Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Pers.

7 minuten leestijd

Over het gebruik van het woordeke/i; ««z na de Doopformule las men in de Friesche Kerkbode deze goede opmerkingen.

Als goede Calvinisten gaan wij uit van de H. Schrift, en dan leei't ons de' Sclirift, dat het woord Amen slechts in drie gevallen gebruikt wordt: f als een sterke verzekering, die bijna gelijk stond met een eed, en dan werd het woord Amen voorop geplaatst: men, Amen zeg ik u (bij ons vertaald door voorwaar) óf na het gebed, waarbij oorspronkelijk de gewoonte was, gelijk nu nog in de Engelsche kerken, dat de gemeente het Amen uitsprak (i Cor. 14 : 16) of na eene zegenbede aan het einde van een brief. Maar nergens lezen wij dat de Apostelen of Dienaren des Woords in de Apostolische kerk do sacramenteele woorden door den Heere Jezus verordineei'd voor Doop en Avondmaal, eigenmachtig met een ))Amen" hebben vermeerderd. Bovendien kon dit ook niet, om de eenvoudige reden dat Amen beteekent »het zal v/aar en zeker zijn" en dus wel na het gebed behoord te worden gezegd, als een bewijs, dat de bidder verzekerd is van de verhooring des gebeds, maar niet na Doop en Avondmaal, omdat daarbij niet de geloovige bidt, maar de Dienaar des Woords in den naam des Heeren tot de geloovigen spreekt.

Eerst in later tijd, toen de Roomsche Kerk met de reine eenvoudige bediening des Doops, gelijk Christus en de Apostelen die hadden ingesteld, niet meer tevreden was, is het gebruik opgekomen om na den Doop Amen te zeggen, hoewei in de oudste Roomsche liturgie, gelijk bij Daniël te zien is, dit woord nog niet staat geschreven. De Roomsche Kerk v.'ilde den Doop plechtiger maken ; daarom voegde zij bij den Doop het kruisteeken; wilde zij, dat de besprenging niet ééns niaar driemaal moest geschieden ; en breidde zij de doopsformule met Am.en uit. Ja, enkele sectarische Oostersche Kerken hadden aan eenmaal Amen nog niet genoeg en herhaalden het driemaal, achter den naam van Vader, Zoon en H. Geest.

De Luthersche Kerk, die op vele punten in het Roomsche zog varen bleef, nam al deze Roomsche bijvoegsels over. Maar de Gereformeerde Kerken wilden terugkeeren tot de reine bediening der Sacramenten. Daarom wilden zij niets weten van een kruisteeken bij den Doop, van een duivelbezwering en zalving met ohe; daarom oordeelden zij, dat maar één keer moest besprengd worden (omdat de afwassching met Christus' bloed maar eens geschiedt) en hebben zij bijna ook eenparig het woord Amen na den Doop uit hun liturgie weggelaten, gelijk ieder in ons Doopsformulier met eigen oogen zien kan. Aangezien deze liturgie kerkelijk is vastgesteld en het formulier voor den A-olwassen doop op de Synode van 1619 staande de vergadering is opgemaakt en goedgekeurd, blijkt daaruit, dat de Gereformeerde Kerken in ons vad-srland geen andere Doopsformule kenden dan alleen deze woorden: N. ik doop u in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes.

De slotsom van hetgeen de historie ons leert is dus, dat het Amen na den Doop in de Schrift niet wordt gevonden ; door de Roomsclie Kerk aan de Doopsformule is toegevoegd en door de Gereformeerde Kerken blijkens hare Liturgie weer is afgeschaft.

Intusschen moet, om de waarheid trouw te blijven, hieraan worden toegevoegd, dat, niettegenstaande de Gereformeerde Kerken officieel het woord Amen hadden afgeschaft, de macht der oude gewoonte ook hier sterker bleek dan het geschreven besluit en in de practijk door menig predikant het woord Amen na den doop behouden, bleef. Misschien heeft daartoe wel meegewerkt, dat vele lidmaten der gemeente, die pas aan het pausdom ontkomen waren, meenden, dat de doop van hun kind niet wettig was zonder het woord Amen, en dat men hun ten gerieve het woord behield, om erger kwaad te voorkomen. Onze vaderen gingen zoover van zelf huisdoop te veroorloven, wanneer er gevaar bestond, dat iemand anders naar een Roomschen pastoor zou gaan. En hoe algemeen de gedachten, dat de Doop zonder Amen niet gold, destijds nog bij de menschen gevonden werd, blijkt wel daaruit, dat Voetius in zijn Politica Ecclesiastica het noodig acht, de vraag te behandelen of de Doop zonder het woord Amen (gelijk de Roomschen beweerden) werkelijk wettig was en daarop antwoordt met een : ongetwijfeld.

Op de vraag of een kerkeraad het gebruik van dit Amen als conditie voor het betreden van den kansel mag stellen, antwoordt de i^t^ifi? .-

Volgens ons Gereformeerd Kerkrecht ligt niet bij den predikant, maar bij den Kerkeraad de macht om te bepalen hoe de bediening der Sacramenten zal plaats vinden. Maar — en dat vergete men niet — de Kerkeraad kan daarbij niet naar willekeur te werk gaan. Ook de Kerkeraad is gebonden aan de wettige Kerkenordening, waaronder hij leeft, en deze Kerkenorde bepaalt in Art, 58, dat bij de bediening des Doops het liturgisch formulier door de Synode vastgesteld, moet gelezen worden. Geen Kerkeraad heeft dus, zoolang hij onder deze Kerkenorde leeft, het recht de Doopsformule te wijzigen en nog minder heeft hij het recht van Dienaren des Woords te eischen, dat men voor een dergelijk besluit het hoofd zal buigen.

En wat de tweede vraag betreft, heeft de Kerkeraad ongetwijfeld het recht den kansel open te stellen en te sluiten, althans voor predikanten van elders. Geen predikant kan tegen den zin van den wettigen Kerkeraad den kansel betreden. Zelfs kan een Kerkeraad, wanneer de Classis een consulent benoemt, weigeren diens hulp te gebruiken. Maar ons dunkt dat een Kerkeraad, die bij elke uitnoodiging tot een liefdebeurt vooraf de vraag stelt of de uitgenoodigde wel Amen na den Doop zegt, en hem te kennen geeft, dat hij anders niet ontvangen wordt, toch, op zijn zachtst uitgedrukt, een droef figuur maakt. En of een Classis na zulk een behandeling haar gezonden Dienaar aangedaan, licht een anderen consulent benoemen zal, staat te bezien.

Doch hierbij laat hij het niet.

Ook de broederliefde heeft hier een woord mee te spreken.

En dan schijnt het ons toe, dat de eisch der liefde is, dat de sterken de zwakken hebben te dragen in het gebruik van het woord Amen na den Doop. Immers al is het woord Amen een Roomsch inkruipsel, in strijd met den aard van het Sacrament, en al staat het niet in onze liturgie — het is toch geen zonde voor God, het woord Amen na den Doop te gebruiken. In zulke middelmatige dingen, ook al is het gebruik op zich zelf afkeurenswaard, heeft men elkander te dragen. Of heeft Paulus Timotheus niet laten besnijden (hoewel de besnijdenis geen nut meer had) om ergernis onder de Joden te voorkomen ? Het wijze woord van een onzer uitnemende practizijns uit den bloeitijd der Kerk, mag in onze dagen wel eens ter harte worden genomen : «De ware Christenen begeeren niet, dat alle Kerken zich juist zullen houden aan die gewoonten, welke bij de hunne in zwang zijn. Komen zij derhalve op andere plaatsen, waar hunne gewoonten niet gebruikelijk zijn of andere dergelijke waargenomen worden, zij schikken zich daarnaar. Dus ging Ambrosius, bisschop van Milaan te werk, en hij ried het ook Augustinus en diens moeder Monica aan, wanneer zij te Milaan komende, bevonden, dat men aldaar niet gewoon was op des Heeren dag te vasten, gelijk de Afrikaansche Kerk pleegde te doen."

In dien geest der Christelijke voorzichtigheid zouden wij (ieders conscientie vrij latende) den raad willen geven, dat de predikanten, die in eigen gemeente het woord Amen achterwege laten, in ander gemeenten optredende, zich schikken naar het daar bestaande gebruik, wanneer dit door den Kerkeraad verlangd wordt. Mits, en hierop worde evenzeer nadruk gelegd, de Kerkeraad dit verzoeke en niet dit woord Ameji bij den Doop eische, als hoorde het noodzakelijk bij den Doop en als zou zonder dat woord Amen de doop onwettig zijn. Dan zou toch het toevoegen van het woord Amen niet langer een dragen zijn van anderer zwakheid, opdat openbare ergernis voorkomen worde, maar een toegeven aan een Roomsch bijgeloof, dat in onze Gereformeerde kerken niet langer behoort te worden geduid.

We voegen er aan toe, dat Gereformeerden door van zulke onbeduidende quaestiën hoofdzaken te gaan maken, doen denken aan de overnette huisvrouw die de mannen van de brandweer niet door haar pas geschuurde gang wilde laten, eer ze er matten over had gelegd, en dat onderwijl haar tweede verdieping in brand stond, en haar kind stikte in den rookwalm.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken