Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

16 minuten leestijd

DERDE REEKS.

XLIV.

Tot dé volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opboUwing des lichaams van Christus; totdat wij allen zullen komen tot de eenigheid des geloofs en der kennisse van den Zone Gods, tot eenen volkomenen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus. Epheze 4:12, 13.

De averechtsche voorstelling, alsof een verloste des Heeren bij stukjes en beetjes werd heilig gemaakt, is dan nu afgesneden. Al wie wedergeboren is, is in zijn binnenste \vezen heilig, en dat niet ten deele, maar geheel; niet voorwaardelijk, maar voor eeuwig. Adam was ook heilig, maar met een heiligheid die teloor kon gaan. De verloste daarentegen kan niet meer onheilig worden. Niemand kan hem rukken uit de hand des Vaders. Toch mag dit niet tot de voorstelling leiden, alsof een wedergeborene blijven mocht, zooals hij op het oogenblik van zijn wedergeboorte was. Hij moet zich ten eerste bekeeren, en daarna door strijd reinigen. Hij mag niet blijven stilstaan, hij moet vooruit. Duidelijk spreekt de Heilige Schrift van wasdom, zelfs van „een opwassen tot een volkomen man, tot de mate der grootte van de volheid van Christtis, " on zij het al met een min juist Nederlandsch woord, ook dit wordt soms „heiligmaking" genoemd. Van dezen wasdom in Christus is uw zaligheid niet het uitvloeisel, want of een verloste sterft dadelijk na zijn inlijving in Christus of eerst na een tusschenverloop van zestig, zeventig jaren, zijn zaligheid blijft één. Maar ais God u niet wegneemt, doch in het leven laat, heeft dat verdere leven een doel, en dat doel is, dat gij „de deugden van Hem die u geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht, " in uw persoon, in uw leven, in uw woord en werk zult verkondigen. Ge kunt en moogt niet zeggen: Als ik maar zalig word, " immers ge bestaat niet om u zelf, maar om God, en de verplichting tot wasdom in Christus is u opgelegd. Want wel werkt in dien wasdom de Heilige Geest ook rechtstreeks, m.aar toch evenzeer middellijk, zooals blijkt uit wat in Efeze 4:11 terstond aan de aangehaalde woorden voorafgaat. Dit namelijk, dat God apostelen en evangelisten gesteld heeft „tot volmaking der heiligen". En in die middellijke werking zijt ge nu ook zelf tot handelen geroepen, en moet ge, als nu niet meer dood zijnde, maar levende, door waken, bidden en strijden, aan uwe eigen reiniging medewerken. Er is alzoo in uw wasdom drieërlei factor: *". de Heilige Geest; 2^. de Bediening van het Woord; en 3". gij, als verloste zelf. Het baat toch niet, of ge ai zegt, dat een boom onder het opwassen lijdelijk is. De apostel toch zegt uitdrukkelijk: ast dan op in de genade onzes Heeren Jezus Christus. Dat dit zelf opwassen door het geloof gaat, door genadekracht uit God, spreekt vanzelf, maar dit alles heft het feit niet op, dat ge ook zelf u te reinigen hebt en hebt op te wassen. Gij moet „afleggen den ouden mensch, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding, en gij moet aandoen den nieuwen mensch, die naar God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid." En dit moet ge doen, niet enkel door mystiek te gelooven, maar ook door practisch de zonde af te leggen, want er volgt onmiddellijk op: Daarom legt af de leugen, spreekt de waarheid, wordt toornig en zondigt niet, geeft den duivel geen plaats. Die gestolen heeft, stele niet meer, geen vuile rede ga uit uwen mond, " enz. AÏtegader practische overwinningen, die ge in den strijd des levens met de zonde, op wereld en Satan te behalen hebt. Laat u dus niet misleiden, als zou het genoeg zijn, zoo ge maar gelooft. Zeker is geloof genoeg en niets dan geloof noodig, mits ge er dan onder verstaat een niet sluimerend, maar levend geloof, dat heel uw persoon, uw doen en laten beheerscht. En het feit blijft alzoo, dat ge wel in uw wedergeboorte van een onheilig persoon tot een heilig persoon gemaakt zijt, maar dat ge tevens, zoolang God u het leven gunt, hebt op te wassen, verder te komen, u zelven te reinigen, en dat alles opdat ge daardoor de deugden zoudt verkondigen van Hem die u riep, en het in u ontstoken licht zoo zoudt doen uitstralen, dat anderen er uw Vader die in de hemelen is, om verheerlijken mogen.

Dat moest met eenige klem op den voorgrond worden gesteld, omdat het geloof dat ge heilig zijt, door wat God aan u deed en in u onderhoudt, er zoo licht toe leidt, om het „waken bidden en strijden" , het „opwassen in Christus, " en de gestadige „reiniging uwer ziele" te verwaarloozen. En ook, omdat uit reactie hiertegen anderen dan dat opwassen in Christus gaan verstaan als een soort zedelijke verbetering, en hiermee de absolute heiligheid der wedergeboorte teniet doen. Slordige kinderen Gods, die de teederheid der consciëntie verzaken, en blijven die ze zijn, hebben er schuld aan dat dit Arminianisme telkens weer in Christus' kerk den kop opsteekt. Doch staat het nu alzoo vast, dat ook zelfreiniging aan het kind van God is opgelegd, dan rijst de vraag hoe we nu het voortgaande werk van den Heiligen Geest, en die zelfreiniging te onderscheiden en te verstaan hebben. „De God des vredes, zegt Paulus, heilige u geheel en al." Ook nadat God ons in de wedergeboorte volstrekt heilig gemaakt heeft, gaat diezelfde God niettemin voort ons alsnog te heiligen. En dat heiligen dat God aan ons doet, is iets anders dan onze zelfreiniging, ook al spreekt het vanzelf dat we ook die zelfreiniging niet tot stand brengen dan in Gods kracht, en werkende in zijn werk, als een tweede oorzaak, die altoos God als de eerste oorzaak onderstelt. Onderzoeken we daarom eerst, hoe dit heiligen te verstaan zij, dat God voortgaat aan zijn heiligen te volbrengen, en daarna waarin dit van de zelfreiniging verschilt.

Overmits de Schrift zelve het beeld van een boom bezigt, die opwast, gaan we veiligst door dit beeld van den boom eerst nader uit te werken. Een boom heeft een vertakking onder en een vertakking boven den grond; en tusschen die beide in ligt de levenskiem van den boom. Immers uit die levenskiem zijn zoowel de wortels benedenwaarts uitgeschoten, als de stengels en straks de takken uitschieten naar boven. Ge kunt een plant u dus voorstellen als bestaande uit drie deelen:1°. de levenskiem; 2". de wortels die zich in den grond uitbreiden, en 3 . de takken die zich in de lucht uitspreiden. Op den mensch overgebracht, is dan dit eerste, de levenskiem, zijn verborgen ik; zijn die wortels de innerlijke ontwikkeling van zijn wezen, waardoor hem de levenssappen uit God toekomen; en zijn die takken de levensuitingen waarmee hij uitkomt in de wereld. Nu wordt die levenskiem heilig gemaakt in de wedergeboorte, die wortels breiden zich uit in de daarna komende heiliging, en het vt; redelen van de takken is zijn zelfreiniging. Dit is een eenvoudig en doorzichtig beeld, dat ons het onderscheid tusschen deze drie klaar en helder voor oogen stelt.

Neem nu ter verdere toelichting aan, dat, gelijk de mensch van oorspronkelijk goed, zondaar werd, zoo ook deze plant, na opgegroeid te zijn, van tam wild werd. B.v. dat die plant oorspronkelijk was een edele wijnstok, en als zoodanig met wortels onder den bodem en met breede ranken boven den bodem ware uitgegroeid, maar toen wild werd en omsloeg in een wilden wingerd, of om het beeld van Jesaia SS te nemen, dat die plant was een myrth, en nu een distel geworden was. Dit komt op die manier thans bij een plant wel niet voor, maar om de beeldspraak van den boom op den mensch te kunnen toepassen, moeten we natuurlijk van deze voor de hand liggende onderstelling uitgaan. Daar staat dan nu de eerst edele plant, maar die wild geworden is; en dan natuurlijk wild in de levenskiem, wild in de wortels, en wild in haar takken; in haar natuur alzoo verdorven dat er niets geheels aan haar is. Nu wil de landman dien wilden boom weer edel maken ; niet door enting, want dan blijft al wat onder het entsel zit, wild; maar door dien boom, die plant van binnen uit te herstellen in haar oorspronkelijken staat. Stel hij kon dit, dan zou hij uiteraard niets vorderen, of hij al met de takken begon, noch ook of hij de wortels al poogde •te genezen. Om die wilde plant weer geheel edel te maken, is er maar één middel, en dat is, dat hij ingrijpt, daar waar tusschen wortel en tak de verborgen levenskiem zit, en deze levenskiem van wild weer edel maakt. Ware dit gelukt, dan zou hij een plant hebben edel in haar kiem, maar nog wild in den wortel en nog wild in de-takken. Juist dus de toestand van een gevallen zondaar, dien God wederbaart, die eveneens terstond edel, heilig is in zijn levenskiem, d. i. in zijn verborgen ik, waar de uitgangen zijns levens zijn, maar nog ongeheiligd in zijn wortelleven, en nog wild in zijn takken, of in zijn levensuitingen. Om het proces van veredeling voort te zetten, zou dan in de tweede plaats de edele kracht uit de levenskiem in den wortel moeten gedreven worden, tot die wortel geheel veredeld en drager van het nieuwe leven geworden ware; en dit nu toegepast op uzelven, beteekent dat diezelfde God, die uw ik wederbaarde en heilig maakte, nu in de tweede plaats door zijnen Heiligen Geest ook het verborgen ivortelleven van uw wezen', door telkens nieuwe genade heiligt. Een werk Gods, dat niet, evenals de wedergeboorte, in één stip des tijds begonnen en voleind is, maar dat voortgaat tot uwen dood toe, en eerst in uw sterven voleind wordt.

Maar iets heel anders is de veredeling der takken. De wortels schuilen onder den grond, maar de takken komen in het leven uit; en zoo ook schuilen de wortels van uw inwendig leven in den mystieken grond des Geestes, maar de takken vormen de verschijning waarmee ge uitkomt in de wereld, en waarin ieder u ziet. Dien opgewassen stam nu en die uitgeschoten takken weer in strengen, vollen zin edel te maken, is onmogelijk. Dat geschiedt dan ook niet. Die stam en die takken blijven gespaard. zoolang als dit moet, om de werking van de kiem op den wortel te voleinden, maar is dit doel bereikt, dan wordt kortweg heel de stam met zijn takken afgehouwen, en moet een geheel nieuwe plant uit de vernieuwde levenskiem en op den herstelden wortel opschieten. Dienovereenkomstig belijden we dan ook, dat we in dit leven slechts een klein beginsel van het edele in ons leven kunnen doen uitkomen, en dat God, als we sterven, heel die onzuivere verschijning van ons leven te niet doet, en ons in het eeuwige leven een nieuwe gestalte schenkt. Maar al weten we dus vooruit, dat al wat we nu, in onzen ouden levensvorm uitwerken, eens te niet gaat, toch moet reeds nu zorg gedragen, dat het wilde hout zooveel het kan besnoeid worde, en dat de nieuwe levenssappen zoo hoog mogelijk in de wilde takken opklimmen; en dit besnoeien nu, en reinigen van insecten, en doorlaten van het edele levenssap, is onze zelfreiniging. Het is dus heel iets anders dan onze heiliging, die God in ons volbrengt, want die werkt op den wortel, en die wortel gaat niet teloor in den dood, die blijft, en gaat over in de eeuwigheid. Dat is alzoo een duurzaam goed. Maar deze zelfreiniging is hetgeen aan de takken en aan den stam gedaan wordt, of wil men ter veredeling van ons karakter en onze levensuitingen, en dit blijft stukwerk, en ondergaat zijn algeheele vernieuwing eerst in ons sterven, als we van het lichaam des doods worden vrijgemaakt, aan het zondige leven finaal afsterven, en wel hetzelfde wezen behouden, maar voor dit wezen een nieuwe, heerlijker existentie verkrijgen in de eeuwigheid.

Laat nu het edel maken van de levenskiem in de wedergeboorte, en de innerlijke heiliging, die God in den wortel van uw leven steeds meer tot stand brengt, rusten, en trek nu uw aandacht saam' op de 'zeljreiniging van de takken en van den stam, en dan springt het in het oog, dat ge hier nog met heel andere factoren te rekenen hebt, dan met het levenssap dat uit de levenskiem opstijgt. Immers de groei en de wasdom van stam en tak is ook afhankelijk van de lucht, van den wind, van den regen, van den zonneschijn, van schadelijke insecten en van uitwendig geweld dat door dier of mensch wordt aangedaan; ge kunt kortweg zeggen, van de omgeving waarin de boom geplant is. Wat nu voor dien boom de omgeving is, is voor u de wereld om u heen, die wereld nu niet als beginsel van het booze genomen, maar die wereld in haar feitelijken toestand. Immers ge werdt na uw wedergeboorte, niet uit deze zichtbare wereld weggenomen, maar ge bleeft, met het eeuwige leven in u, geplaatst in een wereld en in een omgeving, die dat eeuwige leven nog derft. Uw zelfreiniging moet dus plaats grijpen te midden van een wereld, die niet homogeen is met uw innerlijk heilig bestaan. Bij kindcrkens die uit de wieg naar het graf gaan, is dit anders; maar zij, die den volwassen ouderdom bereiken, en nog langer leven, staan als innerlijk edele plant te midden van een omgeving, die bij die edele plant niet hoort. En die wereld, die omgeving, die uit de onheilige natuur jeeft, heeft Gods kind niet alleen buiten zich, maar die draagt hij ook in zijn eigen persoon nog om. De Schrift noemt die wereld die aan ons zelf zit, het vleesch, maar dat vleesch is met de wereld buiten ons homogeen, en daarom kunnen we kortweg zeggen, dat we onze zelfreiniging hebben te volbrengen in de wereld aan en om ons.

Was nu die wereld aan en om ons, geheel aan de ontwikkeling van haar eigen booze beginsel overgelaten, zoo zou deze zelfreiniging onmogelijk zijn. Er zou alleen protest, er zou alleen afsnijding kunnen we» zen, maar een gereinigd karakter, een gereinigd bestaan, een gereinigd leven ware ondenkbaar. Daartoe zouden we alsdan uit ons vleesch moeten scheiden, en uit de booze wereld uitgaan. Zelfreiniging zou alleen in zelfmoord kunnen bestaan. Het absolute breken met een absoluut boos vleesch en een absoluut booze wereld. Doch ook ai verbloemde men dezen zelfmoord in een zelf gezocht martelaarschap, het zou een zelfreiniging zijn, die op zonde uitliep, want ook het martelaarschap mag ons nooit anders dan door anderer dwang overkomen. Zoo is intusschen de toestand van de wereld aan en om ons uiet, en dat ze niet absoluut boos, maar betrekkelijk nog in menig opzicht draaglijk is, dankt ze aan de gemeene gratie. Deze stuit de ontwikkeling van het booze beginsel der wereld, op het ééne punt meer op het andere punt minder, en hieruit wordt, gelijk we met het beeld der gierpont aantoonden, allerlei in usantiën en levensontwikkeling opgenomen, dat ons zekere burgerlijke gerechtigheid vertoont, lieflijk is en wel luidt. Hierdoor nu wordt teweeggebracht, dat er in de wereld aan en om ons deels positief booze, deels betrekkelijk goede bestanddeelen zijn, en het is deze tegenstelling, waardoor de zelfreiniging mogelijk wordt, of beter nog gezegd, door God mogelijk wordt gemaakt.

Zeer in den grove genomen, toont dan ook het leven u, dat de geloovigen in menigerlei opzicht hun zelfreiniging daarin doen bestaan, dat ze die dingen mijden en die dingen doen, die ook door de edeler mannen onder de ongeloovigen gemeden en gedaan worden; en het jammerlijkste is maar, dat zoo menig "kind van God zelfs daarin door de edeleren onder de ongeloovigen beschaamd wordt. Nauwgezetheid van geweten, het ontwikkelen van een vast karakter, het verfoeien van wat laag en gemeen is, het bedwingen van zijn hartstochten, het leiden van een matig en rein leven en zooveel meer, zijn altemaal heerlijke dingen, waar het kind van God bij zijn zelireiniging op uitgaat, terwijl toch niet te loochenen valt, dat geheel dezelfde dingen, zij het ook op andere wijze (waarover later) bij onbekeerden uitblinken, ja niet zelden bij onbekeerden een nog hoogeren glans vertoonen. Wie dan ook de vermaningen leest en herleest, waarin de apostelen deze zelfreiniging aanprijzen en ontwikkelen, kan kwalijk ontkennen, dat deze vermaningen meestal dringen tot een levenswandel, die als zoodanig ook door de edeler mannen onder de onbekeerden, wordt aanbevolen en nagestreefd. Herinner u slechts wat we straks nog uit Efeze 4 overschreven : de leugen afleggen, niet op zondige wijze toornen, den duivel geen plaats geven, niet stelen, maar arbeiden, geen vuile taal spreJcen enz., en ge stemt toe, dat ook niet weinigen uit de ongeloovigen deze dingen met ons verfoeien en er zich voor pogen te wachten. Op verre na niet allen, het is zoo, maar dit moet, helaas, ook van de geloovigen geklaagd; maar er zijn er toch velen, die nist gelooven, en nochtans dezen edelen levenstoon voorstaan en in practijk brengen. We hebben hier alzoo te doen met een veredeling van onzen persoon en een reiniging van ons leven, die haar kracht ontwikkelt op een terrein, dat niet uitsluitend ter beschikking van de geloovigen staat.

maar een wedstrijd opent, waaraan ook vele ongeloovigen, niet zonder vrucht, deel nemen. Dit is de duidelijke waarheid der feiten, zooals ge die gedurig in het leven leunt waarnemen, en die ge onder de oogen moet zien, juist om te begrijpen, dat ge den Naam des Heeren schande aandoet, zoo ge u in deze stukken der zelfreiniging door de ongeloovigen laat overtreffen en beschamen. Waar zij zonder de hoogste aandrift reeds zoo groote dingen bestaan, waartoe moet gij u dan niet inspannen ! Neem b. v. enkel de milddadigheid, en is dan het feit te loochenen, dat niet zoo zelden een edel man onder de ongeloovigen, williger en blijmoediger van zijn geld scheiden kan, dan een geloovige die er warmpjes inzit? Doch hieruit volgt dan ook, dat men zich vergist, zoo men bij de zelfreiniging alleen aan de particidiere genade denkt. Die mengt er zich, gelijk we een volgend maal zien zullen, wel in, maar ze is niet het eenige. Het groot terrein der zelfreiniging is juist omgekeerd het terrein der gemeene gratie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken