Bekijk het origineel

Onze Eeredienat.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onze Eeredienat.

9 minuten leestijd

XI.

Van de formulier-^^^^«& « komen we van zelf tot het formulier-/«> (5? . En hier keert zich op eenmaal de verhouding om. Bij het lied wil ieder het formulier-lied. Er is niemand die er ook maar van verre aan denkt anders dan het vooraf geformuleerde lied te gebruiken. Bij het gebed willen velen nog altoos enkel improvisatie, maar een improviseerend zingen staat niemand voor.

Als er klank en toon, als er zang en lied in de vergadering der geloovigen van de gemeente zelve zal uitgaan, dan voelt ieder dat het niet anders kan; dat het dan van te voren in lied gebracht, gedrukt, aan een ieder uitgereikt moet wezen; en dat, hetzij men uit zijn hoofd of van het blad ziugt, een ander lied dan het formulier-lied in de kerk ondenkbaar is.

Daarom wezen we er reeds op, dat in het foTmnüei-lied zoo dikwijls een formulier-^^'-^^< /opgaat. Tal van psalm verzen zijn geèeden, 't zij dan smeekingen, 't zij lofverhefHngen, 't zij dankzeggingen, maar, onder wat vorm ook, zangen dan toch, waarin de gemeente haar God aan-en toespreekt, en aldus vindt niemand in het formulier-gebed, mits het maar in dicht zij, bedenking. In proza geen formuliergebed, in poëzie of dicht niet anders dan het formulier-gebed. Ieder gevoelt de inconsequentie.

Maar dit nevenpunt nu ter zijde latende, en ons tot het formulier-lied als zoodanig bepalende, komen we terstond voor deze andere quaestie te staan, of de gemeente zelve haar lied voor den zang formuleeren mag. Gelijk men voelt: de psalmquaestie, die hier nadere toelichting vereischt.

Jarenlang is, toen de verwarring in het kerkelijk leven nog aanhield, ten deze geargumenteerd niet uit het beginsel, maar uit het geldend recht.

Onze vaderen hadden alleen het zingen van Psalmen in de vergadering der geloovigen geoorloofd verklaard. Een onwettige kerkelijke macht had daarna gezangen ingevoerd. En uit dien hoofde en op dien grond verklaarde men zich tegen de gezangen, zong ze niet mede als ze waren opgegeven, en heeft men zich bij het kerkherstel weer op het wettige standpunt geplaatst om alleen e Psalmen te zingen.

En wat ook door Ds. Schouten e. a. iertegen is aangevoerd, de onderscheiding is lijven doorgaan. De afzwevende en afwervende groep ging met de gezangen door n verder, en daartegenover was een standoudende groep, die bij Belijdenis en Kerenordening staan bleef, en deze zong alleen e Psalmen.

Verwarring slechts gaf het, dat de toenalige strijd nu eens naar het geldend echt, en dan eens kwansuis uit het beginsel evoerd werd, en daardoor niet tot oplosing kon komen.

Thans kunnen we hierin iets verdergaan. e geestelijke dwmgelandij van onwettige p v machten, die aan de gemeente haar vreemde liederen oplegde, heeft uit, en de dominocratie, die het van den predikant liet afhangen, wat gezongen zou worden, nam een einde. Voor willekeur is weer recht gekomen, en hierdoor is het terrein vrij voor principieele discussie.

Is hierbij nu het standpunt in te nemen, dat de gemeente zelve het recht mist om te formuleeren het lied, waarmee ze Gode zal toezingen?

Zie, men bidt tot God in proza en in dicht.

Is er nu iemand die beweert, dat de gemeente het recht mist, om zelve hetzij in proza, hetzij in dicht haar gebeden, haar aansprekingen van het Hoogste Wezen te formuleeren ?

Ons is zoo iemand niet bekend.

Het vrije gebed immers is steeds in onze kerken gehuldigd. Formulier-gebeden hebben onze kerken in den beginne vaak zelve opgesteld. En nooit heeft men beweerd, dat er in de kerk aiet anders mocht gebeden worden dan met gebeden, die in de Heilige Schrift, in of buiten den Psalmen, voorkwamen.

En toch dat alleen zou de strenge consequentie zijn.

Komt het der gemeente niet toe, zoo dikwijls zij het Hoogste Wezen toespreekt, dit anders te doen dan in taal en woorden, die ons in de Heilige Schrift gegeven, en als zoodanig geformuleerd zijn, dan maakt het geen onderscheid, of die toespreking van het Eeuwige Wezen, dat bidden, loven, danken, in proza of in dicht geschiedt, maar dan moet de vrije formuleering, hetzij door den predikant, hetzij door de gemeente van formulier-gebeden of formulierliederen, ganschelijk zijn afgesneden, en mogen we niet anders in de gemeente bidden dan met een gebed uit de Schrift, en niet anders in de gemeente zingen dan met een lied uit de Schrift.

Doch er is meer.

Is het zelf formuleeren van gebed en lied voor de gemeente niet geoorloofd, dan moet de Psalmen-quaestie veel scherper gesteld worden.

Niet aldus, dat we de Psalmen in het Hebreeuwsch zouden moeten zingen, gelijk wel beweerd is. Dit is onzin. Vertalen is niets anders, dan ons toespreken op door ons verstaanbare wijze, gelijk de oorspronkelijke tekst de Joden toesprak in hun taal.

Maar, en dit mag niet over het hoofd gezien, vertalen is heel iets anders dan zelf berijmen.

In de Engelsche Episcopale kerk zingt men de Psalmen in proza, onberijmd, juist zooals ze door ons gelezen worden. En dit kan door het dusgenaamde recitatief.

We zeggen niet dat het te verkiezen is, maar het gaat. Het blijkt mogelijk te wezen. En wie acht dat aan de gemeente elk recht om zelve te formuleeren moet ontzegd worden, moet zeer stellig ook dit standpunt kiezen.

Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men slechts naast elkander te leggen onze vertaalde en onze berijmde Psalmen, gelijk de eerste in onze Overzetting, en de tweede achter den Bijbel in ons kerkboek staan.

En dan willen we van de nu gebruikte berijming geen kwaad spreken, doch verheeld mag toch niet, dat ze niet alleen de gedachten der Psalmen zelve formuleert, maar er zelfs niet zelden andere gedachten invoegt, ja een enkel maal zelfs de gedachte der Psalmen verandert en in haar tegendeel omzet.

Doch hierop gaan we nu niet in. Genoeg, zoo maar vaststaat, dat in de Psalmen, gelijk we die thans zingen, wel terdege eigen formuleering aanwezig is.

Dit raakt niet ons geschil met de Ledeboerianen. Dtit deze voor de Psalmen van Datheen opkomen raakt alleen een kerkelijk geschil. Ook Datheens Psalmen zijn door hem zelven geformuleerd. In zooverre staan beide berijmingen dus op voet van gelijkheid. Wat waarde van dichtkunst betreft, staan Datheens Psalmen lager, de nu gebruikte hooger, waartegenover staat dat de diepe geloofstoon in Datheens benjming vaak aangrijpender weerklinkt. Maar het geschil ten deze loopt alleen over de vraag, of de berijming die wij gebruiken op kerkrechtelijk wettige wijze is ingevoerd, en dan geven we toe, dat dat niet zoo wns, maar beweren tevens dat het nu zoo is.

Het tvas zoo niet, want ze kwam in de kerken zonder een besluit der Generale Synode. Maar nu is het wel zoo, want ze geldt nu onder goedkeuring van wettig saamgeroepen Synoden der Gereformeerde kerken in Nederland.

Doch hoe dit ook zij, en hoezeer er op dient aangedrongen te worden, dat de Synode althans enkele stuitende uitdrukkingen uit deze berijming wegneme, het feit blijft vaststaan, dat ook onze Gereformeerde kerken voor de berijming der Psalmen het recht aan zich hebben gehouden, om de Psalmen zelve te formuleeren. Zelfs hebben ze aan het gebruik der Psalmen nog het gebruik van enkele andere liederen toegevoegd; wel bij manier van exceptie maar toch ook dit zouden ze niet hebben kunnen doen, bijaldien het vaststond, dat men in Gods recht ingreep door voor den zang in het midden der gemeente ook maar iets zelve te formuleercn.

Dit recht van eigen formuleering achten we derhalve historisch en kerkrechtelijk vast te staan, voor de proza-gebeden onbetwist, voor de gezongen gebeden in beginsel.

Ook leert de Schrift ons niet anders.

Nergens blijkt dat de apostelen het gebruik van de Oud-Testamentische gebeden of liederen in hun oorspronkelijken vasten vorm als het eenig denkbare of geoorloofde aan de gemeenten hebben opgelegd.

Als er in I Cor. 14:36—33 staat: gt; Wat s het dan, broeders ? Waimeer gij samenomt, een iegelijk van u heeft hij eenen salm, heeft hij eene leere, heeft hij eene reemde taal, heeft hij eene openbaring.

heeft hij eeae uitlegging; laat alle dingen geschieden tot stichting. En zoo iemand eenc vreemde taal Spreekt, dat het door twee, of ten meeste drie geschiede, en bij beurte; en dat één het uitlegge; maar indien er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de gemeente, doch dat hij tot zichzelven spreke, en tot God, En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordeelen; doch, indien eenen anderen, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge. Want gij kunt allen, de één na den ander, profeteeren, opdat zij allen leeren, en allen getroost worden. En de geesten der profeten zijn den profeten onderworpen; want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in alle de gemeenten der heiligen, " — dan kan de uitdrukking: eeft iemand een psalm, blijkens het duidelijk verband, niet beteekenen: ndien iemand een psalmvers ia de gedachten komt, en hij geeft dit op. Dit kan niet, omdat hier sprake is van charismata, d. i. van geestelijke gaven, omdat er gesproken wordt van het zwijgen van de anderen, onderwijl er één spreekt, en overmits hier gehandeld wordt over een profetische gave in de gemeente, d. i. van een gave om onder de bezieling van den Heiligen Geest in het midden der gemeente op te staan, en hetzij in hemelsche klanken, hetzij in profetie, hetzij ia dichtmaat lovend en dankend te getuigen. En evenzoo kunnen ^psalmen, gezangen en geestelijke liederen" in Ef. 5 : 19 niet slaan op de verschillende opschriften der Psalmen, maar doelen op vrije geestesuiting. Iets, waarbij wel in het oog worde gehouden, dat in I Cor. 14 van extraordinaire gaven des Geestes sprake is, en dat in Ef. 5 : 19 gehandeld wordt van een nog apostolische gemeente, waaruit men allerminst tot de gemeente van thans concludeeren mag.

Hier echter staat tegenover:

i^ dat ons in de Heilige Schrift geen afzonderlijke bundel gebeden, maar wel een afzonderlijke bundel Psalmen is geboden;

2'. dat de Psalmen in diepte van geestelijken gang verre alles te boven gaan, wat zich daarna als kerklied aandiende of daarboven heeft pogen te stellen;

3*. dat het vrije lied bijna nergens in de kerken indrong, of het heeft straks de neiging geopenbaard, om de Psalmen eerst terug te dringen en dan op zij te zetten;

4". dat in de Psalmen de blijvende, eeuwige grondtoon van het vroom gemoed weerklinkt, onderwijl alle kerklied meest een tijdelijk karakter droeg, en de eenzijdige opvatting van het oogenblik in de kerken Gods ijkte;

5". dat het vrije kerklied bijna allerwegen tot allerlei koorgezang geleid heeft, waarbij de gemeente ten slotte zweeg; en

6". dat in den strijd tusschen lied en Psalm, de onverschilligen in de gemeente allen tegen de Psalmen en vóór het hcd partij trokken, terwijl de vromen steeds meer vóór de Psalmen tegen het vrije lied kozen.

Iets waarmee natuurlijk niet bedoeld is, dat wie meê voor het vrije iied pleitte, daarom buiten de vromen stond. Wie zou Luther buiten de vromen willen sluiten ?

Maar over het algemeen dunkt ons toch, dat bovenstaande zes stellingen in haar verband de waarheid-der ervaring op dit terrein uitdrukken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Onze Eeredienat.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken