Bekijk het origineel

De kerk 't eerst.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De kerk 't eerst.

10 minuten leestijd

Amsterdam, 14 Jan. 1898.

Schrandere geloovigen hebben steeds den isch erkend, om in de eerste plaats voor et voortbestaan en den bloei hunner kerk 7org re dragen, en dan onder kerk vertaan niet het mystieke Lichaam des Heeen, niet de kerk in hare onzichtbaarheid, iet de kerk als organisme, neen, maar el terdege die vormelijk uitkomende erk, wier leden men op een boek vindt, an wier hoofd opzieners staan, en die den heiligen Doop bedient aan de kinderen der eloovigen, om ze straks, na onderricht n belijdenis, met de ouders te verzamelen an éénzelfde heilig Avondmaal.

Voor het voortbestaan en den bloei dier erk spanden ze zich, niet in, alsof buiten ie kerk niets op hun toewijding aanspraak ou mogen maken. Integendeel, ze wisten itnemend wel, dat hun huisgezin die in ods ordinantiën rustende kring is, waar ze iet buiten kunnen. Ze wisten ook, dat hun aatschappelijk beroep met eere moest woren waargenomen. En ze wisten bovendien at er ook buiten huisgezin en beroep drieërlei oort van samenwerking, buiten de kerk, nder menschen bestaat: ". samenwerking ot verhooging van 't menschelijk leven in unst, wetenschap, lichaamsoefening, goede enieting en zooveel meer:2". samenwering tot leniging van geestelijken en lichaelijken nood en ellende; en 3". samenerking ter bevordering van nationale en ociale doeleinden in vereenigingen, venootschappen en maatschappijen.

Hun leuze v^^as daarom volstrekt niet, dat de erk «/ hun toewijding kon vergen, een eel, en zelfs een zeer aanmerkelijk deel an hun kracht, hun tijd en hun geld wam ook aan die andere kringen toe. aar wat ze staande hielden was steeds it: Zorg voor uvs? kerk /iet eerst. Waar ié bloeit, ontvangt al het andere vanzelf erhoogde levenskracht. Waar zij kwijnt, oopt de welstand van al het andere geaar. En daarom uw kerk verzorgd vóór lle dingen.

Ten opzichte van het huisgezin gaat die referentie van de kerk zeker niet in absouten zin door. Hier moet de grens gesteld an het redelijk bestaan. Maar is eerst aan et huisgezin, als de bron van het opkomend even, het redelijk bestaan verzekerd, dan oet bij de keus om óf de gesteldheid van et huisgezin nogmaals te verbeteren, onderijl de kerk ondergaat of kwijnt, óf de kerk e helpen, al kan daardoor het gezin niet ot hooger staat opgevoerd, stellig aan het aatste de voorkeur gegeven.

Deze keu2e rust op de overweging, dat ok het gezin voor zijn ontwikkeling en oortzetting in volgende geslachten bij het pgroeien rijk en krachtig van een bloeiende erk hoog zedelijk belang heeft. Wie ijn geslacht liefheeft, en de bede in 't art draagt, dat zijn geslacht ook in koende eeuwen, niet alleen bij eerlijkheid n braafheid, maar ook bij den dienst des eeren worde gehouden, kan, als we ons oo mogen uitdrukken, met zijn gezin in een betere verzekeringsmaatschappij gaan an in de kerk; maar zal bij zijn kerk ook an alleen dien zedelij ken steun en die bate inden, als hij zelf die kerk in bloei helpt ouden.

Er is hier wisselwerking. De kerk steunt het gezin, en het gezin steunt de kerk.

Alle misverstand alsof we het gezin min waardeerden, zal hierdoor zijn afgesneden, en we durven daarom thans te onbeschroomder onze stelling handhaven: De kerk 't eerst.

Slechts versta men ons wel, dat we, met kerk hier het kerkelijk instittmt bedoelende, ons dit geen oogenblik denken als iets aparts naast de mystieke, onzichtbare kerk. Het is en blijft altoos de ééne, en ondeelbare, en onzichtbare kerk die in deze institutie tot openbaring komt, tot openbaring in haar leden en tot openbaring in haar ambten,

„Tot openbaring komen" is dan ook de eenig juiste eri goede zegswijze, om hier het vereischte verband uit te drukken. Het mystieke schuilt in het wezen, maar het komt tot openbaring in zijn uitingen.

Zoo komt uw ziel tot openbaring in uw v/oorden. En al zijn uw woorden nu niets dan wegstervende klanken en voorbijsnellende luchttrillingen, toch komt het mystieke leven der ziel door die klanken tot openbaring. En al let ge hier nu gemeenlijk niet op, bij een dichter, bij een wegsleepend redenaar, of ook bij een gewoon mensch in oogenblikken van hartstochtelijken toorn en liefde, voelt ge wel terdege, dat er iets achter en iets in die woorden zit, en dat iets is het leven der ziel.

En zoo nu ook is het met uw kerkelijk instituut. Dat instituut is een stel ambtdragers, meest heel gewone menschen, zonder iets bijzonders; voorts een aantal leden, ook meest heel gewone menschen; en dan een lokaal, waar men saamkomt, een bekken met wat water er in, een tafel met wat brood en wijn er op, en voorts een fohoboek. En toch achter en in al dit gewone schuilt een mystiek iets, een onzichtbaar leven, een heilige macht, een ongeziene werking, en die macht, die werking, dat leven heeft een centrum, waarvan het uitgaat, en dat centrum is in Jezus, ons aller gezegend en verheerlijkt Hoofd.

Wie nu niet voelt en gelooft, dat in die leden en ambten zijner kerk uitstralingen van de kracht van den Christus werkten, die speelt met woorden, en heeft geen kerk. Hij heeft niets dan een vromen krans, een stichtelijke vereeniging, en wat daar geestelijks is, dat brengt de „vrome mensch" er in. Maar wie wel terdege gelooft, dat in leden en ambten uitstralingen van Christus als ons Hoofd werken; dat Hij het ongeziene subject is, dat achter alles schuilt; en dat 't naar zijn ordinantie is, dat 't alzoo onder ons toegaat, die stuit niet langer op het gewone en menschelijke van zijn kerkelijk instituut, maar diens rieken is in den Geest des Heeren, ook, ja, allermeest, waar het zijn kerk geldt.

Welnu, in dien zin genomen, moet onze zorge, onze toewijding, onze opoffering voor onze kerk 'teerst zijn; en dat wel om deze alloo bchcerschcndc oorzaak.

Alle vereeniging, alle maatschappij, alle krans, alle gezelschap dankt zijn ontstaan aan de wilsuiting en aan het bestel van den mensch. Het drijft op menschlij ken wil. Het zinkt ineen en valt xveg, als die wil ophoudt te werken. En zulks eenvoudig overmits alle deze vereenigingen of combinatiën uitsluitend rekenen met vohvassen menschen, naardien alleen een volwassen mensch geacht wordt in dien zin een wil te hebben, dat hij iets stichten of als kring vormen kan.

Hoe dikwijls ziet men dan ook niet, dat zulke vereenigingen een tijdlang bloeien, zoolang de mannen in hun kracht zijn, die haar hielpen oprichten. Maar als die mannen oud worden, en de één na den ander wegsterven, komen er leemten die men niet dan met moeite weer aanvult. In het tweede geslacht vlamt het oude vuur niet meer. Dan slinkt het aantal, minderen de fondsen, neemt de werkkracht af. En het gewone lot is, dat na nog geen honderd jaren de vereeniging weg is.

En wel heeft men om dit te voorkomen bij testament stichtingen in het leven geroepen, maar ook daarvan is het bekend, hoe opvolgende curatoren vaak van een geheel anderen geest bezield waren, zoodat ten slotte de gelegateerde gelden aangewend werden voor een doel, vlak tegenovergesteld aan het doel dat de erflater bepaald had.

Feitelijk zijn er maar drie menschelijke verbindingen die, elk op haar wijze, aan dezen snellen afloop der wateren ontkomen, t. w. het huisgezi7t, het volk en de kerk, en deze drie danken dat gelukkiger lot alleen daaraan, dat ze niet op zvilskeuze berusten, maar op geboorte, en juist hierdoor van het Pelagianismc los zijn.

Telkens komt de geest van het individu in opstand tegen het feit, dat hij niet zelf heeft kunnen bepalen in ivelk gezin hij had willen geboren zijn; komt in verzet tegen het feit, dat hij tot zijn volk behoort, zonder dit zelf aldus verkoren te hebben ; en niet het minst komt hij in opstand tegen de omstandigheid, dat hij gedoopt is, zonder dat hij zelf dat wilde.

Er is over hem als kind beschikt, zonder dat hij zelf stem in het kapittel had, en juist dat kwetst zijn Pelagiaanschen trots.

Doch hoe wild dat verzet zich ook soms in woorden uitte, er valt niets aan te veranderen. Het is alzoo geschied. Het zijn feiten die geen keer nemen. En althans wat de geboorte uit die bepaalde moeder, en zijn generatie uit dat bepaalde geslacht aangaat, blijft dit feit voor nu en voor altoos onveranderlijk. Zijn volk kan men nog verlaten, men kan zijn kerk nog den rug toekeeren, maar men kan niet uit een andere moeder geboren worden.

In volk, gezin en kerk spreekt alzoo de hoogheid van Gods wil over onzen persoon en ons levenslot. Het zijn drie verbindingen die onder Gods bestel als een levende stroom haar loop door de geslachten voortzetten. En het is dit wat gezin, volk en kerk van alle andere vereenigingen onder­ n scheidt.

De kinderdoop ligt dan ook zoozeer in het wezen der kerk, dat de Dooperschen door dit te miskennen al hun kracht voor de toekomst gebroken hebben en de vrucht van den geloofsmoed hunner martelaren hier te lande ganschelijk hebben doen vergaan. Of wat is er in de dusgenoemde Doopsgezinde gemeenten nog van de eere der oude Dooperschen overgebleven}

Ook de Reveil zou gevaar hebben geloopen al de vrucht van zijn arbeid te niet te zien gaan, indien niet de kerkdijken de fout van den Reveil hadden ingezien, en zijn wateren in de kerkelijke bedding hadden afgeleid. 1834 was in dit opzicht het gelukkige jaartal.

Imnaers de mannen van den Reveil hadden voor „de kerk" geen oog, beschouwden de kerk als een te missen vorm, en stonden in het algemeen onder den invloed, die uit Frankrijk, Zwitserland, en vooral uit Engeland herwaarts overgekomen, voor den kinderdoop de rechte waardeering miste. Maar de oude Wormser stuitte dit door zijn kloek geschrift over den Doop, en Groen hechtte er aanstonds zijn zegel aan.

De kerkelijke actie was geen veroordeeling, maar aanvulling van den Réveil, en al wie de kerkelijke actie hierin weigert te eeren, schrijft zijn eigen inspanning ten doode op.

Zoo springt dan het verschil in het oog. Al wat buiten de kerk geijverd, geofferd en gesloofd wordt, mist zekerheid voor de toekomst, mist vastheid van bestaan, en mist waarborg tegen het menschelijk gevallige.

Daarentegen de kerk, eenmaal tot openbaring gekomen, gaat door den kinderdoop van geslacht op geslacht voort. Het is het Verbond Gods, aan u en uwen zade, dat in de kerke Gods zijn kracht openbaart.

En in de derde plaats, niet alleen dat de kerk in het Verbond en in den kinderdoop die het bezegelt, zelf waarborg van vast bestaan heeft, maar ook is het de kerk die steun en hulpe en waarborg verleent, aan alle vereeniging of verbinding, die zich confessioneel of titulair aan haar leden aansluit.

Dan toch is het die kerk zelve, die in haar leden den ijver en de toewijding voor al zulke aan de kerk aangesloten ofm.etde kerk in confessioneel verband staande vereenigingen, gaande houdt, en op die wijs haar voortbestaan voor een volgend geslacht verzekert.

Dtmrzaamheid is voor alle pogingen onder menschen de alles beheerschende levensvraag.

Nu is actie, drukte, ijver op zich zelf uitnemend. Zonder stoom krijgt ge de locomotief niet vooruit; maar ook of ge al stoom op hebt, dit brengt u geen stap verder, als ge de kunst niet verstaat, om dien stoom op de raderen te laten werken. Dan hebt ge wel stoom, maar hij vervliegt in de lucht en werkt niet.

En zoo nu kan er ijver, kan er veel bezigheid, kan er offervaardigheid in ruime mate zijn, en dat er toch niets uit wordt, indien datgene ontbreekt, wat al deze heilige krachten verzamelt en op een duurzaam doel richt.

Dat nu is uw pijnlijk lot, als ge niet met uw kerk rekent, of uw kerk als bijkomstig beschouwt.

En daarentegen zult ge voor die verspilling van krachten bewaard blijven, alle kracht zal doel treffen, en niets van het heilige onder u zal teloor gaan, als uw kerk bloeien mag, en zoo het uw leuze blijft: de kerk 'teerst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

De kerk 't eerst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken