkomt op zijne bestrijding van art. 122, zoo zou ik die quaestie niet gaarne op eens aangevat en in zijn geest beslist zien.

In verwacht van den Minister thans geen ander antwoord op de vraag hoe Zijne Excel lentie denkt over de quaestie, dan de Memorie van Antwoord ons gaf, maar wel hoop ik dat bij de_ overwegmg van de vraag of door de Regeering het fiat executie gegeven kan worden aan het bepaalde op de synode van de Gereformeerde kerk te Middelburg in 1896, waarbij de rechtspositie van de 2 gemeenten bij voorbaat reeds geregeld werd, naar de heer Kuyper ons mededeelde, niet vergeten worde dat het Protestantsch kerkgenootschap ook zijne rechten heeft die niet geschonden mogen worden.

En nahem verklaaarde de heer De Visser

Mijnheer de Voorzitter! Ik zal, in opvolging van uw raad, zeer kort zijn, maar het is mij eene behoefte, in aansluiting aan hetgeen de heer Roessingh gezegd heeft, een enkel woord te spreken ia antwoord op hetgeen de heer Kuyper verleden week en thans de heer Donner inzake de materie van den godsdienst in verband met et Regeeringsregiement van Nederlandsch-Indië esproken heeft.

De heer Kuyper heeft op de urgentie van die aak gewezen: maar het komt mij voor - dat, at urgentie in eene kerk of kerkgenootschap s, nog geene kan genoemd worden voor den inister van Koloniën, Vooral wees ik er op, at de heer Kuyper art, 122 een restant uit den ijd van het conservatief regime noemde, nameijk wat den invloed betreft die hier de Staat n kerkelijke zaken uitoefende. En dit nu meen k dat onjuist is.

In het wetsontwerp dat in 1854 werd ingeiend, stond alleen, wat art. 122 betreft: »In e bestaande inrichting en het bestuur der hristeüjke kerkgenootschappen wordt geene erandering gebracht, dan met goedvinden van en Koning."

Het is juist in dien tijd geweest, dat de clauule werd opgenomen: met wederzijdsch goedinden van den Koning en het bestuur van het etrekken kerkgenootschap. Het recht van inenging, dat in Indië in handen was gelegd iran de Regeering, dateert niet alleen van den ijd van i8r5 af, maar vroeger, van de dagen van de Comps.gnie, en is later verdund geworen, waar ook het goedvinden van het betroken kerkgenootschap in de artikelen werd opgeomen.

Ik zou niet gaarne zien, dat de Minister van oloniën toegaf aan de wenschen van de afgeaardigden uit Sliedrecht en Emmen.

Wat de zaak zelve betreft, komt het mij voor, at de wijziging welke de heeren Donner en Kuyper voorstellen, gering schijnt, maar dat zij van groot belang en overwegend gewicht is en dat de Minister haar niet behoort te accepteeren. Vroegen de heeren opheffing van de artt. 122 n 123, dan zou ik dat begrijpen, want daaraan zou het beginsel ten grondslag liggen van de cheiding tusschen Kerk en Staat. Maar nu; wil men deze artikelen gehandhaafd hebben, doch wordt er bij in overweging gegeven om in Indië vereenigmgen te beschouwen als kerken.

Het voorstel schijnt onschuldig te wezen, doch n den grond der zaak ligt daarin opgesloten pheffing van verbreking met het beginsel dat ten grondslag ligt aan het Regeeringsregiement, inzonderheid aan de artt. 122 en 123.

Tegen Indië toch heerscht dit beginsel vanaf de tijden der Compagnie met het oog op de talrijkheid der Mahomedaansche bevolking, dat de kerk staat onder scherpe controle van den Staat. Na 1795 zijn de verhoudingen zeer veranderd, maar in 1815 is dat beginsel weder opgenomen ; sedert heeft men die lijn voortgetrokken en men is dat beginsel tot heden toe blijven handhaven. Maar als men er nu toe komt om vereenigingen te beschouwen als kerken, dan moet men wel weten, dat hierdoor gebroken wordt met het beginsel dat sedert 1815 wordt gehandhaafd.

Nu meen ik dat van hun standpunt de afgevaardigden Donner en Kuyper rationeel zouden handelen, met opheffing te vragen van de artt. 122 en 123, maar dat zij bij' hun schijnbaar eenvoudig voorstel voorbijzien, dat bij aanneming er van wordt gebroken met het principe, dat sedert eeuwen door den Staat op de kerk in Indië toegepast is geworden.

Indien de heer Kuyper hier tegenwoordig ware, zou ik tot hem willen zeggen: gij hebt bij het Atjeh-debat gewaagd van erkenning van het recht van het ideaal en ook het recht van de werkelijkheid.

Zeker, het blijft een ideaal voor ieder Christen, dat er in Indië kome eene vrije kerk, maar de werkelijkheid verbiedt op dit oogenblik dat het daartoe zoo ver kan komen. Met die werkelijkheid voor oogen zou ik den Minister in overweging willen geven om de artikelen in den gegeven vorm te handhaven en niet over te gaan tot inwilliging van het gedaan verzoek.

De Minister zei daarop:

Mijnheer de Voorzitter! Ik had niet verwacht dat het debat nopens de artikelen 122 en 123 van het Regeeringsregiement bij dealgemeene beraadslagingen gevoerd, zou blijken maar een voorpostengevecht te zijn geweest dat nu hervat moest worden.

De geachte afgevaardigde uit Sliedrecht stelde voorop dat het debat over de Kerk in Indië eene eereplaats toekomt zoowel in de gewisselde stukken als m de algemeene beraadslagingen. Maar nu blijkt mij dat het debat op dit punt bij de algeme«ne beschouwingen slechts eene inleiding is geweest.

Waar het blijkt dat er tusschen hen, die hun geheele leven aan deze zaak gewijd hebben, zooveel verschil van gevoelen bestaat, is het voor mij zeer moeilijk dadelijk een oordeel over deze quaestie uit te spreken. Ik meen dan ook verstandig en voorzichtig te handelen, en in den geest van allen die over deze zaak gesproken hebben en die gezegd hebben: > geeft geen antwoord; neem geene beslissing, " door op het standpunt te blijven dat ik heb ingenomen in den aan'^ang van dit debat en in de Memorie van Antwoord, zoomede in het Koloniaal Verslag. Ik bepaal mij daarom slechts tot de verklaring dat ik met al den ernst, dien deze zaak waard is, zal overwegen wat er vroeger en ook nu van weerszijden daaromtrent gezegd is.

De heer donner weerlegde beiden, in dezer voege:

Ik moet beginnen met een antwoord te geven aan den heer Roessingh dien ik meermalen op dit gebied ontmoet heb en waarmede ik meer dan eenmaal op dit terrein eene lans gebroken heb. Het komt mij voor, dat de heer Roessingh mij niet goed verstaan heeft. Ik heb nadrukkelijk doen uitkoinen, dat ik in deze Kamer meermalen in het belang van de Indische kerken en in het belang van de Regeering gesproken heb over de noodzakelijkheid en het gewenschte van eene herziening of eene opheffing vaii art. 122. Op het oogenblik zal ik daartoe het zwijgen doen.

Wanneer ik meen dat art. 122 niet kan blijven bestaan, dan staat dit in verband met de materie die wij thans behandelen, dat is: de vrijheid van godsdienst voor alle Protestantsche kerken in Indië. Nu vraag ik aan een iegelijk die hooren kan, of ik op mijne schreden ben teruggekeerd, of ik in dit opzicht, gelijk men dit noemt, bekeerd ben, en of het billijk is, om over hetgeen door den heer Kuyper en mij gezegd is, bijna insinueerend te oordeelen, alsof 'wij zóó gespro ken hadden met de bedoeling om te verkrijgen wat wij gaarne begeeren zouden.

Wat aanbetreft het hoofdpunt zelf, dat door den heer Roessingh besproken is, namelijk of de vrijheid vai godsdienst in Indië bestaanbaar zou zijn met - iet behoud van het Koninklijk besluit van 1835, daarover zou een vernieuwd debat vruchteloos zijn, omdat onze kerkelijke beschouwingen, die van den heer Roessingh en mij, te ver verschillen van elkander, ook wat het kerkrecht aangaat. Maar de heer Roessingh kan uit dit artikel althans niet be'wijzen dat bq hét be­ houd daarvan, ook andere kerken als kerken kon* nen worden erkend.

Wat nu het verschil betreft omtrent het kerkrecht bij de verschillende gezindheden, dit ontken ik niet, maar dit is niet het eigenlijke punt in quaestie; het loopt niet over het kerkrecht van Gereformeerden in onderscheiding van dat van Lutherschen of van Doopsgezinden, maar het loopt hierover of een Cnristelijke of eene Protestantsche kerk zich kan bewegen in Indië, zooals zij zich naar haar karakter moet kunnen bewegen.

Wat ten slotte is ingebracht door den heer De Visser, dat heeft hoogelijk bevreemding bij mij gewekt.

Die geachte spreker toch heeft gemeend den Minister te moeten waarschuwen tegen hetgeen onzerzijds gezegd is, en niet af te gaan van hetgeen hij genoemd heeft een machtig beginsel, dat sinds eeuwen in Indië heeft geheerscht van de tijden der Compagnie af; die die Compagnie altijd het oog hield op den godsdienst en den godsdienst in haar gebied beheerschte. Het bevreemdt mij, dat de geachte afgevaardigde dat beginsel is toegedaan en het prijst, maar het bevreemdt mij nog meer, dat die geachte afgevaardigde zoo weinig met de historie bekend is, namelijk hiermede, dat onder deze Regeering dat machtig beginsel in Indië niet meer heerscht. Het be'wijs hiervoor is, dat de Roomsch-Katholieken in Indië hunne kerk hebben, wat Jan Compagnie nooit heeft toegestaan.

Mij dunkt, daarmede gaat dat| machtigeïbeginsel in de vlammen op, en heeft het geen bestaan meer. Deze Minister en^de Regeering hier en in Indië huldigen dan ook dit zoogenoemde machtige beginsel niet, en hebben aan de waarschuwingen van den geachten afgevaardigde, den heer De Visser, geene behoefte. Ik eindig. Mijnheer de Voorzitter, met, 'u: dank te zeggen voor de mij geboden gelegenheid om voor de tweede maal het woord te voeren.

Eu de heer De Savomin Lohman ondersteunde dit.

Mijnheer de Voorzitter! Ik kan mij zeer goed begrijpen dat, nu alle deskundigen welke zich over deze zaak uitiaten, een verschillend gevoelen blijken te bezitten, de Minister op dit oogenblik van zijn eigen gevoelen niet wil doen blijken.

Dit neemt echter niet weg, dat ik even moet opkomen tegen hetgeen is gezegd door den geachten afgevaardigde uit Rotterdam, den heer de Visser, Die geachte afgevaardigde zeide: dat wat urgent was voor de kerk in Indië, daarom nog niet urgent was voor de Regeering. Natuurlijk moet eene Regeering elke zaak van haar eigen standpunt bezien, maar desniettemin komt mij deze quaestie urgent voor, ook voor de Regeering.

Ik kom eveneens op tegen de bewering van den geachten afgevaardigde, ; dat de Protestantsche kerk heeft gestaan onder den Staat. Dat is geheel en al in strijd met de begrippen der Gereformeerde kerk in vorige eeuwen. Wel was er destijds verbinding tusschen kerk en Staat, maar het beginsel •— ik spreek nu niet van de practijk — was wel degelijk, dat de kerk niet stond onder den Staat. Het is echter altijd kwaad kersen eten geweest met groote heeren, en de ondervinding heeft ook hier geleerd, dat wanneer er eene zeer nauwe verbinding bestond tusschen kerk en Staat, de kerk daarvan de dupe werd.

Daarom bestaat er bg ons ook geene begeerte naar die nauwere verbinding van vroeger, maar evenmin is het wenschelijk, dat er in het geheel geen verband bestaat.

De Roomsch-Katholieke kerk heeft er altijd feestelijk voor bedankt zich op de een of andere wijze te plaatsen onder den Staat; vandaar dat die kerk ook in Indië hare volkomen inwendige vrijheid heeft behouden.

Daarom moet men het aan de Gereform eerde kerken in Nederland niet euvel duiden, wanneer zij ditzelfde verlangen. Men vraagt niet, gelijk de geachte afgevaardigde het deed voorkomen, dat alle vereenigingen, die zulks verlangen als kerken zullen worden erkend; men vraagt aUeen, dat wanneer in Indië kerken gevestigd zijn, aangesloten bij de bestaande kerken in Nederland, die Indische kerken dan ook evengoed als kerken erkend zullen worden als de kerken in Nederland. Wat voor reden kan er toch zijn, om, wanneer eene hier te lande gevestigde kerk ook eene kerk in Indië wil oprichten, met haar verband houdende, om dan niet te zeggen: gij zijt evengoed georganiseerd als kerk en hebt dus dezelfde rechten als de kerk in Nederland. Of men nu al dan niet het Protestantsche kerkgenootschap wil behouden is eene quaestie die, mijns inziens, van betrekkelijk weinig gewicht is, althans uit staatkundig oogpunt. Maar wel van gewicht is de vraag, of door de Regeering niet moet worden mogelijk gemaakt of gemakkelijk gemaakt, het stichten van nieuwe kerken in Indië. Zij die dit verlangen, wenschen echter geene vrijheid voor de kerken in dien zin, dat deze volstrekt niets met de Regeering te maken zouden hebben. Neen, tegen het plegen van overleg met de Regeering bestaat geen bezwaar maar men wenscht niet afhankelijk gesteld te worden vanjde inzichten van het Protestantsche kerkgenootschap.

Ik kan mij niet begrijpen hoe beide heeren, die over deze zaak het woord hebben gevoerd, tegen dezen wensch bezwaar kunnen hebben. Het gewichtig beginsel dat de Staat ook zeggenschap moet hebben wordt daardoor niet ver-~ zwakt. Het is niet de bedoeling de Regeering afhankelijk te maken van het goedvinden van elke kerk, maar men verlangt alleen de vrijheid om eene kerk op te richten, al is deze niet aangesloten bij de Protestantsche kerk in Nederland. In dien wensch zie ik niets onbiUijks, en aangezien ik weet dat in Indië urgentie te dien aanzien bestaat, dat op alle wijzen daar de prediking van het Evangelie moet worden bevorderd, dat èn de Minister van Koloniën daarmede instemt èn ook vele anderen thans anders over dit punt denken dan vroeger, zoo hoop ik dat deze Minister zoo spoedig mogelijk zal bevorderen de mogelijkheid van oprichting van kerken in Indië.

Natuurlijk kon de Minister nog geen decisie nemen. Al wat hij doen kon, was onderzoek toezeggen.

Het is dan ook voor een minister, die geheel buiten de kerkelijke aangelegenheden staat, een niet zoo gemakkelijk probleem om op te lossen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 december 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Kerkelijk debat.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 december 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken