Bekijk het origineel

Onze Eeredienst.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onze Eeredienst.

7 minuten leestijd

XXII.

Uit het aangevoerde volgt, dat i». een ceremonieel kleed, in den zin van wat de priester van Israël aantrok, in Christus' kerk onbestaanbaar is; 2". dat een soort uniform opdat men onderkend worde, overbodig is te achten; 3". dat een symbolisch gewaad veelzeggend en geoorloofd kan zijn, mits het in Christus' kerk niet ioi onderscheiding diene, en dus voor allen gelde; en 4". dat een kleed der voegzaamheid, der betamelijkheid en der gepastheid, ter uitbanning van de heerschappij der mode, in menig opzicht aanbeveling zou verdienen.

Toch niet in alle opzichten.

Gelijk men weet is door onderscheidene anabaptistische sekten zulk een kleed der vocgzaamheid in zwang gebracht, en nu nog ziet men in Engeland menige Kwakersche juffrouw in zulk een gewaad omloopen.

Ook is het soort van uniform dat het Heilsleger aantrekt, een kleed dat onder deze rubriek thuis hoort, ook al is het meer in het oog loopend.

Bij deze dooperschc sekten was het zeer zeker op deftighcid en gepastheid aangelegd, en zelfs in de muts droegen de vrouwen een tooisel, dat van de „muts met de Gereformeerde geut" onderscheiden was. En natuurlijk was dit geen ambtskostuum, want ambten kenden de doopers niet, maar een kleed dat voor allen gold.

Juist daardoor echter werd het toen weer een kleed der onderscheiding, nu niet om clerus van lecken, maar om „de gemeente" van „de wereld" te onderscheiden.

Voor de wereld de pracht en de overdadige weelde, voor de gemeente der heiligen het sober, en haast somber, gewaad.

Het was toch zoo voor mannen als vrouwen, geheel zwart, of hoogstens grauvir en donkergrijs. En nu ontkennen we niet, dat dit voor bejaarde vrouwen en mannen soms uiterst deftig en net stond, maar het was toch juist het omgekeerde van wat de eerste Christenen vaak symbolisch uitdrukten.

Die eerste Christenen kozen, als ze zulk een gewaad droegen, veeleer het ivit, ter uitdrukking van wat de Schrift ons spreekt van „het witte lijnwaad der heiligen."

Waar ook in de Heilige Schrift een kleed der heiligheid voorkomt, is het altoos blank van tint. In witte, blinkend blanke gewaden verschijnen de engelen, is de Christus op Thabor gezien, en zag Johannes op Pathmos de verlosten daarboven.

Geen twijfel dan ook, of nu nog, zou het cénig symbolisch gewaad voor de geloovigen, juist niet het zwarte, maar het blank witte gewaad zijn.

Zwart is de kleur der somberheid, die bij de onder schuld bedolvenen past. Zwart trekt aan wie rouwt, wie treurt, wie somber en pessimistisch gestemd is.

De geloovigen daarentegen, die juichen in de verworvene verlossing, zijn noch somber noch droef gestemd, maar voor zooveel ze gelooven, en zich de vrucht van Christus' kruisverdiensten hebben toegeëigend, gaan ze aanstonds uit het: „Ik ellendig mensch, " in het: „Ik dank God door Jezus Christus mijnen Heere, " over.

Wilde men dus zijn belijdenis ook in zijn gewaad uitdrukken, zoo zou dit gewaad hagelwit en blank moeten zijn, als uitdrukking van de verworven verlossing.

Doch dan zou hierin ook zoo groote gtloofsverzekerdheid liggen uitgesproken, dat men daarom het weer niet zou durven aantrekken, dat de minst fijngevoelige het 't eerste om de schouders zou hangen, en dat maar al te dikwijls het hart vloeken zou tegen het gewaad dat men droeg.

Alleen als kerkelijk gewaad, d. i. in de kerk, mits ook daar alleen gedragen, zou het gelden kunnen. Gedragen ook op straat en in anderer omgeving, zou het in strijd geraken met de werkelijkheid, en leiden tot valsch vertoon.

Het gewaad en de kleedij der doopersche sekten daarentegen was in zijn zv/art uitdrukking van den weerzin, waarmee deze heiligen nog in de wereld verkeerden. Zij wilden niet meer geacht worden tot die wereld te behooren. De aarde was hun een kerker, en daarom trachtten enkelen hunner een eigen hemelsch koninkrijk in die wereld op te richten.

De naaktlooperij te Amsterdam ging dan ook, hóe vreemd het schijne, uit van geheel dezelfde gedachte.

Te Amsterdam ging men naakt loopen, omdat men zich van zonde verlost gevoelde, en deswege het kleed als bedeksel der schaamte niet meer noodig keurde. Dat kleed der schaamte was gepast voor de beschaamde wereld, die nog in haar zonde lag, maar was ongepast voor wie uit die wereld was overgezet in het hemelsch paradijs. In dat paradijs voegde het vleeschelijk gewaad, waarmee God zelf in de schepping den mensch bekleed had. Anders niet.

Maar ditzelfde kon men nu ook uitdrukken door in het zwart te verschijnen. Dan toch sprak men evenzoo de scheiding tusschen zich en de booze wereld uit. Men rouwde over haar zonde en protesteerde tegen haar blinkend feestgewaad.

Juist die grondgedachte is intusschen niet die der Gereformeerden, die van een soortgelijke afscheiding en mijding van de wereld niet weten wilden.

De Gereformeerden ontweken de wereld niet, maar gebruikten de wereld als niet gebruikende. En daar nu de kleedij niet tot het geestelijk, maar tot het burgerlijk leven behoort, moest hier de heerschappij gelden niet van de particuliere genade, maar van de gemeene gratie, die aan de wereld met de geloovigen gemeen was.

Voor hen kwam het veeleer aan op de rechte onderscheiding tusschen gebruik en misbruik, en steeds heeft het daarom onder de Gereformeerden als regel gegolden, dat men zich kleedde zooals andere menschen zich kleedden, maar zonder te vervallen in pronkzucht en ijdelheid.

Er moest waardigheid, er moest vocgzaamheid in de kleedij spreken, en toch moest men zich niet in het oog loopend van anderen onderscheiden. Hierin lag geen voorkeur voor het zwart. Alle kleuren zijn van God, en in niet één kleur ligt zonde.

Maar gelijk men de deftige vrouw van fijnen smaak ook nu nog gemakkelijk onderkent van den pronkzuchtigen wansmaak der ijdelheid, zoo wisten onze Gereformeerde vaderen en moeders een edeler, fijner smaak in hun kleeding te verwezenlijken, dan men meest buiten hun kring vond.

De vrouw van adel en de vrouw van den parvenu onderkent men nu nog op het eerste gezicht, juist daardoor dat de eerste een gekuischten, de tweede een valschen smaak heeft. En - overmits het Calvinisme niet tegen maar voor de kunst koos, zocht het Calvinistische volk ook in zijn kleedij zijn hooger adel door edeler smaak te openbaren.

Niet door een begraven van het schoon onder het rouwkleed, maar door een openbaren van het wezenlijk schoon in edeler kleurenmenging en zuiverder snit.

Ook thans zal daarom ons Gereformeerde volk wel doen, als het dezen weg der edele soberheid bewandelt, en zoo men vooral bij het opgaan naar Gods huis zich onthoudt van het aantrekken van gewaden en het zich tooien met hoofddeksels, die tegen den eisch van het door eenvoud schoone ingaan; en onze huismoeders zullen goed doen, zoo ze deze edeler ontwikkeling van den smaak bij haar kinderen en dienstboden bevorderen.

Al wat opzichtig, te bont en te samengesteld is, moet gemeden worden. De mensch moet geen kapstok zijn, waaraan een kleed wordt rondgedragen, maar een gekleed mensch.

Hieruit volgt dan vanzelf, dat ook wie dienst doet in de vergadering der geloovigen, het veiligst gaat met naar dezen zelfden regel te handelen. Dat enkele predikanten, die vóór de Doleantie, jarenlang gewoon waren in een toga te prediken, die gewoonte aanhielden, is alleszins begrijpelijk, en zoo ze in hun consciëntie verzekerd zijn, dat hier geen clericaal adertje onder loopt, volstrekt niet af te keuren.

Maar wie er niet aan gewoon was, wenne zich die gewoonte niet aan, en grijpe nog veel minder naar den geheel verouderden steek, maar kleede zich gewoon en eenvoudig. Een eenvoud, die in nog beter smaak uitkomt bij de gesloten, gekleede jas, met witte das, dan in den open rok met lang vest.

Dit laatste gewaad toch is v/ansmakig.

Die weggesneden panden, die als zwaluwstaarten uithangen, doen niets. Ze drukken niets uit. Ze bedekken niets. Ze zijn zinloos. En met het witte hemd dat breed uit het uitgesneden vest uitwringt, is deze kleeding zelfs opzichtig, als alle anderen gewoon gekleed zijn.

Toch versta men wel, dat in dit alles middelmatige dingen aan de orde zijn.

Gekleede jas of rok zijn beide bruikbaar, ook, mits als nawerking van een vroeger verleden, de nog onversleten toga.

Want ook hier zit het kwaad nooit in het gewaad dat stof is, maar in het menschelijk hart, dat zich in zijn kleed uit hoogheid of uit ijdelheid boven anderen verheffen wil.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 maart 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Onze Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 maart 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken