Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Pers.

5 minuten leestijd

Onder deze rubriek nemen we ditmaal een artikel op van Dr. Nolens, het lid der Kamer, dat onlangs het sociale vraagstuk in de Kamer zoo moedig bepleiten dorst, misschien wel wa eenzijdig, maar toch zoo dat het aller hart toesprak.

Welnu, van denzelfden schrijver verscheen in de Venloosche Courant een reeks artikelen over de onmisbaarheid van degelijke philosophische studie, waarvan we de inleiding althans aan onze lezers, vooral aan de klassiek gevormden onder onze lezers, en met name aan studenten willen voorleggen.

Hij schreef aldus:

Een eerste dringende eisch voor de kracht en de eenheid van het Katholieke deel van het Nederlandsche volk in het bijzonder, voor den invloed der Christelijke partijen, en voor het welzijn van het geheele land — komt mij voor te zgn: de methodische beoefening der wijsbegeerte.

Een eisch die gesteld moet worden, die zichzelf stelt aan allen die geroepen zijn hoogere studiën te maken, aan allen aan wie het voorrecht van hoogere begaafdheid of gunstiger materiëele positie de verplichting oplegt diensten van intellectueel-zedëlijken aard aan medeburgers, kerk, staat te bewijzen.

Een enkel woord ter toelichting dezer stelling.

Wij spreken hier van eene methodische beoefening der wijsbegeerte, en verstaan daardoor: eene geregelde studie dezer wijsbegeerte gedurende een of meer jaren aan de hand van een bepaald leerboek onder leiding van leeraren.

Het gebied van het menschelijk weten, het veld van zijto onderzoek is onbeschrijflijk uitgebreid — de gevaren voor dwaling zijn in dezelfde mate talrijk.

Wegens de beperktheid van zijn kenvermogen kan de mensch alleen door scheiding, onderzoek, redeneering tot de kennis komen van bepaalde groepen van wezens en verschijnselen.

Het geheel der kennis, vormende een reeks van bewezen en met elkaar in verband staande stellingen, maakt eene afzonderlijke wetenschap uit.

Hoe verder die splitsing wordt doorgezet, hoe meer die groepen gespecificeerd worden, — te meer onderdeelen in de wetenschap.

Hoezeer deze verdeelingen zich ook vertakken, al die afzonderlijke deelen der wetenschap steunen toch op, ontleenen hunne kracht aan de kennis van de meest algemeene beginselen van al het zijnde, en van het kenvermogen-zelve van den mensch.

ledere wetenschap is de kennis van een groep van wezens uit hunne oorzaken.

De wijsbegeerte is de kennis van al het bestaande in zijn meest verwijderde, voor den mensch naspeurbare beginselen, zij ligt aan de andere ten grondslag en munt boven deze uit door omvangrijkheid en diepte.

Het zou ons te ver brengen, wilden we dit in bijzonderheden aantoonen.

Dit eene zij hier nog bijgevoegd:

De kennis uit boveimatuurlijke bron, uit de openbaring, rust op de natuurlijke kennis, vernietigt deze niet, veronderstelt ze en volmaakt ze.

Na deze algemeene gegevens vooropgesteld te hebben, aarzel ik niet, al is 't met passende bescheidenheid, de steUing uit te spreken: dat de studie dezer wijsbegeerte noodzakelijk is voor allen, die een wetenschappelijk beroep kiezen en voor allen, die op de een of andere wijze als leiders, voorlichters wenschen op te treden.

Noodzakelijk voor hen zelven en voor anderen.

Ik wil hier niet stilstaan bij het meer speculatiefindividuëele voordeel: er niet op wijzen dat het hoogste genot van den redelijken mensch gelegen is in het generaliseeren, het terugbrengen van wat zich aan hem voordoet, van de kennis der onderdeden, tot oorsprong, en het in verband brengen met doel.

Analyse vindt volmaking in synthese.

De kennis van den loop van ieder hemellichaam afzonderlijk vormt niet den astronoom — eerst de kermis van de algemeene wetten van dezen loop: zoo krijgt ook iedere wetenschap slechts volle beteekenis, als ze in verband gebracht en gedacht wordt met het middenpunt, waarvan ze als straal uitgaat.

Ik wil er ook slechts met een enkel woord op wijzen dat het overzien van het geheele veld van menschelijk kennen, al is 't in groote omtrekken, ruimer, minder door vooroordeel benevelden, blik geeft op de onderdeelen; dat dit overzien maakt meer bedachtzaam, voorzichtig, minder apodictisch; dat het leert onderscheid te maken, om nu maar iets te noemen, tusschen stelling, bewering, redeneering, bewijs, meening, zekerheid, het absolute en het contingente, het wezenlijke en het accidenteele enz.

Eerst onder het licht der wijsbegeerte worden de zoo dikwijls aangehaalde woorden van den Heilige Augustinus: »in het noodzakelijke eenheid, in 't twijfelachtige vrijheid enz." — eerst dan worden die woorden meer dan klank, wijl men alleen onder dat licht in staat is eenigermate, meer dan anderen ten minste, te onderscheiden wat dan toch wel tot het noodzakelijke behoort.

Ik wensch heden de aandacht te vestigen op het volgende: deze algemeene wijsgeerige opleiding vormt een onmisbaten grondslag tot behoud van het geloof, tot diepe worteling van godsdienstige overtuiging bij hoogere studiën.

De kennis uit openbaring, het geloof, steunt op natuurlijke.; motieven van geloofwaardigheid.

In deze motieven bestaat relativiteit; d. w. z.: de natuurlijke zekerheid, die de mensch heeft over het feit der openbaring moet grooter zijn naarmate hij meer ontwikkeld is, en meer vatbaar voor de opwerpingen die daartegen kunnen gemaakt worden en gemaakt plegen te worden.

Waarom nu de oogen sluiten voor het gevaar waaraan ieder meer ontwikkelde wordt blootgesteld?

Ieder Christen, ieder Katholiek dus ook, die vooral aan hoogescholen maar ook daarbuiten, een meer wetenschappelijke opleiding geniet, heeft een harden strijd te voeren. Omstandigheden kunnen die strijd verzachten, genade kan en moet helpen en helpt, toch is het m. i. onweerspreekbaar dat veel overtuiging, veel geloof en veel deugd te loor gaat en bezwijkt, wijl de grondslag niet sterk genoeg is om den bovenbouw te dragen.

Wijl de sterkte niet hecht genoeg is om de aanvallen te weerstaan.

Voor allen zijn die aanvallen tegen den positiefchristelijken godsdienst aanhoudend en veelzijdig.

Deze aanvallen behoeven volstrekt niet te bestaan in positieve bestrijding en bespotting — misschien zijn nog gevaarlijker de latende, negatieve, zelfs niet opzettelijke negeeringen: het doodzwijgen.

Zij die ondervonden hebben, en zij die over behoeften die deze toestand schept nader oordeelen moeten, eischen geen verdere verklaring.

In een volgend artikel komen wij op deze zaak terug.

DR, 5W.: H. NOLENS.

Wat Dr. Nolens zijn Roomschen geloofsgenooten toeroept, binden ook wij aan onze Gereformeerde broederen op het hart.

Verwaarloozing van deze studie, is u zelven onbekwaam maken tot verweer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken