Bekijk het origineel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

"Hij is hier niet".

15 minuten leestijd

[P A S C H E N].

Plij is hier niet; want hij is opgestaan, gelijk hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft. Matth. 28 : 6.

Na een winter als thans achter ons ligt, beluistert ge in het pas ontluikend lenteleven ternauwernood iets van het Opstandingslied der natuur. Met helderen klank ruischt dat lied u alom uit de schepping tegen na een harden winter met diep vastgevroren wateren, met het sneeuwkleed over akker en velden gespreid, als de ijzige koude doodsgevoel met zich bracht, en alles bij kunstlicht en vuurhaard wegschool voor haar verschrikking. Dan ja is de lente bode des nieuwen levens, een weer opwaken uit wat in den doodslaap scheen ingegaan, jubelende opstanding in heel de natuur. En als het dan weer Paschen werd, stemde de toon van dat natuurlied der opstanding ongedwongen saam met den psalm der verrijzenis, waarin Immanuel door zijn verlosten werd aangebeden, en het was Natuur en Genade, met één blijde verrukking zich oplossend in heilig akkoord.

Maar gelijk thans na een winter zonder koude, met stroomen die de vorst belachten, met akkers die het enkele vlokje sneeuw dat dan nog neerdwarrelde, ijlings wisten te zwarten, en met twijgen die reeds weer uitbott'en eer nog het laatst vergeelde blad van een vorigen herfst haar ontviel, dan is er geen beeld als des doods gedragen, en kan daarom de lente ons niet jubelend toekomen als glanzende vernieuwing van een leven, dat uit den dood werd gered.

Het akkoord van \i€trijkderNatuurv\& t wat gejubeld wordt in het rijk der Genade onthoudt ons daarom op dit ons Paschen zijn weelde en bezieling.

Ja, er is meer dat in het beeld van die lauwe Louwmaand ons onthouden wordt.

Het Paschen der Christenheid moet zijn achtergrond vinden niet enkel in het rijk der Natuur, maar dieper nog in de wereld van de kinderen der menschen. Er moet stemming voor Paschen in de gemoederen zijn. Doodsgevoel met de hope des levens worstelend, en daarom den Christus aangrijpend als den Immanuel die verrees en het leven uit den dood verwon.

Die stemming is er geweest. Een stemming der gemoederen waarvan de diepe toon^ nog voor ons naklinkt in de aangrijpende, roerende belijdenis van schuld en van zonde, waarin eens elk vrom.e van gemoed, en met de vromen het algemeen menschelijk besef weleer wegzonk. Een stemming van bedruktheid en benauwing der ziele, waaruit één voortdurend gebed om verlossing opklom naar den hooge. En daaruit voortgekomen en daarmee saamhangend een opzien uit dit leven naar een ander en beter leven. Een stellen van zijn hope niet meer op de altoos teleurstellende en steeds weer bedriegende voorspiegelingen van het heden, maar op een volzalig en volheerlijk leven in de sferen, waar Gods engelen zweven, binnen de transen des hemels bij God.

In die stemming der gemoederen was plaats voor een zich vastklemmen van al wat meeleefde aan Jezus' hoogheiligen naam.

Die Wanhoop over het leven om zich heen, die zich ophief tot de vaste hope des eeuwfgen levens, had behoefte om zich te schikken om één heilig middelpunt, zich te verliezen in de liefde voor één volheerlijke persoonlijkheid, en van daar die diepe trilling in ieders gemoed, als de natuur weer ontlook, en Paschen weer werd ingeluid, en de heilige verschijning van Jezus weer voor aller verbeelding trad als van Immanuel die den dood teniet deed, en nu leeft in glorie, en, uit zijn glorie in het hemelrijk, leven toebedeelt aan wie hem zoekt.

Maar van zulk een stemming der gemoederen merkt ge thans nauwlijks iets meer. Alle tegenstelling tusschen harden winter en jubelende lente is uit het menschelijk leven weggenomen. Als het nog wintert is het een winter der lauwheden die over ons komt. Maar voor het overige is het zelfbehagen in dit leven hier beneden derwijs toegenomen, dat geen vloek meer gevoeld wordt, geen algemeene schuld meer klemt, geen besef als des doods de gemoederen meer vermeestert, en daarmee saamhangend dat van geen dwepend verlangen naar de heerlijkheid die komt meer gemerkt wordt. Gelijk men door gasglans en electrischen gloed de tegenstelhng tusschen dag en nacht heeft uitgewischt, zoo is door toenemende verrijking van het leven het onderscheid tusschen koude en warmte almeer in het leven opgeheven, en daardoor de diepgaande tegenstelling tusschen het leven dat we nu leiden en het leven dat daarna komt verzwakt voor het algemeen besef. Het vloeit nu alles ineen. Het is éénzelfde onafzienbaar gezichtsveld voor en na den dood geworden. Onverschillig pleegt de groote menigte weg te sterven. Ze heeft geen geestdrift voor dit leven gekend, en verwacht daarna óf niets óf althans niets beters van het bestaan, dat misschien op dit leven volgt.

En daarmee en daarom is hier Jezus' naam uit de harten, we zeggen niet van de geloovigen, maar dan toch van de groote menigte weggestorven.

Die groote menigte denkt er niet meer aan, het lijden van den Man van smarten die zeven „weken van het lijden" nog eens meê te doorleven. Ze heeft aan zoo heiligen naam die haar bezielen kon geen behoefte meer. Ze laat Jezus er óók zijn. Ze wil wel aannemen dat ook Jezus vol hooge verdiensten was. Maar het verdoolde menschenhart kent voor hem koude noch warmte meer. Laödiceesch is de doorgaande gemoedstemming geworden. En als de groote menigte hoort dat de kerk van Christus weer aan haar Paschen toe is, dan slaat ook zij even het doffe oog opwaarts, doch niet om zich in Immanuel die verrees te verkwikken, maar omdat er ruste van den arbeid komt, en tevens een drietal dagen van niets doen, en allicht van genot.

En zeg nu niet, dat dit bij de massa, die geen geloof bezit niet anders kan, maar dat de geloovige Christenheid dan toch voor als na aan den Vorst des Levens haar lofzang en haar psalm wijdt, want, al is dit in hoofdzaak waar, toch maakt de toon waarmee het lied des levens buiten ons wordt ingezet ook voor ons zulk een verschil.

De gemeente van Christus is niet van de wereld, maar leeft toch in de wereld. Ze is er niet hermetisch van afgescheiden. En ook voor haar stemming hangt er zoo ongelooflijk veel van af, hoe de algemeene stemming in de gemoederen daarbuiten is.

In de eerste betere dagen van Christus' kerk op aarde was de geloovige gemeente zoo innig diep van de volheid des nieuwen levens vervuld, en had de heerlijkheid van Christus' naam, en de rijkdom van het leven der openbaring haar zoo overweldigend aangegrepen, dat ze haar Paaschlied door heel de wereld liet weerklinken, en wat haar aangreep in de eigen ziel verre buiten haar kring liet natrillen. , ', -

Ze ontstak niet maar te''v^< l'^É^s|feiclM. ter, maar liet den hellen glans van haar geloof in de overwinning op den dood en van haar hope des eeuwigen levens uitstralen over velden en straten. Meer nog dan anders was ze op haar Paaschdagen een stad op den berg, waarvan licht en vreugde uitstraalde.

Als een getuige des eeuwigen levens stond ze in het midden van een wereld, die ook toen geheel in dit leven opging. En toen zong ze zoo welluidend en zoo wegsleepend, dat de schare buiten haar kring van verrukking meê ging zingen, en de bezieling van dat eeuwige leven, dat in Jezus verpand en gewaarborgd ligt, in het eind ook de groote menigte boeide en aangreep.

En dat werkte uit de menigte dan weer terug op hen die zongen in het Heiligdom. De geloovigen gevoelden zich als een koor in Jezus' naam vereenigd, dat aan de wereld, wier redder hij was, den Psalm des levens voorzong, die haar den Psalm des levens in het hart zong, en op den toon van het heilig maatgeluid aller stemming optrok en ophief naar de schoonheid van de hemelsche werkelijkheid.

Maar juist die poëzie heeft uit. De wereld is dat lied des levens moede geworden. Ze stopt meer de ooren toe, dan dat ze nog luisteren, laat staan dat ze nog meezingen zou. En het koor van Gods heiligen dat nog voor moest zingen, gevoelt zich door dat zwijgen der groote menigte in eigen bezieling verflauwd.

En de opperzangmeesters in dat heilig koor, de herders en leiders der geloovige schare, verstaan zoo weinig de kunst, om die inzinking van de Paschastemming tegen te gaan, dat ze zelfs op ons Paaschfeest den triomf van het hemelsche leven over het leven hier beneden zoo weinig forsch weten aan te grijpen, dat ze bijna in den regel in de vrucht voor dit leven ook ons Pascha doen ondergaan..

Men spreekt van Jezus in het gemoed, van Jezus in de verborgenheid des harten, van Jezus als den bezieler tot geloofsdaad en liefdewerk, maar wat Paulus voor reeds achttien eeuwen aan de kerk van Colosse toeriep: „Indien gij dan met Christus opgetuekt zijt, zoo zoekt ook de dingen die boven zijn, tt'aar Christus is zittende ter rechterhand Gods", hield op uitgangspunt en grondtoon van jubel en vertroosting te zijn.

Er wordt zoo zelden meer gesproken als door mannen die „hitn burgerschap in de hemelen hebben."

Ze spreken niet meer als bij Christus in den hemel zijnde, uit deii hemel, de aarde toe, maar als in het leven dezer aarde nog besloten, leggen ze bovenal nadruk op wat in dit leven de vrucht der belijdenis kan zijn.

En dat ze zoo spreken is weer uitvloeisel van de stemming der gemeente, die zelve het inleven als in den hemel verleerd heeft, en aan het bezien van dit leven bij den glans des hemels is vervreemd.

„Ik heb verlangen om ontbonden te worden, en bij Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste, " in wat kring is dat nog de levenstoon, we zeggen niet van den grijsaard, die de wereld genoten heeft, en die nu, na de wereld, den hemel begeert, maar van jongen en ouden, van heel de gemeente Gods7 Niet, dit spreekt vanzelf alsof dit de doorgaande stemming kon zijn. Maar waar vindt ge een geineen te Gods, die althans op de hoogtepunten van haar leven oogenblikken kent, dat ze in dit heilig, wegsleepend: verlangen naar het daarboven, en bij Jezus zijn, zich verliest?

Toch heeft Gods engel reeds op den Paaschmorgen zelven, het in Maria, aan de gemeente aller eeuwen toegeroepen: Niet liier L-ï uw Jezus meer, hij is opgestaan; en straks heeft Jezus zelf haar dat opstaan vertolkt in zijn zinrijk woord: Ik vaar op tot uwen God en mijnen God.

Ook al vertoefde, ook al verscheen hij nog op aarde, Immanuel behoorde na zijn verrijzenis, niet meer aan de aarde, maar in den kring des hemels, het leven in den hemel nog even op aarde vertoonend, om, een lichtglans achterlatend, straks na zijn opvaren ten hemel het middelpunt voor aller hart naar den hemel daarboven te verplaatsen.

Al wat dusver, onder de bedeeling der schaduwen, onder Israël, op aarde verschenen was, het was niets dan afschaduwing geweest van de heilige werkelijkheden daarboven.

Reeds aan Mozes had God op den berg het Heiligdom daarboven, het wezenlijke Heiligdom getoond, en naar de afbeelding van dat wezenlijke Heiligdom had deze knecht Gods den Tabernakel, en straks Salomo den Tempel op Sion, gebouwd.

Hier alles onwezenlijk, hier alles afschaduwing, hier alles verzinbeelding van het wezenlijke en waarachtige dat daarboven bij onzen God is.

En toen was de Christus verschenen, priester niet om zijn kleed, noch hoogepriester om zijn afstamming, maar de ware, de eeuwige, de wezenlijke Hoogepriester, omdat hij alleen het waarachtige en wezenlijke offer voor God kon opdragen.

En toen dat offer op Golgotha voleind was, toen is deze priester der menschen bij God met die vrucht zijner offerande uit dat aardsche in dat hemelsche leven overgegaan, om nu eeuvi? in eeuw uit daarboven, in het wezenlijke Heiligdom, ons heil te bedienen voor het aangezicht des Eeuwigen.

Hij leeft om voor ons te bidden.

Hij is hier niet meer, maar daarboven, en het Sursuni corda, hart en ziel naar boven opgeheven, is van die ure af het parool, het wachtwoord geworden van alle man en alle vrouw die uit Christus' liefde, die bij Christus' genade en die door Christus' offerande heiliger levensvreugd genieten wil.

En lezen en herlezen we wat het apostolisch getuigenis op het heilig blad, wat Jezus zelf op Pathmos aan Johannes u van den nu ontstanen toestand toont, maar immers dan komt het altoos op dat ééne neer, dat het leven hier beneden zich in de schaduw terugtrekt, en dat het volle licht nn valt, niet meer op wat hier doorv/orsteld, maar op wat daarboven getriomfeerd wordt.

Na Jezus' opstanding is het in de Heilige Schrift niet meer een sterk gekleurd en scherp geteekend leven hier beneden, met voorts een zwevend schuilend iets daarboven, maar geheel omgekeerd een sterk sprekende, en scherp uitkomende, een schitterende heerlijkheid daarboven, die aller aandacht boeit, en eerst bij den afglans van die heerlijkheid het leven bezien hier op aarde.

Een ommekeer alzoo in de verhoudingen.

Voorheen op aarde het wezenlijke, en het hemelsche zich in geheimzinnige schaduw terugtrekkend, maar nu, nu Jezus, het middelpunt van aller zielsverlangen, van deze aarde naar den hemel is overgegaan, gheel omgekeerd, dat nieuwe, dat hoogere, dat hemelsche leven het wezenlijke en cenig stand houdende, daarop ons geloof, daarheen onze liefde, daarop onze hope gericht, en het leven hier op aarde geen anderen glans meer kennende, dan die er uit den hemel op afstraalt.

En dat nieuwe, dat hooge, dat hemelsche leven niet beleden, en niet vooruit gezien als een \'a.: gheid, als een sfeer waarin zich onze blik verliest, maar dit alles geconcentreerd in den hoogheiligen persoon van den Christus. Ons vleesch den hemel ingegaan in hem. Hij onzeaanbiddelijke Verlosser, maar ook onze Broeder, gezeten aan de rechterhand des Vaders. En aller geloof en liefde en hope saamgevlochten in den éénen levensband, die ons door den Heiligen Geest aan den Middelaar Gods en der menschen verbindt.

Dat is het persoonsmysterie. Het saamtrekken van alle uitgangen onzer ziel niet op een idee, niet op een voorstelling, maar op het Kindeke van Bethlehem, op den Manvan smarten, op den Ver winner van den dood, op den Vorst des levens, op onzen Jezus, dien we niet gezien hebben, en dien we nochtans liefhebben met al de liefde onzer ziel.

Niet de afgetrokkenheid der beschouwing, niet de inbeelding der verbeelding, niet de vaagheid der gissing, maar de warmte van het hart spreekt hier, het persoonlijk zich ingeplant weten, het zielséén zijn met den Heiland.

Niet ons ideaal, maar de belichaming van al wat ooit in idealen zin ons hart vervuld heeft. Niet meer een woord, maar het Woord vleesch geworden. En nu wij door het geloof zijn heerlijkheid ziende als des Eeniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.

En daarom wat ons bezielt, wat ons in geestdrift ontvonkt, wat ons bij den strijd des levens bemoedigt, wat op hope tegen hope ons volharden doet, het is niet meer hier, maar daaf hoven, en we hebben, zoo als het bij Zacharias heet, wandelingen onder de engelen daar boven bij onzen God.

Hier het vaderlijk huis waaruit we voortkomen, maar daar boven hei Vaderhuis, waarin we wonen zullen eeuwiglijk, en Jezus al den nacht dat we sluimeren, en al den dag dat we arbeiden, daarboven bezig en daarboven doende, om voor ons in dat Vaderhuis plaats te bereiden.

Hier ons aardsche vaderland, dat ons ter oefenschool is gegeven, maar daarboven het Vaderland, waar we thuis hooren en waar de eeuwige heerlijkheid wacht.

Hier de nog strijdende kerk met al haar jammeren en haar zonden, maar daarboven de triomfeerende kerk onder de vergadering der volmaakt rechtvaardigen.

Hier dank in kleinen kring als er weer één ten leven komt, maar daarboven één gejuich al de hemelen doorklinkende over eiken zondaar die wordt overgezet uit den dood in het leven, uit het rijk der duisternis in het Koninkrijk van aller engelen Heer en Koning.

Hier niet, daar vinden we ons Heiligdom, waar ook als wij niet bidden, het gebed van Christus voor ons opgaat, en waar de Redder onzer ziel onze zake voor eeuwig bestelt bij onzen en zijnen God.

En daarom Sicrsu7? t corda! Niet staren op den horizont, niet turen op den gezichteinder, waar het zich alles voor ons oog in nevelen en in donkerheid hult, maar opwaarts oog en hart gericht, naar boven, naar de bron van licht en van genade, en die bron gezocht, en die bron van heil en leven beleden in het hoogepriesterlijke hart van onzen Heiland.

Dat is Pascha.

En daarom keert dit Pascha telkens in de > herinnering en in de heugenis der gemeente weder, om telkens opnieuw, als v/e.

onder den druk des levens, in ons geloof verzwakt, weer in de dingen der wereld bevangen waren, ons dat Sursiun corda toe te roepen.

Om niet doorleefd en verzondigd is elk Paaschfeest, dat u de wezenlij kheden des hemels niet weer klaarder voor uw geest brengt. En dan eerst zal er ook op dit Pascha een zegen onzes Gods voor uw ziele rusten, zoo het niet hier, maar daar boven weer de grondtoon uws harten geworden is, en zoo die grondtoon van uw hart zijn bezieling ontvangt uit hem, die hier leed en streed, en nu daar boven in het leven der opstanding triomfeert.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken