Bekijk het origineel

Onze Eeredienst.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onze Eeredienst.

8 minuten leestijd

XIII.

Ten opzichte van het gebruik der berijmde Psalmen zij het navolgende opgemerkt.

Ten eerste bedoelt het Psalmgebruik oorspronkelijk het afzingen van den geheelen Psalm. Al te lange Psalmen werden daarom in deelen ingedeeld. Na elk deel kon dan een patize intreden, ^tnpauze die voor ons, die slechts hier en daar een enkel vers uitkippen, geen zin heeft. Wij springen gedurig over de panze heen en rekenen er nooit mede. Een paitze heeft alleen dan beteekenis, wanneer men anders zou moeten doorzingen, maar nu een rustpunt vindt.

Een vers opgeven, gelijk wij nu plegen te doen, kon oorspronkelijk niet; want onze versindeeling is er eerst door de berijmers ingebracht. De indecling in het oorspronkelijke staat meer-gelijk met onze indecling in verzen in de Statenoverzetting.

Vast staat in elk geval, dat onze gewoonte, om hier of daar een enkel vers uit te kiezen, niet uit den aard van onzen Psalmbundel voortvloeit. Die versindeeling was oudtijds onbekend, en als er boven een Psalm staat: Voor den Opperzangmeester, of breeder: Voor den Opper.zangmeester op Ayeleth Haschachar, op Mdth-Labén enz., dan is bedoeld, dat men heel dit nu volgende lied aan één stuk op zou zingen. Van de langere leerpsalmen en geschiedkundige Psalmen, waar niets boven staat, is dit onzeker, maar van de lof-, dank-en smeekpsalmen, is dit buiten kijf.

Nu trekken we hier niet het gevolg uit, dat dus ook thans nog deze Psalmen steeds in hun geheel moeten gezongen worden.

Ons sleepend gezang op heele noten vordert stellig driemaal zooveel tijd, als te Jeruzalem besteed werd. Zelfs lazen daar de Joden veel vlugger dan wij; laat staan dan ^•m_^^«.

Ook dient in het oog gehouden, dat te Jeruzaiem een afzonderlijke toonkunstdienst in den tempel was ingesteld, en dat bij ons uitsluitend hecTde gemeente zingt.

En eindelijk mag evenmin vergeten, dat wij meer dan éénmaal zingen, soms zelfs vier malen, en dat het zingen van vier geheele Psahnen op een te onevenredig deel van den beschikbaren tijd beslag zou leggen.

Doch hoezeer we dit alles toegeven, en het gebruik, om enkele verzen te zingen, als geoorloofd erkennen, toch stellen we den eisch, dat het gronddenkbeeld van de eenheid van eiken Psalm beter worde vastgehouden, dan dat thans gemeenlijk geschiedt.

Psalm 100 en enkele kortere Psalmen uitgezonderd, komt die eenheid thans in het minst niet tot haar recht, en alleen bij het afgaan en aangaan der tafels van het heilig Avondmaal, hoort men soms een eenigszins langen Psalm geheel uitzingen.

Zelfs het denkbeeld om als men driemalen zingen laat, achtereenvolgens drie malen denzelfden Psalm te nemen, en zoo de drie stukken er van aaneen te rijgen, wordt zoogoed als nooit in praktijk gebracht. Ook als men alles siam een negental verzen zingen Iaat, worden deze gemeenlijk uit drie of vier verschillende Psalmen gezongen.

Feitelijk bestaat onder ons dan. ook deze toestand, dat men op geen Psalmindeeling let, met geen opeenvolging der verzen rekent, en kortweg alle verzen uit alle Psalmen saam beschouwt als zekeren voorraad verzen, waaruit men de best zingbare, best berijmde en best bij het onderwerp pa-ssende verzen uitkiest.

Hiermede nu komen de Psalmen zeker niet tot hun recht. En als men dan bedenkt, dat de aansluiting aan het onderwerp zoo dikwijls gezocht wordt in een woord of in een uitdrukking, die wel in de be.rijming, maar niet in het oorspronkelijke voorkomt, dan gevoelt men eerst recht, hoeveel wilkeur' hier insloop.

Vooral bij Pisalmen die uit twee of drie nauw saamhangende deelen bestaan, is dit hinderlijk. Hoevele Psalmen b. v. bestaan uit een diepe klacht over zonde en ellende, en daarna uit een danklied voor generale redding. Neemt men nu het ééne stuk zonder het ander, dan is de eenheid van den Psalm weg.

Dit nu doet zeer ernstig de vraag rijzen, of hier niet meer en beter op te letten ware, of zang op heele en halve noten, gelijk de zetters der wijzen bedoeld hebben, niet te herstellen ware; en of niet in eiken dienst, met bekorting van het gezang dat slechts als intermezzo of slot dienst doet, het zingen van althans zulk een stuk uit een grooten, of van een korten Psalm in zijn geheel ware in te voeren, dat de eenheid van het lied weer gevoeld werd.

Onze tweede opmerking geldt den aanhef der onderscheidene verzen in onze berijming.

In de berijming begint menig vers, als in den saamhang van heel den Psalm ingevoegd, met een voegwoord of bijwoord, met maar, doch, want, enz.

Dit nu past niet bij ons gebruik, om enkele verzen té laten zingen, en heeft ten gevolge, óf dat men laat inzetten met een voegivoord, dat alleen zin heeft, als er iets voorafgaat, óf wel dat kiescher taaizin deswege het gebruik van zulke, anders uitnemend geschikte verzen mijdt.

„Maar mij ontmoet uw mededoogen."

„Maar geef uw dierbren gunstelingen."

„Daarom heeft zich mijn kwijnend hart verblijd." „Maar blij vooruitzicht dat mij streelt." „Dies krijg ik van mijn plicht, o.

God, een klaar bericht." „Des Heeren wet nochtans, " enz., zijn versaanvangen, die uitnemend loopen, als eerst het voorafgaande vers gezongen is, en dit er op volgt, maar die stooten, als men er mede begint, en er niets voorafging.

Een voeg^ooxA voegt saam, verbindt, en heeft, als die band verbroken wordt, geen beduidenis. De bedoeling van de berijmers was derhalve, dat zulke verzen, die met voegwoorden beginnen, nooit anders zouden gezongen worden, dan na het vlak voorafgaande vers.

Hierin hebben ze intusschen gefaald.

Rijmende voor kerkgebruik, hadden ze zich behooren af te vragen, of dit steeds mogelijk zou zijn. En daar nu zeer dikwijls niet juist het vlak voorafgaande, maar een veel vroeger vers voor kerkgebruik verkieslijk is, ontstaat de dubbele misstand, i". dat deze verzen, zonder iets dat voorafgaat gezongen worden, zoodat het voegwoord geen zin heeft; en 20. dat het gezongen wordt na een ander vers, dan waaraan het door het voegwoord gekoppeld ligt, en dus valsch saamvoegt.

Dit is temeer te betreuren, omdat het oorspronkelijke er niet toe dwong.

Staat in onze berijming: „Des Heeren wet nochtans, " in de Statenoverzetting is van dat voegwoord niets te vinden: „De wet des Heeren is volmaakt" zonder meer. Wie berijming en Statenoverzetting vergelijkt, zal dan ook bevinden, dat van al deze „maars" en „wants" gemeenlijk in de onberijmde overzetting niets voorkomt. Iets wat ligt aan het Hebreeuwsch, dat al zulk redengeven door voegwoorden mijdt.

Dit nu leidt tot de vraag, of het niet mogelijk zou zijn, bij herziening van onze berijming deze voegwoorden weg te werken ; iets wat meestal door zeer geringe wijziging van den tekst mogelijk zou zijn.

Men kon ook wel een anderen weg inslaan, en aan zulke verzen een dubbelen aanhef geven, den éénen om te zingen, als men met dat vers begon, en den anderen, als eerst het voorafgaande gezongen was; maar dat zou licht verwarring geven, en wie als dichter zijn kunst verstaat, zal er ook op zichzelf meer op uit zijn, in den zin, dan in het voegwoord de verbinding zijner gedachten te zoeken.

Vooral de Oostersche poëzie blijft van het voegwoord liefst op een afstand.

Hiermede hangt saam, dat verzen die los van het voorafgaande gezongen worden, dan op zichzelf rond moeten loopen.

Zoo loopt b. V. vers 10 van Psalm 116 uitnemend, als vers 9 voorafgaat: „Och, Heer, ik ben, o, ja, ik ben uw knecht", en dan in vers 10: „Ik zal uiv naam met dankerkentenis verheffen." Maar neemt ge vers 10 apart, dan loopt dit niet, want dan moest in dat vers zelf de naam des Heeren zijn uitgedrukt. Anders toch wordt het een aanspreken van het Hoogste Wezen zonder zijn naam te noemen. Iets wat zelfs onder menschen voor min kiesch geldt.

Hetzelfde geldt van het gebruik vanvoornaamwoorden in den aanvang van een vers. Een voornaamwoord slaat terug op een onderwerp of voorwerp of actie die voorafgaat. Begint-men echter met zulk een voornaamwoord, zonder er het voorafgaande vers bij te nemen, dan doet dit onharmonisch aan. Zelfs waar zich het onderwerp wel in gedachten laat invullen, is dat toch hinderlijk. „Zij zullen uit de volheid van 't gemoed"; „Zij zullen U eerbiedig vreezen"; Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort", zijn uitdrukkingen, die veronderstellen dat er iets voorafgaat, gelijk dan ook metterdaad het geval is; maar als men zulk een vers buiten dit verband aanheft, is het beginnen met zulk een voornaamwoord min juist.

Aan alle deze soort bezwaren is intusschen alleen tegemoet te komen door kleine dichterlijke wijzigingen in de berijming zelve aan te brengen. Want wel is het voorgekomen, dat de voorganger zelf onder het lezen een kleine wijziging aanbracht, maar dit is én willekeurig én het baat niet. Lees nog zoo diwijls: „o, Blij vooruitzicht dat mij streelt", in plaats van: „Maar blij vooruitzicht dat mij streelt"; de gemeente zingt toch: „Maar"; en dit is volkomen begrijpc-•lijk, want aan dat „Maar" is men gewend, en men vindt het gedrukt voor zich.

Natuurlijk mag zulk een wijziging nooit tegen het oorspronkelijke ingaan; maar dit is ook volstrekt onnoodig. In den regel zal men zelfs door wijziging dichter bij het oorspronkelijke komen, dan in den nu berijmden tekst.

Dit alles moet echter wachten tot tweeërlei voorwaarde vervuld is.

De eerste is, dat de kerken op ruste gekomen zijn, overmits anders te vreezen staat, dat woelige geesten zelfs van zulk een nietigheid zich reeds meester maken om onnadenkenden tegen de kerk op te zetten.

En de tweede voorwaarde is, dat er onder ons, Gereformeerden, één of meer dichters opstaan, die genoeg dichterlijk meesterschap over taal en maat bezitten, om deze wijzigingen zóó uit te voeren, dat heel de kerk er ongedwongen Amen op zegge.

Onze volgende opmerkingen bewaren we voor een volgend artikel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Onze Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken