Bekijk het origineel

„Een kroon van doornen.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Een kroon van doornen.”

9 minuten leestijd

En eene kroon van doornen gevlochten hebbende, zett'en zij die op zijn hoofd, en eenen rietstok in zijne rechterhand; en vallende op hunne knieën voor hem, bespott'en zij hem, zeggende : Wees gegroet, gij koning der Joden. Matth. 27 : 29.

De „doornenkroon" van den Christus is in de geheele wereld onzer voorstellingen zinbeeld der diepste tegenstelling tusschen spot en eere, hoon en glorie geworden.

In het denkbeeld van de kroon eere en glorie. In den wreeden, Avondenden doorn de spot en de hoon.

Toch beoordeele men ook hierin de soldaten die beulsdienst hadden te verrichten niet verkeerd.

Bij ons roept het woord »kroon" aanstonds de voorstelling op van een prachtige hoofdbedekking, in goud stralend en fonkelend door edel keurgesteente. Doch zoo was het in de toenmalige wereld, waartoe die soldaten hoorden niet. Kroon en krans waren voor Griek en Romein schier van gelijke beteekenis.

Onder de Grieken droeg elk overheidspersoon in functie een kroon, en die kroon bestond uit ineengevlochten bladstengels. Ook wie sprak in de volksvergadering omvlocht zich het hoofd met zulk een krans. En de lauwerkrans, als prijs der kampspelers uitgereikt, leeft nog in de kransen na, waarmee men, bij ons minder, maar veel in Frankrijk, den prijswinner lauwert.

En evenzoo bij de Romeinen was de kroon oorspronkelijk niets dan een vlechtsel van boomtwijgen, naar der Romeinen aard hoofdzakelijk als militaire eeretitel in zwang. Bij den triumftocht van een overwinnend veldheer, die Rome met zijn troepen binnentoog, droegen én hij zelf én zijn dappere krijgers een krans of kroon uit lauwertakken saamgevlochten. Bij de ovatie verving de mirtentwijg den lauwertak. En wie als veldheer een stad redde, ontving zelfs een krans of kroon uit grassprietjes in elkander geweven. Eerst de keizers van Rome ontvingen het recht om zulk een lauwerkrans als kroon bestendig te dragen, en verwisselden toen den natuurlijken lauwertak met een lauwertak van goud. En het is uit deze gouden lauwerkransen dat zich later alle vorm van de Eurol^eesche kroon ontwikkeld heeft.

Op zichzelf lag er dus niets vreemds in, dat ook de soldaten, die Jezus te bewaken hadden, bij manier van kroon een handvol stengels ineen vlochten gn Jezus op het hoofd zett'en. Dat verzonnen ze niet, maar dat was Romeinsche legerusantie. Zoo kransten en kroonden ze steeds hun overwinnende veldheeren. De tegenstelling lag hier alleen in den doorntak voor de lauwertwijgen, en hun spot in het eeren van een machtelooze, die zich voor koning uitgaf, als ware hij een spotbeeld van Romes keizer.

Romes keizer gebood te Jeruzalem, en van Jezus hoorden zij, dat hij gevonnist was als een die zich als tegenkoning had opgeworpen.

Die enkele gedachte nu, dat deze weerlooze, hulpelooze mensch zich onderwonden had het tegen den machtigen keizer van Rome op te nemen, wekte hun spotlust. Dat scheen hun het toppunt van zotheid en waanzin. En het was deze spot, door het vonnis zelf in hen gewekt, dien ze tot uitdrukking brachten, toen ze dien weerloozen dwaas een Romeinschen soldatenmantel omhingen, hem een schepter van riet in de hand gaven, en als ware hij Caesar .in eigen persoon een triumfalen krans, maar nu van doornmeien, om de slapen legden.

Eerst toen ze hem daarna met een stok op het hoofd sloegen, kwam de wreedheid bij den spot.

Konden diezelfde soldaten thans uit hun graf opstaan, en de uitkomst van het drama, dat in Gabbatha en op Golgotha is afgespeeld, in den loop der historie met eigen oogen aanschouwen, hoe verbaasd en verwonderd zouden ze niet staan.

Het rijk van hun oppermachtigen keizer sinds veel meer dan duizend jaren spoorloos van het aardrijk verdwenen, en die gevonniste Rabbi van Nazareth heel de v/ereld door aangebeden als meer dan Divus Augustus, als Koning der koningen, als van God gezonden Redder der wereld, als aller Heere en aller God.

Hierin nu spreekt zich de worsteling uit tusschen twee heel het menschelijk leven beheerschende machten, de macht van het geweld, en de macht van de geest.

Die tegenstelling komt op uit onze tweeheid, uitkomende in ons lichaam en in onze ziel.

Die twee hooren bijeen. In zuivere harmonie moesten ze samenwerken, de ziel heerschend, het lichaam dienend. Maar beide weken van elkaar af. De macht van het lichaam, de hand die greep, de voet die vertrad, ging op zich zelf staan, ging tegen de macht van de ziel in.

Het ruw uiterlijk geweld kwam op. Het schijnrecht van den sterkste, d. i. van het sterkste lichaam, en hiermee saamgaande de onderdrukking, de vernedering, de vertreding, de overweldiging van die innerlijke macht, die opwerkt uit de ziel.

Maar die zielsmacht, die macht des geestes gaf daarom geen kamp. Ze hield de worsteling vol. Niet met het wapen van geweld, maar met het wapen des duldens, des stillen lijdens, der protesteerende onderworpenheid. En waar de zielsmacht onderlag en vertrapt werd, daar zag nog het stervend oog het oog van den wreedaard met een blik aan, die hem innerlijk wondde en geestelijk overwon.

Die worsteling tusschen de zielskracht van den geest en de overmacht van de sterke hand, gaat nog dieper dan de tegenstelling tusschen ziel en lichaam, ze vlijmt tot in de verhouding waarin God tot zijn schepsel, en het leven des hemels tot het leven dezer aarde staat.

God is Geest en schiep door geesteskracht heel dit aardrijk dat voor oogen is, en als ge uw blik opheft tot de hemelchoren om Gods troon, is het alles één heir van geesten, met niets dan geestelijke krachten gewapend, die de dragers zijn van zijn almachtigheid.

Deswege komt ook hier beneden, al wat uit God in menschen welt, geestelijk uit, en is het de verheffing des geestes alleen, die ons leven met het leven des hemels doet ineenvloeien.

En tegen die macht worstelt het geweld van den sterkere op aarde in. Zoo doet de roover die den reiziger overweldigt, moordt en uitschudt.

De dief die in uw woning dringt en steelt. De rijke zelfgenoegzamen die den arme verdrukt. De geweldenaar die met een heir soldaten een volk overstroomt. De sterke man die zijn teedere vrouw met geweld naar zijn wil dv/ingt. De groote jongen die den kleineren het leven verbittert.

De overmacht van de meerderheid die de minderheid naar haar pijpen doet dansen. De machtige man onder het volk, die dat volk voor zich arbeiden laat, en uitzuigt. Het onrecht dat het recht van den zwakke durft schen­ den. Het geweld van den wapenstok dat den kreet der consciëntie versmoort.

Dit alles is der mènschheid om der zonde wil overkomen, In God geworteld staat de macht van den geest onverwinnelijk, van God losgerukt moest de geest voor het geweld van de sterke hand onderliggen.

En daarom is er maar één weg, die den geest in ons weer ter overwinning kan leiden: Het geloof dat den geest weer aan Gtod doet aansluiten, en, op Hem vertrouwend, duldt en lijdt.

De Icroon van de lauwertwijg is aan den geest ontvallen, en alleen door willig de doornenkroon te dragen, is het uitzicht op de kroon van het fijnste goud, ons hernieuwd.

Dit is het treurspel van al wie geestelijken adel onder menschen droeg, op elke bladzijde der historie van ons geslacht in bloed en tranen beschreven.

Dit is nog de spannende tragedie, die zich voortzet in het leven van het heden.

Maar het is alleen in Christus, den van God gezalfden Koning, dat deze ontzettende tragedie zich in haar middelpunt samentrekt en haar hemelsche ontknooping vindt.

Die soldaten in de hoofdwacht te Jeruzalem, zijn geen figuranten, ze zijn veeleer de zuivere representanten van het sterke geweld, gelijk zich dat destijds in de Romeinsche soldatenuniform geconcentreerd had.

Die soldaten, het Romeinsche legioen, de Romeinsche adelaar, dat alles voor zich uitdrijvende Romeinsche leger, die gewapende trawanten van Romes keizer, waren wel waarlijk de hoogste toen bekende macht van het geweld op aarde, dat alles vertrad en vertrapte en neervelde en in onwederstandelijken trots aan zich onderwierp.

En tegenover die soldaten staat uw Jezus, als de hoogst denkbare openbaring van de macht van den geest. Edeler, zuiverder, heiliger dan Jezus was er niet. En die Jezus staat tegenover hen, met niets dan dien Geest. Geen trawant die hem bijspringt. Geen discipel die het voor hem opneemt. Geen wapen heeft hij aangegord. Als het op geweld aankomt de meest machtelooze.

Groot, boven alles groot en heerlijk door niets dan den Geest.

In die hooge geestesmacht is die Christus de van God gezalfde Koning over alle levenden en dooden. In die koninklijke geestesmacht spreekt de profetie van een glorie, die alle glorie van aardsche geweldhebbers, zelfs van Romes keizer, zal doen verbleeken.

Maar de Romeinsche soldaat merkt dat niet, ziet er niets van, heeft er geen oog voor. De eenige macht die hij kent, is het geweld van het zwaard. En die niets beduidende mannekens, die op dat uur de hoofdwacht hadden betrokken, hadden een gevoel alsof zij alles waren, Jezus niets, en daarom dreven ze hun spot met hem, en omvlechten ze zijn hoofd met die meien van den doorn.

En toch terwijl ze hun spot met Jezus dreven, maakten ze niet hem, maar alleen zich zelven bespottelijk.

Zelfs die doornenkrans is voor Jezus het zinbeeld der eere geworden.

Als het tusschen het geweld van den sterken arm, en de schuilende kracht van die doornenkroon staat, grijpt nu nog ieder die van edeler inborst is, met voorliefde naar die doornenkroon, ook al is het ons nooit gegund, die doornenkroon met even zuiveren gemoedsadel als Jezus te dragen.

Wat wij vragen, vragen als hoogste eere, is niet om die doornenkroon als Jezus, maar onder Jezus en in zielsgemeenschap met hem te mogen dragen.

En door Jezus ons op het hoofd gedrukt, dan is die doornenkroon ons het zinbeeld van den moed om te dulden, van de zielskracht om te lijden, van de gewisheid in ons, dat de geest zal overwinnen, en dat geweld niet meer adelt maar onteert.

AVat is nu reeds de triomf van den geest hoog boven het geweld van den sterken arm heel de wereld door verheven.

Wat schande en schaamte niet over het geweld, dat nog het recht vertrappeii durft. En omgekeerd hoe hooggestemd klinkt niet het loflied uit des menschen hart voor wat de ziel, die leed, de geest die wist te dulden, de verborgen mensch in ons die volhield en doorzette, ten slotte tegen het geweld vermocht.

Toch houdt daarom de worsteling soms nog bitter aan.

Nog schreit zoo menige edele ziel, en delft wie geestelijk meerder is het onderspit, dat Gods engelen met den verongelijkte weenen, en er een rilling door uw hart gaat bij het hooren van het schelle vreugdegeroep, waarmee wat ruw is en gemeen overwint.

En daarom, ook nu nog kunnen we de bezieling van Jezus' doornenkroon niet missen.

Die doornenkroon blijft ook nu nog het symbool onzes vertrouwens. Die doornenkroon moet ook nu nog ons aanvuren, ons troosten en staande houden.

In die doornenkroon van Jezus schittert nog voor het oog onzer zielsverbeelding het diadeem van de hooge zegepraal die eens komt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 maart 1898

De Heraut | 4 Pagina's

„Een kroon van doornen.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 maart 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken