Bekijk het origineel

Antwerpen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Antwerpen.

6 minuten leestijd

Van den Dienaar der Zendingskerk van Antwerpen, Ds. Th. A. Eggenstein, ontvingen we onderstaand schrijven, met verzoek het op te nemen.

Gaarne voldoen we hieraan.

Het luidt als volgt:

Hooggel. Heer Redacteur! Nu vroeger en later, door uzelven en door uwe medearbeiders, in de Heraut de Belgische Zendingskerk en vooral hare organisatie besproken werd en wordt, het laatst naar aanleiding van wat door u genoemd wordt „het weder opstaan der aloude kerk van Antwerpen'', zult gij wel voor een enkele maal gastvrijheid in uwe kolommen willen verkenen aan de volgende regelen van een der predikanten dier Zendingskerk, die nog al bezwaar heeft tegen een paar uwer beweringen in uw artikel in het No. van 9 Januari 1.1., getiteld: De kerken in het Zuiden.

Vooraf zij u verzekerd dat, al mogen wij het betreuren dat men, bij het reeds bestaan van twee Evangelische kerken in een land, waar het protestantisme eene zeer geringe minderheid is, eene derde kerkgemeenschap gaat formeeren, wij zulks echter volstrekt niet min kiesch vinden, indien nu eenmaal de organisatie boven de Evangelisatie wordt gesteld. Maar dat men zoo goed als al de leden der Zendingskerk te Antwerpen telkens opnieuw, per postkaart uitnoodigt tot bijwoning van godsdienstoefeningen, door daartoe uit Nederland overgekomen predikanten, op uren die ongeveer dezelfde zijn als die der Zendingsgemeente, en in een lokaal in de onmiddelijke nabijheid van haar kerkgebouw, en de uitgenoodigden verzoekt „zooveel mogelijk vrienden en kennissen mede te brengen" : zie, dat achten wij iets, waarvan de kieschheid zeer betwijfelbaar is. In dit opzicht, en niet alleen! hierin, hebben de Antwerpenaars het voetspoor ; der „Gereformeerde kerk" van Brussel niet ge­ ' volgd, want deze heeft zich van zulk eene handelwijze streng onthouden.

Maar om tot onze bezwaren tegen een paar uwer beweringen te komen. Door u wordt gezegd: „Zij dachten zelfs niet aan het oude Gereformeerde leven, dat in België gebloeid had.

Ze namen van de Belijdenisschriften schier geene notitie." Toch wel eenigszins dachten wij er aan, want reeds in art. 2 onzer Constitutie luidt het: „Overtuigd neemt de Belg. Christel.

Zendingskerk de oude Belgische Geloofsbelijdenis aan als uitdrukking in de hoofdpunten van haar geloof Zij verblijdt zich dit heerlijk gedenkteeken van het geloof onzer vaderen weder op richten, en aldus haar werk aan de Kerkhervorming der XVIde eeuw vast te knoopen."

Voorts wordt door u verzekerd: „Zacht gemaand om van lieverlede betere paden op te zoeken, is dit verzoek afgeslagen. Eenerzijds omdat men niet Gereformeerd zijn wilde. Anderzijds, overmits men geldelijk te afhankelijk, met name van Engeland, was."

Volgens verband eii samenhang is hier sprake van de organisatie der „Vrije kerken", dus van de Zendingskerk. Doch dan vraag ik u: waar, wanneer en door wien is zulk een verzoek afgeslagen geworden? Waar, wanneer en door wien is_ verklaard, dat men niet Gereformeerd wilde zijn ? Waar, wanneer en door wien is gezegd, dat men daartoe geldelijk te afhankelijk van Engeland was?

Toen die „zachte maning" — waarschijnlijk wordt daarop door u gedoeld — door de geachte afgevaardigden uwer Synode tot ons werd gericht, kon geantwoord worden dat, onafhankelijk van alle maning, reeds eene commissie van 15 leden was benoemd en aan het werk getogen, om eene herziening van onze Constitutie en Organiek Reglement te bestudeeren. En wat onze Zusterkerken en de Evangelische genootschappen in Engeland betreft, zij hebben ons de rechterhand der gemeenschap gegeven en ons geldelijk ondersteund, op voorwaarde alleenlijk dat wij de Evangelisatie van België zouden behartigen, hetwek wij ook benaarstigd hebben te doen. In onze kerkelijke organisatie hebben zij ons vrijgelaten. Zachte maningen tot verandering daarvan zijn alleen uit Nederland tot ons gekomen.

Met de opneming dezer regelen zult gij, hooggel. heer redacteur, zeer verplichten.

Uw dienstwillige in Christus, THEOD. A. EGGENSTEIN, Predikant te Antwerpen der Belgische Zendingskerk.

Duidelijk is dit verweerschrift ons niet.

Dat er een phrase gebruikt is, om aan de aloude Confessie van Guydo de Bray aan te sluiten, ontkennen we niet; maar, eilieve, welke kracht des Geestes en der Waarheid .schuilt er in zulk een phrase, als men begint met te zeggen, dat men de Confessie zij het ook alleen«'« hoofdpunten belijdt, en inmiddels heel een reeks artikelen rakende de hoofdpunten waarvoor onze vaderen het schavot beklommen, geheel op zij zet als bijzaak.

Alleen „in de hoofdpunten", maar zoo kan ieder de Belijdenis overnemen, want dan noemt een ieder hoofdpunt wat hij zelf gelooft, en bijzaak datgene waartegen hij bezwaar heeft.

En in deze Confessie komen nu voor ses artikelen over de kerk, inhoudende alle beginselen en uitgangspunten voor het Gereformeerde kerkrecht, en juist in deze artikelen staat de uitdrukking, dat men dienovereenkomstig leven moet, „al stelden ook de plakkaten der prinsen er zich tegen". En desniettemin heeft men zijn Zendingskerk ingericht op een manier, die hiermede in elk punt bijna strijdt.

Al geven we dus volgaarne toe, dat ook deze broederen goede intentiën hadden, en het kostelijk bedoelden. Ds. Eggenstein zal dan toch zelf moeten toestemmen, dat er met de Confessie geen ernst is gemaakt.

Immers deze Zendingskerk is feitelijk ingericht op een wijze, die nog vrij wat erger is, dan de Synodale organisatie van 1816 ten onzent.

Toch kon men hier nog tegen aanvoeren, dat men hiervoor blind is geweest.

Maar dan natuurlijk had men, zoodra er onzerzijds op gewezen werd, ook met vreugde en blijdschap, onverwijld de betere paden moeten inslaan.

Sinds een reeks van jaren reeds werd onzerzijds critiek gegeven, en niets is veranderd.

Want wel is een Commissie van i S leden benoemd, om de zaak te onderzoeken, maar uit de gevoerde onderhandeling is toch nu reeds genoegzaam gebleken, dat men er niet aan denkt de kerkrechtelijke beginselen der Confessie als maatstaf te kiezen.

Dat van Engelsche zijde bedingen gesteld waren, is niet door ons beweerd. Dit bedoelden we ook niet. Maar wel blijft het onze overtuiging, dat het Engelsch Methodisme onwillekeurig de broederen in België den Methodistischen kant heeft opgedreven.

Van de handeling der Antnverpsche broederen vernamen we, dat ze, alvorens op te treden, Ds. Eggenstein in de zaak gekend hebben, maar dat dit tot niets heeft geleid.

Dat hun het Noorsche en Engelsche kerkgebouw geweigerd werd, nadat het eerst in bruik was afgestaan, heeft zeer leed gedaan, daar men zich afvroeg: Waarom is ons dit geweigerd? En dat ze nu propaganda maken voor hun overtuiging is toch natuurlijk.

Minstens even sterk als br. Eggenstein betreuren wij dezen loop der zaken. We zijn overtuigd, dat hij zelf onder de predikanten behoort, die nog het sterk.st voor het Gereformeerde element opkwamen. Maar zelf zal hij moeten toegeven, dat men thans zeer beslist denMethodistischen kant uitdrijft, en dat het verschil tusschen Gereformeerd en Methodistisch te principieel is, om door wie aan de Confessie vasthoudt, over het hoofd te worden gezien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 februari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Antwerpen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 februari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken