Bekijk het origineel

Om de drie jaar.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Om de drie jaar.

8 minuten leestijd

Onze kerken vergaderen Synode om de drie jaar. in Generale

Zoo bepaalde men in Art. 9 op de Synode te Emden, in art. 45 van de Dordsche Synode van 1578, in art. 44 van de Haagsche Synode 1586, en in Art. 50 van de Dordsche Synode van 1619,

Uitgevoerd zijn deze bepalingen niet. De Overheid hield het tegen. En na 1619 hebben onze kerken geen Generale Synode meer gekend, zoolang de macht der Hoogmogenden aanhield.

Eerst in onze eeuw zijn de Gereformeerde kerken weer in Generale Synode saamgekomen; en sinds is weer het aloude gebruik, om telken derden jare zulk een Synode te houden onder ons in zwang gekomen.

Toch is reeds meer dan eens, en zoo ook nog onlangs op de Synode van Middelburg, de vraag te berde gekomen, of om de drie jaren niet te weinig was.

Die vraag nu is overwaard, dat ze, eer weer een Generale Synode daagt, eenigszins van nabij ook in de Pers bezien en in kerkelijke kringen besproken worde.

Er zijn er die er wel toe neigen, om meer saam te komen. Er zijn er ook, die achten dat het bij die drie jaren blijven moet. Laat dan over en weer de argumenten, /; '*? en contra gelijk men dit noemt, gewikt en gewogen worden, en laat zich op die wijs, eer de kerken weer saamkomen, een meer algemeene opinie over dit niet zoo onbelangrijk vraagstuk vormen.

Tweeërlei stellen we hierbij aanstonds op den voorgrond.

Het eerste is, dat de kas zeer stellig voor een Synode om de drie jaren pleit. Het tv/eede, dat onze vaderen even stellig niet tiit begitisel tot hun bepaling van de drie jaren kwamen.

Generale Synoden zijn duur. Er gaat tusschen de vier a vijf duizend gulden meê heen. Verdeelt men nu die som over drie jaren, dan gaat het. De tien provinciale Synoden kunnen dan zonder veel bezwaar de kosten dragen. Maar brengt men de Generale Synode op het jaar, zoodat deze geheele som elk jaar zou m.oeten gevonden worden, dan is het te voorzien dat de quaestoren van de Provinciale Synoden met de handen in het haar zouden zitten.

Een Generale Synode bestaat uit veertig gewone leden met keurstem, twee Dienaars des Woords en twee ouderlingen uit elke provincie; waar dan nog, den éénen keer meer, den anderen minder, adviseerende leden bij komen, die stellig minstens een vijftiental zullen blijven. Men heeft dus te doen met een vergaderingvan ongev& e.rsestig'pQrsoncn.

Die personen komen niet op eigen gelegenheid. Ze reizen heen en terug op kosten der kerken. En ook moeten ze in de plaats, waar de Synode saamkomt, vrij worden gehouden.

Rekent men nu dat zulk een Synode drie weken zit, en dat de helft der leden voor één Zondag tusschentijds nog naar huis moet, dan geeft dit viermaal de reiskosten, en ongeveer twintig dagen verblijf. Over zestig leden gerekend zou dit 1200 eenheden, plus 240 maal de reiskosten geven, zoodat, moest dit alles betaald v/orden, gerekend tegen ƒ 5 per dag en ƒ 5 reiskosten door elkaar, reeds hiermede een som van f 60OQ + ƒ 1200 = ƒ 7200 gemoeid zou zijn.

Vriendelijke gastvrijheid heeft intusschen de verblijfkosten in den regel doen wegvallen, althans van de meesten, wat zeggen wil, dat bijzondere leden der gemeente het zich een voorrecht hebben gerekend, deze kosten op zich te nemen, terwijl enkele leden der Synode, die meer met middelen gezegend waren, ook de overige kosten niet zelden zelven droegen.

Maar ook al is daardoor de som van reis-en verblijfkosten tot een minimum herleid, de drukker is er nog, en deputaten, die rapport hebben in te dienen, zagen meestal geen oorzaak, om den drukker al te zeer te beknibbelen. Daarbij komt dan dat ook staande de Synodale vergadering allerlei rapporten en stukken met spoed gedrukt en rondgedeeld moeten worden, zoodat de drukker gemeenlijk een tamelijk hooge rekening te presenteeren heeft.

Deputaten hebben bovendien, om tot hun rapport te geraken, vele samenkomsten moeten houden, die als een soort Voor-synode vrij groote uitgaven voor reis-en verblijfkosten noodzakelijk maakten, en deze bedragen, gevoegd bij nog enkele kosten, die de vergadering der Synode zelve ver* oorzaakt, maken dat het dan toch nog op f 4 k f 5000 loopt, een som die voor zoo uitgebreide Synode niet zoo heel veel zal zijn te verminderen.

Een Synode om het jaar zou zeker in twee weken kunnen afloopen, desnoods obligatoir. Het aantal adviseerende leden zou dan iets slinken. Het drukwerk zou 'iets minder zijn. Ook zou de rekening van Deputaten uiteraard aanmerkelijk dalen.

Maar een ƒ 3000 zou toch stellig noodig blijven. Dit zou dus alles saam gerekend/300 per jaar voor elke provincie zijn, en we geven toe dat zelfs die som nog tamelijk zwaar op de classicale kassen zou drukken.

Van meet af wordt dan ook door ons toegegeven, dat het zuinigheidsargument, dat in Nederland gemeenlijk zwaar weegt, zeer beslist tegen het vermeerderen van deze Generale Synoden gekant is, en dat het, afgezien van nog vele andere bezwaren, uit dien hoofde, en met het oog op de kas, wenschelijk ware, dat we bij die driejaar konden blijven.

Even stellig van aard is onze tweede opmerking, die vlak tegen de eerste overstaat.

Velen toch beelden zich in, dat het vergaderen in Generale Synode om de drie aren een lievelingsdenkbeeld van onze vaderen was; dat deze bepaling bij hen als een soort wet van Perzen en Meden gold; dat we, om goed Gereformeerd te blijven, er zelfs niet aan denken mogen, om aan die bepaling te tornen; en dat het streven naar meer Synoden-Generaal een dier nieuwigheden is, die geen goed Calvinist zoo toelaten kan.

Het conservatisme der historie.

Hier is intusschen niets van aan. Voetius' eigen verklaring wijst dit uit.

In zijn Folit. Eccl. toch. Deel IV p. 234 zegt hij klaar en duidelijk : „Het is zeer gewenscht, dat er in elk land elk jaar een gewone Generale Synode worde gehouden".

Admodtem conveniens est, ut ordinariae et anniversariae Synodi Nationales in qnaque natione habeantnr.

Hiermede is dit punt eigenlijk afgedaan.

Als Voetius, DE man van ons Gereformeerde kerkrecht, zich op zóó stelHgen toon in vlak tegenovergestelden zin uitlaat, is zelfs de mogelijkheid afgesneden, dat men zich nog op het verleden beroepe, om in de driejarige Synode een soort van onaantastbare traditie te zien.

Voetius acht, juist omgekeerd, de jaarlijksche Synode niet alleen gewenscht, maar zelfs gewenscht in hooge mate.

Zijn admodum conveniens is hier welsprekend.

En Voetius doet nog meer.

Hij spreekt toch de gewenschtheid van een jaarlijksche Generale Synode niet alleen als zijn eigen gevoelen uit, maar wijst er op, hoe men in onderscheidene Gereformeerde kerken dien regel ook gevolgd is.

Hij laat toch op zijn pertinente en concludente verklaring onmiddellijk deze woorden volgen : Zoo is het dan ook ingesteld in Schotland, in Frankrijk, in Ho? igarije en in Zevenbergen.

Toch voorziet hij de mogelijkheid, dat er aan het jaarlijks samenkomen der Synode onoverkomelijke bezwaren in den weg staan. „Er kunnen, zoo gaat hij voort, moeielijkheden bestaan, die het jaarlijks bijeenkomen verhinderen." Goed, maar dan moeten ze minstens om de twee jaar bijeenkomen. Altera quoque anno. En eerst als ook dat onmogelijk kan, dan ja, moet het 0771 de drie jaar geschieden, maar minder toch in geen geval.

Ieder gevoelt, hoe hierdoor de zaak in geheel ander daglicht komt te staan.

Wat eerst gewenschte regel scheen, wordt nu uitzondering, een uitzondering die pas dan intreedt, en alleen dan geoorloofd is, als het feitelijk ontnogelijk blijkt, om drukker te vergaderen.

. Regel is niet om de drie jaar, maar regel is elk jaar.

Kan dat in emste niet, dan kome men om de twee jaar saam.

En eerst als men in oprechtheid voor God kan zeggen, dat zelfs dit de krachten te boven gaat, en door de gelegenheid der kerken niet gedoogd wordt, eerst dan is men vrij, om pas om de drie jaar weer saam te komen.

Der kerken plicht en normale roeping is alzoo, elk jaar te vergaderen. En van dezen plicht worden ze dan eerst ontslagen, indien ze in waarheid getuigen kunnen, dat te groote moeielijkheden, die ze niet uit den weg kunnen ruimen, haar hierin weerhouden.

Is nu onder die moeielijkheden het vinden van een ƒ3000 per jaar als onoverkomelijk geldend, en als zoodanig door Voetius bedoeld ?

Stellig niet.

Immers hij wijst er terstond op, hoe in andere landen, waar de Synoden evenzoo geld kosten, de samenkomst jaarlijks gehouden werd.

Neen, de moeielijkheden, die hier te lande de drie jaren deden kiezen, waren van geheel anderen aard.

zwaar macht zouden Men vergaderde te Wezel en te Emden, omdat de vervolging nog bang doorging en men met levensgevaar de zaken der kerken beredderen moest. En nadat het gevaar der vervolgingen voorbij was, mengde zich de Overheid in de kerkelijke aangelegenheden, en zag er overwegend bein, dat de kerken zich als een in den Staat te sterk organiseeren

Men kon toen niet samenkomen, of de Overheid moest het goedvinden, en de Overheid zvas er tegen, en werd er steeds meer tegen.

De historie toont, hoe het bijna een omwenteling gekost heeft om de Synode van 1618 bijeen te roepen, en toont evenzeer, hoe in de jaren na 1618 de Overheid de kerken eenvoudig belet heeft, haar eigen kerkenordening uit te voeren.

is in­ Van soortgelijke moeielijkheden tusschen thans geen sprake meer.

We worden niet meer vervolgd. We hangen niet meer van de Overheid af. Een vrijheid zooals onze vaderen die nooit gekend hebben, wordt thans door de Gereformeerde kerken genoten.

Veilig mag dan ook aangenomen worden, dat, als Voetius in onzen tijd geleefd, onze vrijheid genoten, en. onze onafhankelijkheid gekend had, hij zijn exceptie zelfs niet vermeld zou hebben, en kortweg zijn regel zou hebben laten gelden: Het is in hooge tnate gewenscht, dat de kei-ken alle jaar in Gefierale Synode samenkomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Om de drie jaar.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken