Bekijk het origineel

„Stelt er uw hart op.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Stelt er uw hart op.”

10 minuten leestijd

Stelt er toch uw hart op, van dezen dag af en opwaarts. Haggaï 2: l()a.

Er is onderscheid in den graad van sterkte, waarmee we inleven in wat we doen.

Dat merkt ge, om het aanstonds op het diepst te nemen, aan uw eigen gebed. De ééne maal zal het een bidden zijn, dat bijna met uw lippen afloopt, en waar uw persoon nauwlijks even inglijdt. Een ander maal zal het meer wezenlijk bidden zijn, dat ge er althans bij zijt met uw gedachten en het waarlijk meent. Maar verreweg nog boven dat gewone bidden gaat dat zielsinnige gebed, waarin ge zoo nu en dan uzelven verliezen moogt, om er de schier tastbare gemeenschap met uw God in te vinden.

Drie graden van sterkte in uw gebedsinnigheid alzoo. Een gebed dat schier buiten u omgaat. Een gebed waar ge in waart. Een gebed waarin ge uzelven verloort, maar waarin uw God tot u kwam.

Aldus leert het ieders ervaring, en zoo 7no(t het wel zijn, ook al mocht het in zijn zwaksten graad van sterkte zoo niet voorkomen; want een gebed dat grootendeels buiten ons omgaat, en waarin noch wij in zijn, noch onze God in komt, is feitelijk een schijn zonder wezen, een vormelijk bidden dat ons aanklaagt.

En toch, dat het er is en voorkomt, ook in inv leven, ontkent ge zelf niet. Als ge vol zijt over een hard twistgesprek dat ge hadt, of over een plotseling aangrijpend iets, dat u bericht werd, of als vinnige hchaamspijn u kwelt, of iets, wat ook, uw zinnen bezet en uw gedachten vervult, en de tafelorde, of het naar bed gaan brengt u half werktuiglijk in het bidden, dan is het een feit, dat vaak de lippen meer bidden dan het hart.

Ook kan wat op die manier uit overvolheid der gedachten voortkomt, een ander maal het gevolg zijn van te groote ingezonkenheid. Als een gemelijke matheid van geest over ons toog, en

|Vvve in niets lust hadden, en ons tot niets bekwaam voelden, en we dan toch om de orde van den dag ons in het gebed begaven, dan baden we, o, ja, en meenden het ook wel, maar met een gebed zoo aan lager wal, dat het na twee, drie minuten niet verder kon, en feitelijk strandde.

En al staat nu het gebed in den tweeden sterkte graad, zooals een ernstig mensch gemeenlijk bidt, reeds veire boven dat eerste soort werktuiglijk bidden, zoodat ge uw gedachten saamtrekt, u inspant om wezenlijk te bidden, en het dan ook in zekeren zin wezenlijk doet, toch weet ge zelf uit zalige ervaring maar al te goed, dat er nog een heel ander bidden is in veel hooger sterktegraad, en dat alleen zulk verhoogd, of wilt ge verdiept en verinnigd bidden werkelijk zalig maakt en u innerlijk troost.

Nu gaat dat werktuiglijke bidden bijna buiten uw hart om.

Bij dat zielsinnige bidden, is uw hart er vanzelf in.

Maar het gewone, vromelijk bidden, is een bidden, waar ge 7iw hart op stelt.

Gelijk het nu in ons bidden is, zoo is het bij elke levensuiting. In hoofdzaak altoos die drieërlei graad van levenssterkte.

De ééne maal, om het nu practisch uit het leven te nemen, dat een goede huismoeder haar potje kookt, maar aan andere dingen denkt, er met haar hart niet bij is, en het straks onsmakelijk opdischt. Een ander maal dat ze er gewoon op past, en haar gezin goede spijs op tafel voorzet. Maar ook een enkel maal, dat ze een ziek kind heeft, en dat voor dit arme wicht iets extra's moet gereed gemaakt, en dat ze er op past, als hing haar leven er aan.

Of wilt ge een ander voorbeeld. In trage buien is iemand het bed bijna niet uit te krijgen, al klopt en roept ge hem. In het gewone leven staat wie ordelijk is, flink op als het tijd is.

Maar moet men op verre reis of is er feest in het huis, dan kunt ge uw huisgenooten 's morgens nauwlijks in bed houden, en staan ze gekleed voor u, eer ge er om denkt.

Drie sterktegraden van levensuiting alzoo, waar wel allerlei verschillen nog tusschen liggen, maar die in hoofdzaak toch tot dit drieledig onderscheid te herleiden zijn.

Levensuitingen, waar uw hart zoogoed als buiten blijft.

Levensuitingen, waar ge zelf, uit plichtsbesef en hooger aandrang, uw hart bij brengt.

En eindelijk levensuitingen, waar uw hart vanzelf in is, en waarin ge u zelven overtreft.

Of om het anders te zeggen: Levensuitingen, die beneden het gewone blijven. Levensuitingen waarin het gewone leven werkt. En levensuitingen die hoven het gewone uitgaan.

Nu kan men uit hooge idealiteit overdrijven, en anderen of zich zelven den eisch stellen, dat heel het leven uitkome in dien derden graad, in die hoogste spanning, in die sterkte die boven de maat gaat.

Dat klinkt dan bezielend en hoog. Voor een oogenblik kan het zelfs verheffend werken. Soms, dit geven we toe, kan dit opzetten van het leven op zijn hoogste spanning zelfs eisch van het oogenblik zijn.

Maar toch, nuchterheid brengt ook hier het verst.

En ook gebiedt die klare nuchterheid om te erkennen, dat zoo buitengewoon sterke en diepgaande levensuiting bij ons niet het normale kan zijn, en dat, als we dit toch najagen, valsche opwinding voor hooger bezieling, schijn voor innigheid, en zelfbedrog voor hooger levenstoon in de plaats treedt.

Valsche toestanden waarin geen kracht ligt.

Tot zoo buitengewoon sterke spanning van den geest, als voor dien hoogsten sterktegraad noodig is, komen we alleen onder den prikkel van zeer buitengewone omstandigheden.

Dan worden ongemerkt op eenmaal onze gewaarwordingen zooveel sterker; we gevoelen zooveel dieper; onze aandoeningen zijn zooveel aangrijpender; de stroom van het leven in ons hart gaat veel sneller; zelfs het bloed in onze aderen jaagt sterker. En onder dien hoogen impuls van heel ons wezen doen we dan het dubbele van anders, leven we veel inniger, en is de uiting van dat hooger gespannen leven veel treffender.

Maar wie nu, ook in gewone tijden en oogenblikken, als die prikkel ontbreekt, en de stroom des levens in en om het hart kalmer slaat, toch op dien hoogen toon wil zingen, die windt zich kunstmatig op, wil zweven boven de werkelijkheid, en brengt, zonder het te be doelen, zeker element van onwaarheid in heel zijn bestaan.

Vooral in het heilige pleegt dit veelvuldig voor te komen.

Lieden met een warm gemoed, die snakken naar diepe indrukken, sterke aandoeningen, overweldigende volle levensuitingen, en die, omdat het gewone leven hun te nuchter is, nu toet holle phrasen, eigengemaakte schijnaandoenlngen en overprikkelende uitingen, zich zelven en anderen pogen op te winden tot een geestelijke genieting, die niet overeenstemt met den wezenlijken toestand van hun hart.

Dit kan zelfs zoo aanstekelijk worden, dat anderen dit met ons mêe gaan doen, tot allen saam in die overprikkelde stemm.ing komen.

De meetings der Methodisten, maar ook de predikatiën en gebeden van strenge niet-Methodisten weten er van te verhalen. En dan geniet men geestelijk, maar dat er toch geen vrucht van komt.

Schijnaandoenigen door overprikkeling, of aandoeningen en gewaarwordingen door den Heiligen Geest in ons gewerkt, zijn zoo heel iets anders.

Schuim van zeepbellen die ge zelf opblaast, of het witte zeescfiuim, dat God met zijn golven aanstuwt naar het strand.

Als het dan ook bij Haggaï den profeet heet: „Stel er uiv hart op; " en diezelfde vermaning aan het slot van het vers zelfs herhaald wordt, dan ligt hierin allerminst de eisch, dat heel uw leven uit den derden of hoogsten sterktegraad zal spelen; maar alleen, dat ge uit den laagslen graad tot den tweeden zult opklimmen. Of met andere woorden, dat ge van een leven dat buiten uw hart omgaat, zult opklimmen_ tot een leven, waarin uw hart bij alles in is.

En in dien zin heeft deze ernstige vermaning reden van bestaan.

U te zeggen: „Leef voortdurend in dien toestand van extase, die alleen onder den prikkel van het buitengewoon aangrijpende in u ontstaan kan", ware onredelijk. Want zulk een toestand hebt gij niet in uw macht. En als gij zulk een toestand dan toch door fictiën seheppen wilt, wordt ge slachtoffer van valsche opwinding.

Maar te zeggen: „Maak een einde aan uw werktuiglijk leven, aan een leven buiten uw hart om, en begin van nu voortaan op al wat ge doet uw hart te stellen", dat is een vermaan, dat u uw schuld doet gevoelen, u be-straft, uw harteloos doen veroordeelt, en u prikkelt tot dien ernst en die zelfaangrijping, die maakt dat uw hart er in komt.

AVe leven, en we worden geleefd.

In het mysterie van ons lichaam grijpt in bloedsomloop, in ademhaling, in zenuwspanning, in stofwisseling en zooveel meer, allerlei actie plaats, waar we niets aan doen kunnen, en vaak zelfs niets van merken.

Het is dan wel ons leven, maar een leven dat we zelf niet in onze hand hebben. Waar we lijdelijk onder verkeeren. Een stroom waarop we afdrijven zonder riemslag of omslaan van het roer.

Maar tegenover dat lijdelijk leven in ons lichaam, staat het vrije leven van onzen geest, waarin we zelven actief zijn.

Is het nu wel met ons, dan moet dat zelfbewuste leven heel den geest vervullen, en door den geest zelfs op het lichaam werken, en het lichaam beheerschen.

Maar de zonde wil het anders. Zij wil het onvrije, lijdelijk, gebonden leven van het lichaam ook op den geest overbrengen. Dan gaat het logge, loome lichaam heerschen over den geest, en de geest raakt onder de macht van sleur en traagheid, tot we ten leste als een slecht loopend uurwerk, het slagwerk laten roesten, dat het geen slag meer geeft, en bij alles een halven wijzerzwaai te laat komen.

En tegen die zonde nu gaat Gods Woord in.

Tegen het lichaam in, en tegen de poging van het lichaam om den geest te overheerschen, roept de Geest des Heeren u toe: Stel uw hart er op.

Uw hart, dat is het wat u mensch maakt.

IJet zijn van uw hart bij uw doen, dat is het wat u als mensch sterkt, bezielt, verheft en uw levensuiting verhoogt. Uw hart er op ie stellen, dat is het wat ge door inspanning van uw geest kunt bereiken, en wat u ten regel moet worden.

We begonnen met het gebed en willen daarom ook met het gebed eindigen. En dan weet ook gij zeer wel, dat ge, als ge bidden gaat, er op denken kunt wat ge nu gaat doen; hierover denkend uw gedachten tot uw God kunt opheffen; en door er uw hart op te stellen, maken kunt, dat uwe ziele weet, hoe ge waarlijk en wezenlijk tot den levenden God hebt gesproken. Doet ge dat nu, en houdt ge het vol, dan raakt ge allengs uit de sleur uit, wordt uw gewone bidden een ernstig bidden, en sterkt dit ernstig bidden op zijn beurt weer gaandeweg de kracht in u, om er al meer uw hart op te stellen.

En zooals dit in het gebed is, zoo zal het dan ook in uw arbeid, in uw zorge voor uw gezin, bij de opvoeding van uw kinderen, bij uw studiën, in uw geldzaken, bij uw bemoeiing met de zaken van kerk en school, van staat en maatschappij worden. Ge doet dit alles ook nu reeds, maar dan zult ge het doen met uw hart er hij.

Tot in uw aalmoezen zelfs zal dit doorwerken.

Nu geeft ge ook, maar dan zult ge geven met uw hart, en bij God zult ge er uw loon om hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 februari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

„Stelt er uw hart op.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 februari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken