Bekijk het origineel

Tijdschrift voor Gereformeerde Theologen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Tijdschrift voor Gereformeerde Theologen.

8 minuten leestijd

Het Januari-nummer van het Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie, bevat in de eerste plaats het slot van het schoone overzicht door Dr. L. H. Wagenaar gegeven van Fontanus' leven.

Hij had in Arnhem Gelderiands kerken liefgekregen, en heeft daarom, eer hij Gelderiands hoofdstad verlaat, dit aandenken uit Gelderiands kerken willen achterlaten.

Interessant is de leestafel vooral door de correctie namens Ds. Bavinck op de Tubantia van broeder Beuker geleverd.

Maar niet minder belangrijk zijn de Verscheidenheden door Prof. Noordtzij meegedeeld, waaruit we ook aan onze lezers de hoofdzaak willen voorleggen.

Ze zijn niet alle even nieuw. De eerste gaat zelfs op 1896 terug, maar toch ook deze eerste mededeeling mag gehoord worden. Ze luidt als volgt:

In December van het jaar 1896 ontdekte men in eene kerk te Medeba, de oude hoofdstad van de Moabiete? i, de rest van een kunstrijk en indrukwekkend mozaïk, dat in de vroeger te dier plaatse gestaan hebbende Christelijke Basiliek, gelijk nu, diende tot vloer.

Oorspronkelijk was deze vloer circa 280 vierk. meters groot en bevatte, opmerkelijk, een landkaart van Syrië, Palestina en Egypte, waarvan thans nog slechts 18 vierk. meters bewaard zijn gebleven. Het werk dateert uit de 4de, hoogstens uit de 5de eeuw n. Chr. en is, hoe ook geschonden, thans nog van groote beteekenis voor oude geographische, archaeologische en historische bijzonderheden. Deze kaart is dan ook rijk van inhoud. Niet slechts worden bergen en gebergten, steden en rivieren zeer duidelijk voorgesteld, maar ook bijzonder met natuurlijke kleuren geteekend: eigenaardigheden, grootte, poorten en voorname gebouwen der steden, en evengoed aangewezen waar woestijnen of vruchtbare vlakten, rivieren of beken, bronnen of dijken waren, zelfs de onderscheiden vruchten die er groeiden. En beteekenend is, dat tal van rivieren beter, dan tot nu toe, bepaald worden wat ligging betreft, en andere, tot dusverre onbekend, worden genoemd en aangeduid.

Men is in Duitschland reeds bezig er een uitgaaf van voor te bereiden.

­ Dan volgt over de dusgenaamde Handelingen van Paukts dit:

Onder de vijf geschriften, die volgens Eusebius, sedert het begin van de 2 de eeuw, bij niet weinige gemeenten van de Christelijke Kerk in hoogachting stonden - behoorde ook de „Acta Pauli". Langer dan anderhalve eeuw werd dit geschrift zelfs voorgelezen in kerken, als ware het van N. Testamentisch karakter! Omvang en inhoud ervan waren evenwel voor ons tot dusver nog zeer onzeker, al was ook het geschrift zelf o. a, reeds aan Tertullianus en Epiphanius, aan Augustinus en Chrysosthomus zeer goed bekend.

Thans maakte Dr. Schmidt onder den titel: „Die Faulus-acten", in de Neue Heidelberger Jahrbücher 1897 Seite 117 — 124, ons bekend met de ontdekking van een omvangrijk handschrift dezer Acte in de Koptische taal. Het is geschreven op papyrus-bladen uit de Vilde eeuw, niet altijd aan elkander sluitend en moeilijk te lezen. Ze omvatten de vroeger reeds'min of meer bekende: a Acta PauU et Theclae: b Epistola (3de) Pauli ad Corinth., en c Martyrium Pauli. Aan het slot komt een onderschrift voor, waaruit, in verband met andere gegevens, blijkt, dat de drie genoemde stukken oorspronkelijk werkelijk behoorden toten samen vormden de „Acta Pauli."

Zij hielden in ervaringen en werkzaamheden van Paulus in Antiochië, Ikonië, Corinthe, Ephese Philippi en Rome. Zij vormden dus een parallel op de Hand. der Apostelen en zijn één derde omvangrijker dan deze. Dr. Th. Zahn had de oorspronkelijke eenheid van de genoemde stukken reeds vroeger vermoed, zoodat zijne scherpzinnigheid thans glansrijk is bevestigd.

De inhoud dezer Acta is ondanks de eere die 't geschrift in de eerste eeuwen genood — waarlijk van zeer fabelachtig karakter. En het verwondert ons ten zeerste, dat een geschrift van zulk een gehalte, al was het ook door een Klein-Aziatischen presbyter geschreven, niettegenstaande het declineerend bericht van Tertullianus (de baptismo, cap. XVII) over den oorsprong ervan, toch in ruimen kring nog een plaats heeft kunnen verkrijgen onder de antilegomena des N. Testaments.

Een bewijs te meer hoezeer de H. Geest had te strijden, om de Kerk er toe te brengen, het schuim te verwijderen van het onvervalschte goud van het Woord onzes Gods !

Dat Harnacks oordeel ons steeds meer in het gevlei komt, toont de derde mededeeling, van dezen inhoud:

Onder den titel: „Die Chronologie der altchristlichen Litteratur bis auf Eusebiits", Band I, 1S97, heeft Dr. A. Hamack, reeds door vele geleerde onderzoekingen op 't gebied van de litteratuur der Apostohsche en kerk-vaders bekend, een deel van zijn, in vele opzichten bewonderenswaardigen, chronologischen „reuzenarbeid" in 't licht doen verschijnen. Deze arbeid is te opmerkelijker, omdat Harnack, ofschoon allerminst behoorende tot de orthodoxe school in Duitschland — in de voorrede van dit werk zich over de patristische litteratuur uitspreekt op eene wijze, die verwondering wekt en opzien baart, vooral in de modern-critische kringen.

Zooals bekend is heeft ook op dit gebied de „tendenzcritiek" der N. Tubinger school lang haren willekeurigen scepter gevoerd, en bleef er, van hare onderstelling uit bezien, niet veel geloofwaardigs naar inhoud en vorm over van de oudvaderlijke geschriften. En al is die methode reeds jaren overwonnen, het wantrouwen door haar gezaaid blijft weelderige vruchten dragen. „Interpollatiën en Tendenzen aufzuspü-„ren und in grossen Umfang nachzuweisen „waren", zegt Dr. Harnack, „nu voor eerstge-„noemde critriek in de plaats getreden." Dien-„tengevolge, zegt hij, meinte (man) die alteste „Christliche Litteratur, einschlieslich des „Neuen Testaments, als ein Gewebe van Tau-„schungen und Falschungen beurteilen zu müs-„sen"-Doch, gaat hij voort: „Diese zeit ist „vorüber. Für die Wissenschaft war sie eine „Episode, in der sie viel gelernt hat und nach „der sie vieles vergessen muss."

„Die alteste Litteratur der Kirsche ist in „den Hauptpunkten und in den meisten Einzel-„heiten, litterarhistorisch betrachtet, umhrhaf „iig itnd suverliissig" (wij onderstreepten !).

Ziedaar een verklaring, die zeer opmerkelijk is en goede hoop doet koesteren, dat, in navolging van Harnack, „die Nothwendigkeit einer rücklaufigen Bewegung zur Tradition" algemeen en in goeden zin zal aanvaard en doorgezet worden. Vooral in betrekking tot het onderzoek naar den oorsprong en den tijd van het ontstaan der Evangeliën zal zij, hoogstvermoedelijk, van grooten invloed worden.

Immers, nu reeds spreekt Harnack het uit, dat, naar zijn oordeel, de Evangeliën tusschen 65 en iio zijn ontstaan. Inderdaad, een groote schrede nader tot de waarheid. Alleen, men vergisse zich niet. Reeds uit het cijfer iio blijkt, dat die schrede volstrekt nog niet overal en juist zoo ver gedaan wordt, als, naar onze overtuiging, de tvaarheid der dingen vordert. Wij behoeven dan ook bovendien slechts mede te deelen dat hij den Isten brief van Petrus en dien van Jacobus voor naamlooze na-apostolische geschriften houdt; meent, op grond van 22:7, dat het Evang. naar Mattheus slechts na Jaruzalem's verwoesting kan ontstaan zijn, en aanneemt, dat het Evang. naar Johannes niet van den Apostel, maar van den presbyter is dien Papias noemt, enz. enz. Desniettemin en juist in verband met dergelijke meeningen, blijven voor ons zijne bovenvermelde uitspraken van te grooter beteekenis.

En om nog dit te noemen, over den naam Chebdr in Ezechiël i : 3 geeft hij deze aanteekening:

Van The Babyion Exped. of the Univ. of Pennsylv door Prof Hilprecht is reeds de Vide band verschenen. Dit gedeelte bevat meest teksten uit den tijd van Arta xerxes I, an. 464 — 424. Daarin komen vele namen voor vanjoodsche ballingen, die, door Nebukadnezar weggevoerd, in Nippur (zuid-oost van Babel) woonden en wier namen ter verklaring of verbetering van min of meer gelijkluidende kunnen strekken die in de H. Schrift voorkomen. Ook ambtsnamen, als bijv. databari, Dan, III:2, worden er in gevonden. Maar waar we vooral op wilden wijzen is dit, dat daarin ook de naam Chebdr, in Ezech 1 : 3. etc. genoemd, voorkomt.

Ofschoon te dezer plaatse uitdrukkelijk staat dat deze rivier „in 't land der Chaldeën", dat is Babylonië, stroomde, bleef nog altijd de meening (ook van Keil) stand houden, dat die rivier identisch zon zijn met de Chabór, de bekende nevenrivier van den Eufraat bij Circesium, en alsof deze niet juist de bij 2 Kon.

XVII : 6 genoemde ware, die ook in de Assyrische inschriften als de Chabür, de rivier van Guzana, in Mesopotamië, is aangeduid. Bedachtzame exegeten bleven dan ook bij den Chebdr denken aan een kanaal in Babylonië, wijl even als in het Arabisch en het Babylonisch-Assyrisch, ook allicht in 't Hebreeuwsch het woord nakar zoowel voor kanaal als voor rivier kon gebezigd zijn. Thans heeft zich dit als volkomen juist bevestigd. In genoemde inschriften toch komt tweemaal voor de naam Chebür van een bevaarbaar kanaal in de nabijheid van het bovenvengenoemde Nippur.

Er begint op heel dit terrein een zooveel gezonder wind te waaien.

De moed herleeft. Men durft het tegen de critische school weer opnemen. Men voelt dat haar getij verloopen is.

Vooral sinds Ruprecht zijn des Rclthsels-Lösung, en Robertson zijn History of the Religion of Israel in de wereld zond, voelden de critische heeren zelven, dat het fundament waarop hun gebouw rust, begint te wankelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Tijdschrift voor Gereformeerde Theologen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken