Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

18 minuten leestijd

DERDE REEKS.

XXXI.

Door groote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende. Pred. 10 : l8.

De graad van kracht, waarmede onze zondige natuur de zonde bij ons tot uiting brengt, hangt dan, gelijk we zagen, tot op zekere hoogte af i". van onze herkomst uit het vaderlijk en moederlijk geslacht, 2". van onze geboorte uit die en die bepaalde ouders, 30. van onze opvoeding, en 4". van de omgeving, v> 'aarin we zijn opgegroeid van kind tot man. Thans voegen we hieraan toe ons beroep en ons lot. Niet natuurlijk om deze beide factoren van onze persoonsvorming bij het licht van Gods bijzondere Voorzienigheid te beschouwen, maar ten einde te doen uitkomen, hoe ook beroep en lot vaak middelen zijn waarvan God zich bedient, om de doorwerking van het zondegif in ons te temperen. Alleen door die tempering toch vallen ook deze beide factoren onder de gemeene gratie.

De keuze van zijn beroep staat volstrekt niet in ieders eigen macht, en dit zoo weinig, dat velen zich zelfs inbeelden, geen Goddelijk beroep te hebben met al; iets wat met name geldt van jonge mannen zonder vaste aanstelling, van renteniers, van gepensionneerde personen, en van ongehuwde vrouwen. En in zekeren zin moet erkend, dat in al zulken levensstaat het levensberoep nog niet, of niet meer, vast begrensd is. Onder beroep in engeren zin verstaat men eene dagelijks wederkeerende verbondenheid tot het verrichten van een arbeid, die gericht is op een bepaald doel. Aanstelling is geen vereischte. Een winkelier ontving van niemand aanstelling, en weet toch zeer wel, dat hij een vast beroep, met aangewezen doel, en telkens wederkeerenden, arbeid heeft. In de menschelijke samenleving moet eiken dag een onmetelijke massa arbeids verricht worden van allerlei aard. Die massa arbeids verdeelt zich onder hen die er in saamlcven, en in dat deel arbeids dat óns hieruit is aangewezen, vinden we ons beroep; en alleen de gewoonte heeft, hoezeer ook ten onrechte, er het spraakgebruik toe gebracht, om de huislijke saamleving, en dus ook den huislijken arbeid, hierbij niet in rekening te brengen. Een winkelier heeft zijn huisgezin én zijn beroep, d. i. zijn winkel. Een naaister, die een enkelen dag op naaien in een gezin is, wordt geacht een beroep uit te oefenen. Maar de huismoeder, die in dat zelfde gezin eiken dag van 's morgens vroeg tot 's avonds laat bezig is, heeft, naar dat foutieve spraakgebruik, zulk een beroep niet.

Deze engere opvatting heeft haar oorzaak in tweeërlei. Ten eerste hierin dat men bij beroep meer aan den man dan aan de ï/wz/zf denkt; en ten andere dat men bij beroep denkt aan iets waardoor men zijn brood verdient, of waarin men zijn bestaan vindt. Toch ligt in het begrip van beroep noch het één noch het ander. Een weduwe kan evengoed aan het hoofd van een winkel of kleine fabriek staan, als dit vroeger haar man deed; en al zijn er schrijvers en kunstenaars die met hun werken, niet alleen niets verdienden, maar soms nog schade leden, toch konden ze daarom zeer wel zijn: ! schrijvers of kunstenaars van beroep.

Geheel het menschelijk leven als zoodanig overziende, en niemand uitsluitende, hebben we dus volle recht, om te dezer plaatse onder beroep alle geregelde bezigheid te verstaan, \vaaraan we dagelijks onze krachten onzen tijd te wijden hebben; en in dien zin nu is niemand zonder beroep, en is het juist een fout van zoo velen dat ze hun beroep niet inzien. „Ik doe nu maar niets, want ik wacht op een betrekking". „Ik doe nu niets meer, want ik heb mijn pensioen". „Ik heb niets uit te voeren, want ik leef van mijn rente". „Ik heb niets te doen, want ik leef nog bij vader thuis", — zijn altegader uitingen van gemis aan roeping en aan plichtsbesef. Een ieder moet werken; moet werken eiken dag; moet werken met alle kracht; hetzij tot verhooging van eigen persoonlijke waarde, hetzij om anderen bij te staan, hetzij om anderer verwaarloosde belangen waar te neinen; en wie weet, hoe onbegrijpelijk veel nog eiken dag ongedaan bleef, dat toch op afdoening wachtte, kan het niet genoeg betreuren, dat door zoo veler nietsdoen van .eiken morgen tot eiken avond zulk een on-. : gelooflijke schat van menschelijke levenskracht teloor gaat. In het onderhavig verband van ons beroep sprekende, verstaan we daaronder derhalve alle geregelde bezigheid, waaraan we dagelijks onzen tijd en onze kracht te wijden hebben, in of buiten vaste betrekking, met of zonder loon, buitenshuis of jn den huislijken kring.

Dit beroep nu is zeer uiteenloopend van aard, en voor allerlei soort van menschen geheel verschillend, maar oefent juist door dat sterke onderscheid op elks persoonsvorming een zoo sterken invloed uit. Dit is zoo waar, dat, in het groot genomen, de hoofdberoepen zelfs op de uitwendige verschijning van den mensch hun stempel afdrukken. Onder een gezelschap dat saam op een boot reist, herkent ge, ook zonder iemand persoonlijk te kennen, al spoedig wie de predikant, wie de notaris, wie de dokter, wie de schoolmeester, wie de winkelier van het dorp is. Ook al dragen allen een gewone burgerkleeding, toch verraadt uitdrukking van het gelaat, wijze van optreden, manier van spreken en houding, al spoedig met wien ge te doen hebt. Aan zulk een beroep is nu gemeenlijk ook een zedelijke zijde, We bedoelen hiermede, dat elk beroep zijn eigenaardige verleidingen medebrengt, maar ook zijn eigenaardig schild tegen allerlei zonden biedt. Een winkelier b. v. moet heel den langen lieven dag in zijn winkel blijven; de verleiding om veel uit te gaan, en in de gelagzaal om te dolen, bestaat dus voor hem niet. Daarentegen is het achtste gebod gedurig worstelend met zijn consciëntie. — Een predikant wordt door zijn beroep niet afgeleid van de uitwendige godsdienstvormen; integendeel, zijn beroep roept hem telkens naar het vrome terrein; maar omgekeerd ligt het gevaar voor Farizeïsme op zijn weg. Een naaister die uit naaien gaat, kent minder dan een dochter in den huize de verleiding tot verbeuzelen van haar tijd, maar haar gaan van huis in huis stelt haar aan het gevaar bloot van achterklap en misbruik van vertrouwen. En zoo kan van ieder beroep gezegd, dat het ééne beroep meer, het andere minder, zekere verleiding tot zonde, en zekere beschutting tegen zonde met zich brengt. Gemeenlijk heeft dit nu de uitwerking, dat een ieder scherp gekant staat tegen de zonde waartegen zijn beroep beveiliging aanbiedt, en daarentegen hchter telt de zonde die zijn beroep smakelijk maakt. Toch moest het omgekeerd wezen. Juist tegen die zonde, waartoe ons beroep zekere verleiding met zich brengt, moesten we ons dubbel scherp wapenen, en eer ten opzichte van zonde waaraan we door ons beroep minder bloot staan, toegeeilijk wezen. Maar hoe dit ook zij, feit blijft het, dat ook ons beroep, en dat in geen geringe mate, inwerkt op onze zedelijke vorming, nu nog buiten zaligmakende genade genomen.

Ook die verdeeling van het beroep onder menschen is nu in Gods hand. Dat David eerst herder van beroep is, en daarna het beroep van koning ontvangt, in Gods bestel. Verwarring voor ons besef komt daarin alleen, wanneer het een beroept geldt, dat we zelven te kiezen hadden. „Wat zal ik worden .? " is de groote levensvraag, die eiken jongen bezig houdt en het ouderhart vaak met kommer vervult. En al is het dat het jonge meisje deze vraag minder openlijk stelt, ook voor haar toch hangt aan die vraag wel terdege haar toekomst. En ook later nog als men in het ambt getreden is, keert die zelfde vraag weder, zoo dikwijls men voor de keuze staat, om of te blijven waar men is, of van standplaats te veranderen. Dan kiezen wij, en vergeten om die keuze, dat het toch God is, die over ons beschikt. Die tegenstelling tusschen onze keuze en Gods bestel kunnen we dan op het oogenblik zelf niet anders dan in het gebed te boven komen; maar als we een tiental jaren verder zijn, en terugzien op die keuze in ons verleden, wordt het toch voor de meesten duidelijk, dat God voor hen en door hen gekozen heeft. Van die waarheid hier uitgaande, stellen we alzoo, dat het God is, die, als albcstierend Koning, ons beroep voor ons bepaald heeft, en die bepaling van ons beroep ook met omt zedelijke vorming in verband zette. Strekt alzoo ons levensberoep, om ons op te heffen, om ons verleiding te sparen, om ons prikkels tot wat lieflijk is en wel luidt te geven, zoodat de booze vuurgloed der zonde in onze verdorven natuur eer gedempt, dan aangewakkerd wordt, zoo is ons beroep in Gods hand een middel, om de gemeene gratie, die de zonde stuit, in ons te doen werken.

In het gemeen nu kan dit van elk beroep gezegd worden. Luiheid, zoo oordeelt de volkswijsheid in haar spreekwoord, luiheid is des dnivels oorkussen. Juist het beroep nu geeft arbeid, arbeid onder zeker verband, arbeid die ons bindt aan zekere orde en regelmaat. Zulke arbeid bant ledigheid, onderdrukt de willekeur, leert zich onderwerpen aan zekere tucht des levens, en is als zoodanig reeds een der machtigste'factoren waarvan God zich bedient, om het uitbreken der zonde tegen te gaan. Uitgangsdagen, als er niet gewerkt wordt, zijn gemeenlijk dagen van veel grover uitspatting, dan dagen van geregelden dienst. Terstond na den val wordt aan Adam dan ook de arbeid opgelegd als straf, ja, maar als voorbehoedmiddel tevens. Arbeid is het r--.; '; _")phylactisch middel tegen de heerschappij der zonde in ons hart. Hard werken beneemt vaak den tijd, om op zonde te zinnen, en aan zonde te denken. Iemand die het geluk had, van der jeugd af aan, tot hard werken verplicht te zijn, ontving in die verplichting dan ook een ongemeene gift van gemeene gratie. En ouders, voogden en onderwijzers, die hun kinderen, pupillen, of leerlingen, laten „lummelen en scharrelen", zooals de leelijke woorden voor dit leelijke nietsdoen luiden, en hen niet van meet af aan geregelden arbeid gewennen, staan schuldig niet alleen aan het verspelen van de toekomst hunner kinderen, maar ook aan hun zedelijk bederf. De „tucht" waarop de Spreukendichter gedurig wijst, is niet het minst de tucht van den geregelden arbeid, en wie zichzelven in hooger zin liefheeft, zal God danken, niet als hij niets te doen heeft, maar als hij het druk heeft, want drukke arbeid is een schild tegen het kwaad.

Doch ook afgezien van de „gemeene gratie" die in den arbeid van alle beroep als zoodanig schuilt, ligt ook in bijzondere beroepen soms een buitengewone gemeene gratie, waarvoor we onzen God, zoo ze ons te beurt valt, te danken hebben. In zeer breede klasse der maatschappij is de vrouw in haar beroep zooveel meer beveiligd dan de man. Neem een opperman, die eiken morgen als nauwlijks het licht aan den hemel staat, zijn deur uit moet, heel den dag steenen op een hoopje stapelt, en ze op zijn schouders beurt, en naar den metselaar opdraagt, om eerst s' avonds laat, als de dag doorleefd is, huiswaarts weder te keeren; en vergelijk daarmede de vrouw van dien opperman, die stil thuis bleef, geen steenen van den hoop, maar haar kinderen uit bed tilde, ze wiesch en kleedde en verzorgde, en met allerlei afwisselenden arbeid bezig was. Wat waren die steenen niet doodend voor het menschelijk hart, en wat kon dat stille bezig zijn thuis het hart van die vrouw niet vormen en ontwikkelen. Of ook van twee broers wordt de één predikant en gaat de ander het leger in of gaat varen op zee. Hoeveel heerlijke indrukken uit hooger levenssfeer ontving nu niet| de één, aan wat gelegenheid tot verleiding stond niet de ander bloot. En zoo zal men heel het leven doorgaande, telkens vinden, hoe de één in zijn beroep een natuurlijk middel vindt, om zich te verlustigen in en bezig te zijn met hooge, heilige, verteederende dingen, terwijl de ander in de eentonigheid van zijn stoffelijk beroep dreigt onder te gaan; en evenzoo dat de een door zijn beroep bij braafheid en deugd gehouden wordt, terwijl de ander juist door zijn beroep aan allerlei onzedelijke verleiding is blootgesteld.

Ook hier het mysterie! Wat toch is de bewegende oorzaak, dat de één een zoo gelukkige roeping ontving, de ander een zoo gevaarlijke, en dat met een verschil dat vaak uitliep op zedelijke verheffing voor den één en op zedelij ken ondergang voor den ander. En ook hier antwoordt God niet van zijn heilig doen, en hebben wij ons eerbiedig voor Hem in het stof te buigen. Maar dit staat dan toch vast, dat wie een gelukkig beroep ontving, een beroep dat hem opheft en adelt, daarin een gunste, een gift van zijn God heeft te zien, en dat hij schuldig is zijn God daarvoor de offerande van zijn dank te brengen. Dan is het toch dit beroep, dat in Gods hand, als een der factoren werkt, om zijn booze verdorven natuur niet tot haar volle uiting te doen komen, maar integendeel die in 'haar sluimerende boosheid te onderdntkken, te stuiten en te temmen. En wie straks als kind van God, aan zich zelven ontdekt, tot de verlossing doorbreekt, zal er van achteren zijn God om loven en voor verheerlijken, dat Hij ook in dit zijn beroep den teugel aan de boosheid van zijn hart aanlegde, en hem alzoo voor te diepe zelfverlaging en voor te grove uitspatting bewaard heeft. En dat we ook hier metterdaad voor een factor der gemeene gratie staan, blijkt overtuigend hieruit, dat ook anderen die teloor gaan, door God in zulk een zelfde beroep geplaatst werden, en dat zulk een steunend en verheffend beroep volstrekt niet alleen aan zijn kinderen is voorbehouden. Herder te zijn is een beroep dat stellig verheft, en toch is niet alleen David een herder geweest, maar was Nabal het in zijn dagen evenzeer. Alleen David is door dit zijn beroep gesteund en gesterkt, terwijl Nabal er door verleid is tot dieper zonde.

Geheel hetzelfde nu geldt evenzoo van ons lot.

Onder lot verstaan we hierbij én de gelukkiger of minder gelukkige levensconditie waarin we geplaatst zijn, én de lotgevallen die ons in ons leven overkomen.

Reeds het algemeene levenslot is onder menschen zoo geheel verschillend. Geboren te zijn onder de Afridi's op de glooiingen van het Himalajagebergte, of in de vlakte van deze lage landen, geeft op zich zelf reeds een geheel andere levensconditie. Ook binnen ons land maakt het zulk een aanmerkelijk verschil of ge geboren zijt als bewoner van het stille platteland, of als ingezetene van onze woelige steden. In die steden en dorpen zegt het weer o, zoo veel, of ge geboren waart onder de standen van hooge ontwikkeling, of onder de lagere standen met hun kommer en hun zorgen.

Ook de geldelijke positie graaft tusschen mensch en mensch zulk een diepe klove.

Er zijn gezinnen, die van vijf gulden in de week leven moeten, er zijn er andere, die over honderd en meer gulden in de week beschikken. Ruime woning met voor ieder een eigen vertrek, of enge behuizing zoodat allen saam in één vertrek moeten leven, heeft zoo ongelooflijken invloed op heel onze vorming. En zoo zouden we kunnen voortgaan met het verschil van levensconditie en levenslot in al zijn ontzettende tegenstellingen te teekenen, om het voelbaar te maken, wat sterke invloed reeds hierdoor op mensch en mensch voor heel zijn vorming wordt uitgeoefend. „Rijkdom en armoede geef mij niet, voed mij met het brood mijns bescheiden deels", zal ook hier wel de leus der hoogste wijsheid blijken, in zooverre én armoede én rijkdom veel meer verleiding tot zonde met zich brengen dan het matige, maar onbezorgde leven.

Doch wat maatstaf ge hier ook aanlegt, te ontkennen is niet, dat we ook in ons levenslot, d. i. in de algemeene levensconditie, een dier machtige factoren voor ons hebben, die van alle zijden op onze zedelijke vorming inwerken. De één is door zijn levensconditie verlaagd of verdierlijkt, de ander in den band gehouden en op een stil en deugdzaam leven gericht.

En hetzelfde mag gezegd van onze lotswisselingen of lotgevallen. Hier een kind, dat alleen in huis opgroeit, en als éénig kind bedorven werd; ginds een ander dat in een breeden kring van broeders en zusters vroeg het wijken voor ouderen, het dienen van anderen, en den eisch van het saamleven leerde. Het ééne kind behield zijn zorgende moeder, tot hij als volwassen man het huis verliet; het andere heeft nooit zijn moeder gekend, of haar te vroeg verloren, om ooit haar liefde te kunnen beantwoorden. En met dat breed verschil van lotgeval gaat het heel het leven door. Sterk van gestel de één, zwak en ziekelijk de ander. Den een rijdt het karretje, gelijk men zegt, op een zandweg, de ander moet levenslang tegen den stroom oproeien. Den één gaat alles voor den wind, de ander blijft een worstelaar tot den einde toe. Lijden hoopt zich op het hoofd des éénen saam, terwijl de ander nooit anders dan op zonnige paden wandelt. Verdriet, smart en rouwe zal bij den één het hart doen verstijven, somber stemmen en verbitteren, terwijl de ander vervroolijkt wordt door nooit eindigenden voorspoed.

En ook hiervan is de invloed op onze zedelijke vorming zoo ongemeen groot. Niet alsof voorspoed altoos verhief en lijden altoos neerdrukte, of ook omgekeerd lijden altoos heiligde en geluk bestendig luchthartig maakte. De uitwerking is even verschillend als er verschil van karakter onder menschen is. Maar invloed heeft de lotswisseling zeer stellig, en niet het minst wordt onze persoonlijkheid door al zulke ingrijpende wisselingen van ons levenslot gevormd en bepaald. Mag het u nu gebeuren, dat u, als kind van God, reeds voor uw toebrenging een lot ten deel viel, waarin beurtelings de beker der vreugde en beurtelings de beker des lijdens u zóó aan de lippen werd gezet, dat het evenwicht, ook waar het verbroken was, telkens weer hersteld werd, en lief en leed in juiste schoone evenredigheid saamwerkten, om u tot ernst te stemmen, en van wat laag is en gemeen af te houden, ja, veeleer tot wat hoog en edel is, op te leiden, dan verheft uw hart zich, bij den terugblik op dat leven vanzelf in dank en in aanbidding tot uwenGodenVader, dieu zulk een sterkend en verheffend levenslot beschoren had. Ook hier toch ligt de verklaring van dit verschil in levenslot alleen in Hem, die het over u gehengde, en kunt ge het mysterie niet doorgronden, dat u zooveel rijker dan menig ander zegende; maar wel voelt ge te sterker aandrang om in dank en lofzegging de liefde uws Gods te eeren, die zich in zoo schoone even-j redigheid naar u toebewoog. En evenmin is het twijfelachtig, dat ge ook in uw levtnsconditie en in dit uw levenslot niet met particuliere genade, maar welterdege met gemeene gratie te doen hadt, want immers het vaste kenteeken gaat ook hier door, dat gelijke levensconditie en gelijk levenslot, als u beschoren werd, ook aan anderen werd toebedeeld, die zich nochtans tegen deze liefde van hun God verhard hebben.

Het feit ligt er toe, hoe ontzettend het ons ook schijne, dat de één door zijn levensconditie en levenslot in omstandigheden wordt geplaatst, die de zonde in hem aanwakkeren en de vlam der zonde uit zijn hart doen uitslaan, terwijl de ander verkeerde in omstandigheden, die juist omgekeerd de zonde in hem ten onder hielden, de verleiding afweerden, en hem prikkels ten goede boden. Maar even vast staat het, dat er kinderen Gods zijn, die opgegroeid onder even ongunstige omstandigheden, soms tot bange zonde uitbraken, en straks door des te sterker reactie tot te dieper bekeering kwamen ; en dat er anderzijds kinderen Gods waren, die, achter het schild der gemeene gratie in hun levensconditie en levenslot veilig, bijna zonder eenige grove uitspatting in zonde den weg des heils betreden mochten. De zedelijke factor, die hier ter sprake kwam, is alzoo geenszins beslissend ter zaligheid. Hulpmiddel is ook deze gemeene gratie, nooit iets meer, nooit iets anders. Maar de uitkomst toont dan toch, dat verreweg de meeste geloovigen langs dezen door gemeene gratie toebereid en geleid werden, en dat het altoos een uitzondering blijft, zoo een verkoren kind van God eerst door de bange wegen van ontzettende zonde gaat, om straks door reactie daartegen tot een plotselinge, aangrijpende bekeering te komen.

Het is uit dien hoofde zoo verkeerd, indien men dezen weg „door reactie tegen bange uitspatting in zonde", straks gevolgd door een hartschokkende bekeering aan allen ten regel wil stellen. Deze weg der reactie moge ons meer in het oog springen, en nog wonderbaarder dan de weg door een zachte koelte de almacht van Gods genade doen uitkomen, toch is hij niet de gewone, noch de meest gekende. De meest gewone en meest gekende weg onzes Gods in de toeleiding der zijnen houdt verband met de voorafgaande werking zijner gemeene gratie.

Een gemeene gratie waardoor God in het leven, dat aan de bekeering voorafgaat, de booze natuur derwijs breidelt, teint en intoomt, dat geen krachtige reactie kan opkomen, ja, dat velen, in hun verleden terugglurende, en in hun vroeger leven teruglevend, nog steeds bidden om het oogenblik te mogen ontdekken, waarop hun overgang plaats greep. En deze gemeene gratie werkt God de Heere op allerlei manier door herkomst en geboorte, door opvoeding en omgeving, maar ook door beroep en levenslot.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken