Bekijk het origineel

Twee Hospitalen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Twee Hospitalen.

11 minuten leestijd

In verband met de voorloopige regeling van het Hospitaal te Djocja, die we een vorig maal afdrukten, deed het ons genoegen, uit een schrijven van Ds. Adriaanse te zien, dat feitelijk ook zijn advies met het gronddenkbeeld van deze regeling overeenstemt.

Hij toch schreef aan de Deputaten van den Medischen dienst:

„Door dezen wensch ik U een antwoord te. geven, op uw vriendelijk verzoek om advies, in uw brief d.d. 23 Jan. 1.1. mij gedaan. Op grond van uw woorden: „advies in zake de plaats van vestiging van de Med. dienst" beschouwd in verband met uw verdere toelichting, kan ik mij niet anders voorstellen dan dat gij bedoeldet, dat ik mij vóór het geven van advies zou indenken, hoe de Med. dienst in het „Rapport in zake de Zending" wordt beschreven; in welk verband zij daar wordt gezet met de andere diensten; en hoe in de voorstelling van wat het Zendingswerk „moetworden" wordt voorgesteld, dat in de hoofdplaats het hospitaal moet zijn met een georganiseerde ziekenverpleging over het geheele terrein, waarop de Zending zal worden geconcentreerd. Nu kon ik tot op heden niet anders zien, dan dat de beslissing over de plaats van vestiging van de Med. dienst in zich sluit een beslissing over het terrein, waarop de Zending na den overgangstijd zal worden geconcentreerd. Ik kan mij toch niet voorstellen, dat de broeders in Holland num^tn of andere plaats een hospitaal zullen laten bouwen voor een 20 of 30.000 gulden, zonder zich de vraag te stellen of dat hospitaal over eenige jaren wel is gelegen in het dan gekozen stuk van ons tegenwoordig arbeidsveld, waarop de arbeid zal worden geconcentreerd. Immers in de „voorstelling van wat het Zendingswerk moet worden" wordt het zoó voorgesteld, dat het hospitaal moet komen in de hoofdplaats van het terrein, waarop de arbeid zal worden geconcentreerd.

Daar wordt ook voorgesteld, dat dit hospitaal niet op zich zelf zal staan, los van de overige ziekenverpleging, maar het middelpunt zal wezen van een georganiseerde ziekenverpleging over het geheele Zendingsterrein, dat dan ter bearbeiding is gekozen. Ik acht het daarom noodzakelijk om bij de keuze van de plaats van vestiging van de Med. dienst dit in het oog te houden, opdat niet later óf een ƒ 30.000 is weggeworpen of onze Zending moet geconcentreerd worden op een stuk van ons tegenwoordig arbeidsveld, dat ter bereiking van het doel der Zending niet zoo gewenscht is als andere stukken, maar dat nu eenmaal mpet genomen worden, omdat het hospitaal er al staat. Ik g; a dus bij het geven van mijn advies aan U uit van de gedachte, dat de keuze van de plaats van vestiging van de Med. dienst in zich sluit een keuze van het terrein, waarop de Zending zal geconcentreerd worden. Ik ga echter niet alleen van die gedachte uit, maar, rekenende met het feit, dat op de Synode van Middelburg, blijkens de Acta blz. 79—89, is uitgesproken, dat die concentreering volstrekt niet in zich sluit een prijsgeven van het verkregene, ook door de overname van het arbeidsveld der Ned. Geref.

Zendingver., ga ik van de gedachte uit, dat bij J de keuze van het stuk, waarop de Zending zal i geconcentreerd worden, allereerst dient gerekend v te worden met de verplichting, die er krachtens M die overname op de Geref Kerken rust. En die verplichting is niet gering te achten. Uit het v rapport toch van de deputaten Lion Cachet, Jansz en Keuchenius; uit de .afzonderlijke stukken van de hand van eerstgenoemde daarbijgevoegd; alsook uit de notulen der vergadering van genoemde deputaten met de zendelingen Horstman, Zuidema en wijlen Wilhelm, alles ingediend op de Synode van Amsterdam, alsmede uit het boek „Een Jaar op Reis" aangeboden aan de Synode van Middelburg, blijkt overtuigend dat, naar het eenparig gevoelen van deputaten en zendelingen, de toestand van de bestaande „Gemeenten" of groepen van gedoopte Javanen en hun kroost in het jaar 1891 allertreurigst was. Dat nu die schriklijk treurige toestand sinds '91 nog niets verbeterd is, maar het zeker, zoo mogelijk, nog erger is geworden behoef ik U zeker niet aan te toonen. Een voldongen feit is het, dunkt mij, dat de Geref. Kerken dien toestand hebben aanvaard door de overname die geschied is, nadat de toestand en de schuld van de Zending daaraan haar in bovengenoemde stukken is bekend gemaakt. Indien nu de Geref. Kerken, na op de Synode van '96 nadrukkelijk te hebben uitgesproken, dat de voorgestelde concentreering van den arbeid volstrekt niet in zich sloot prijsgeven van het verkregene door de overname, zich niet allereerst aan dien schrikkelijken toestand laten gelegen liggen, door naar vermogen die groepen gedoopte Javanen en hun kroost onder degelijke bearbeiding te nemen, zullen zij zich naar mijne vaste awtxtvA^ng schandelijk bezondigen tegenover God en menschen. Er zou mijns inziens geen zegen kunnen verwacht worden op nieuwen Zendingsarbeid, indien niet naar vermogen wordt goed gemaakt wat bedorven is, door daar allereerst krachtig te gaan arbeiden, waar nu sipds 30 jaren een evangelie is verkondigd (ik bedoel in Zuid-Bagelen), mee onder de vlag van Geref. Zending, wat eigenlijk geen Evangelie kan genoemd worden. Ik gevoel iets van de ontzettende schuld der Zending aan den allertreurigsten toestand van die duizende gedoopte Javanen en hun kroost, die Christenen heeten, maar het niet zijn en die zoo met een ingebeelden hemel ter helle varen, omdat zij geen kennis van het Evangelie der zaligheid hebben.

Het bloed dier arme dwalende zielen zal ook van de hand der Geref. Kerken geëischt worden, als zij nu na de overname, zich niet opmaken om naar ^haar vermogen, nii toch eindelijk eens liet Evangelie te laten prediken, vooral in Zuid-Bagelen, waar sinds meer dan 30 jaar iveliets, maar ach zoo weinig van het Evangelie is verbreid en dat weinige mi dreigt verstikt te worde7i onder de dwalingen. Daar in Zuid-Bagelen staan de meeste deuren open en zijn ze het langst open in vergelijking met de andere Residentieën (en ditzelfde geldt na Bagelen het eerst van Djocjakarta in vergelijking met de overige Residentieën) dus daar moeten de kerken nu ook haar Dienaren het eerst laten ingaan. Doen de kerken dat niet dan worden zij m. i. ontrouw aan de bij de overname gemaakte afspraak en hoe zou er dan zegen kunnen rusten op den nieuwen Zendings-arbeid? Daarom broeders: Als mij de vraag gesteld wordt; „waar moet naar de nu aangenomen beginselen de Zending der Geref. Kerken gedreven worden, opdat het voorgestelde doel door haar bereikt worde, en zij zich van de op haar genomen verplichting bij de overname naar vermogen kwijte ? " zou ik het volgende antwoord geven: Kiest zulk een stuk van het tegenwoordig arbeidsveld, dat de krachten der Geref. Kerken niet te bovengaat, waarin de streek, die het langst onder eenige bearbeiding geweest is, begrepen is, waarin de meeste bestaande gemeenten, dicht bij elkander gegroepeerd zijn, waarin het centrum van het Sadrachianisme n. 1. Karangjasa ligt, en de meeste kracht oefent, waarin de beste verkeermiddelen zijn, waarin de bevolking het dichtst is, zoodat de meest mogelijke menschen onder bereik vallen, waarin het hart van Java klopt, waarin de oorspronkelijke religie nog het zuiverst bewaard is en de meeste aanhangers vindt, waarin de Islam met zekere veerkracht optreedt en van waaruit het gemakkelijkst de bestaande gemeenten in het overige deel van het tegenwoordige arbeidsveld te bereiken zijn, om, zoolang geen andere Zendingen zich daar vestigen, ze wat te verzorgen.

Zulk een stuk acht ik dat gevonden wordt in Z.-Bagelen, en het daaraan grenzende Z.-Djocjakarta tot aan de hoofdstad en de strook in het noorden van Djocjakarta die wordt doorgesneden door den grooten weg van Djocja naar Magelang. Op de kaarten van beide Residentieën is te zien, dat die streek juist de dichtst bevolkte, vlakte omvat, het overige bergachtige gedeelte uitsluitend. In die streek is meer dan de helft der bestaande „gemeenten" gelegen, het is geheel doorsneden door een spoorlijn (de stoomtram van Djocja naar Magelang is weldra gereed en loopt langs den grooten weg van Djocja naar Magelang). Daarin is ook Karangjasa (door tal van gemeenten omgeven) gelegen, 't centrum, waar tot op den huldigen dag drie of vier maal per jaar van 300 tot 500 afgevaardigden uit geheel Midden-Java bijeenkomen om elkaar te sterken in hun pseudo-Christendom. In dat deel van Bagelen treedt blijkens het groot aantal Mohammedaansche godsdienstscholen, met duizende leerlingen en het groot aantal hadji's en het aantal lieden, die jaarlijks naar Mekka trekken om hadji te worden (men zie voor de opgave hiervan de koloniale verslagen) de Islam ongetwijfeld met zekere veerkracht op. Immers in dat gedeelte van Bagelen zijn vier Pangoeloes gevestigd en achttien Naïbs (onder pangeloes) en honderden kaums of modins, want zooveel desa's als er zijn, zooveel van die Mohammedaansche dorpsgeestelijken zijn er ook. Daarenboven bevinden zich in dat deel van Bagelen, behalve Gouvernementsmisdjids's, verscheidene misdjids hier en daar in de dessa's, wat een soort van vrije misdjids zijn, uit eigen middelen gebouv/d, en waaraan geen Pangoeloe of Naïb door het Gouvernement gesalarieerd dienst doet, maar een of andere hadji toch de eerste viool speelt en zoodoende vormen die vrije misdjids ook zoovele centra's voor Islamitische propaganda. Waar nog bij komt dat er in die streek van Bagelen weinig desa's zullen zijn, waarin niet één of meer (soms zelfs een vrij groot getal) santri's wonen. Dat zijn lieden die op de bovengenoemde godsdienstscholen geweest zijn en die de Mohammedaansche gebeden vijfmaal daags doen, die zichzelve daarom als rein beschouwen in onderscheiding van het andere desavolk, dat niet die gebeden doet. Die lieden leven meest op kosten van de bevolking evenals de hadji's, zij komen bij de begrafenissen, geboortefeesten en tal van dergelijke gelegenheden, bij de lieden uit den Koran lezen en gebeden doen tegen betaling, moeten een lekker maal hebben en een goeden voorraad eten mee naar huis. Het door mij aangegeven deel van Djocjakarta behoort tot de centrale en invloedrijke gedeelten van Midden-Java, het sluit de Residentie van den Sultan in, met haar groote bevolking en talrijke Javaansche adel, die uitgebreide relatiën over heel Midden-Java heeft.

In die hoofdstad en ook daarbuiten zijn tal van goeroes en doekoens, die nog het Ja vanisme, de oorspronkelijk religie aanhangen en verbreiden. Zoolang de losgelaten deelen van ons tegenwoordig arbeidsveld nog niet door andere Zendelingen bezet zijn, kon van uit Bagelen wat gezorgd worden voor de gemeenten in Banjoemas en Tegal en van uit Djocjakarta voor de gemeenten in Kedoe en Pekalongan.

Kiezen nu de Kerken op de Synode van Groningen dat stuk van het tegenwoordige arbeidsveld om dat successievelijk te bezetten, zich aansluitende aan het nu bestaande te Poerworedjo, dan is het niet geraden om allereerst in Djocja een hospitaal te bouwen, maar ligt het voor de hand dit in Zuid-Bagelen te doen, hetzij in Poerworedjo, hetzij in Koetoardjo.

Temeer wijl het toch niet mogelijk zal zijn om de geheele ziekenverpleging over dat geheele stuk te organiseeren in verband met één hospitaal, als dat gelegen is aan het eind van het arbeidsveld in de stad Djocja. Ik zou daarom adviseeren om op dat terrein twee hospitalen in te richten, een in Zuid-Bagelen en een in Djocjakarta, en dan om die twee hospitalen als centra de twee ziekenverplegingen te organiseeren, respectievelijk voor de t\yee helften van dat arbeidsveld en aangezien de stad Djocja dan mettertijd zeker een centrum zal worden, zooals dat in de „Voorstelling" in het rapport in zake de Zending wordt voorgesteld, alsook wijl die stad zeer volkrijk is zal daar dan het grootste hospitaal moeten komen, ook met het oog op een mettertijd zeker onmisbare opleidingschool voor Javaansche Christendokters".

Ook Ds. Adriaanse bepleit alzoo het denkbeeld van twee hospitalen, één te Djocja, en één in Bagelen, en de belangrijkheid van Djocja wordt ten volle door hem erkend.

Verschil kan dus alleen rijzen over de vraag, waar het eerste hospitaal zou komen, en zoo de kerken zelve uit de Zendingskas dit eerste hospitaal bekostigen moeten, zou er allicht veel voor te zeggen zijn geweest, om eerst in Bagelen te beginnen, wijl in Bagelen onze meeste kracht zit.

Nu daarentegen het eerste hospitaal niet uit de Zendingskas gebouwd wordt, maar onverwachte gaven van particuliere zijde hiertoe in staat stelden, lag het voor de hand, dat men Bagelen openliet om er het hospitaal te bouwen, dat straks de kerken zelve zullen zetten; en dat men nu begon met Djocja.

We hopen nu maar dat de Medische Deputaten er in slagen zullen, om op goede en sekure manier een contract van erfpacht met den sultan van Djocja te sluiten, waarin duidelijk gestipuleerd wordt, dat we het recht hebben om op het terrein van het hospitaal ook een kerk te bouwen, en er den Dienst des Woords te vestigen.

Dat contract behoort uiteraard door een Indisch rechtsgeleerde in stipten en juisten vorm te worden opgemaakt, overmits er veel aan hangt, dat alle eisch van het Indisch recht erin in acht worde genomen.

Maar hiervan worde dan ook onverwijld werk gemaakt, en inmiddels mogen de broeders en zusters, die voor de Zending een warm hart hebben, en van God middelen ontvingen, uitkomen met de offerande, om de ontbrekende som voor het eerste hospitaal vol te maken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 maart 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Twee Hospitalen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 maart 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken