Bekijk het origineel

Onze Eeredienst.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onze Eeredienst.

9 minuten leestijd

XXVIII.

Gelijk men weet is in veel Baptistische kerken voor de Bediening van den heiligen Doop een vaste gelegenheid aangebracht.

Dat hangt daarmede saam, dat m.en in enkele dier kerken tot den Doop door indompeling is teruggekeerd. Doop door indompeling nu van volwassen personen, vereischt uiteraard een tamelijk diep, breed en lang water, en de holligheid, of de badkuip hiervoor, kan niet plotseling in de kerk worden ingedragen, maar moet in den aanleg en den bouw begrepen zijn. Bij de Grieksche kerk, die ook door indompeling doopt, is evenzoo een vaste doopvont in het gebouw aanwezig. En de oude Christelijke kerk heeft sinds de vierde eeuw een tijdlang in een afzonderlijk Baptisterium de gelegenheid voor het plaatsen van een Doopbassin afgezonderd.

Deze Baptisteria of Doophuizen waren aanvankelijk groote koepelzalen met het Doopbassin in het midden. Die uitgebreidheid was noodig, omdat aanvankelijk slechts de hoofdkerken het Dooprecht hadden, en de gewoonte bestond, den Doop bij voorkeur tegen de vigiliën van het Paasch-of Pinkterfeest te ontvangen. De toevloed van

volwassen doopelingen was in de vierde eeuw, toen de heidenen zich bij massa's in de Christelijke kerk lieten opnemen, dan ook buitengewoon groot, en om voor deze doopelingen en hun fctmilie gereede plaatsen te vinden, moest de localiteit zeer aanmerkelijk wezen. Er werd toen dan ook niet in de kerk zelve gedoopt, maar alleen in dit afzonderlijk alleen voor den Doop en voor de Catechisatie bestemd gebouw.

Later intusschen, toen de Kinderdoop meer algemeen werd, en hierdoor de ophooping van doopelingen verviel, en allengs alle kerken het Dooprecht erlangden, en tevens de besproeiing de onderdompeling verving, hadden deze kolossale. Baptisteria geen zin meer, en had de Doop meest in de kerken plaats, in een in het noordelijk gedeelte der kerk geplaatste Doopvont, die aanvankelijk altoos van gehouwen steen was, en óf in den vorm van een trog, óf in den vorm van een kelk werd uitgehouwen.

Nog later werd de steenen vont vaak door een metalen bekken vervangen, dat dan geplaatst werd op een standaard. Over het bekken was dan vaak een rijk versierd deksel aangebracht, om het water voor vervuiling te behoeden. En bij het bekken hoorde dan een kan, waaruit het water gegoten werd.

Van Gereformeerde zijde nu moet ook de Bediening van den Doop geheel vrij bezien worden. Men kan den Doop bedienen in een open water, hetzij in een stilstaand water, hetzij in een rivier. Voorts de Doop door onderdompeling blijft altoos de oorspronkelijke, zoodat er b.v, geen de minste bedenking tegen bestaat, dat men in Oostersche landen, met warm klimaat, waar de bevolking toch dagelijks gewoon is, in zulk een water zich te baden, den Doop van volwassen bekeerlingen alsnog door onderdompeling in zulk een open water bedient; mits, want dat blijft voorwaarde, mits dat de gemeente er bij tegenwoordig zij, en er gelegenheid zij voor openbare godsdienstoefening.

In ons klimaat daarentegen, waar bijna uitsluitend kleine, pasgeboren kinderkens gedoopt worden, zou het onzinnig en kleingeestig zijn, op zulk een onderdompeling te staan, en is de besprenging volkomen voldoende. En deze besprenging is te meer aan te bevelen, omdat ze in winter en zomer in het kerkgebouw zelf kan plaats hebben, en er dus geen godsdienstoefening in de open lucht voor vereischt wordt.

Doch dan ware het-ook wenschelijk, dat de Doopvont een vaste plaats in het kerkgebouw had, daar steeds aanv/czig was, en zoo geplaatst werd, dat de toediening van den Doop door heel de gemeente kon aanschouwd worden.

Een standaard met bekken zou daarvoor minder geschikt zijn. Alleen de steenen Doopvont biedt daarvoor genoeg vastheid en soliditeit aan. En bij die Doopvont zou dan een niet te kleine kan hooren, waaruit het water in de hoUigheid van de Doopvont werd uitgegoten.

Denkt men zich nu, gelijk het in ons schema werd voorgesteld, dwars voor de gemeente een verhevenheid, enkele trappen hoog, waarop de kerkeraad plaats nam, dan zou metterdaad de aangewezen plaats voor deze Doopvont in het centrum van die verhevenheid zijn. Men zou dan terstond bij het binnentreden van het gebouw zien, dat deze Doopvont op een eigen doel wees. Heel de gemeente zou steeds de Doopvont, waarbij ze gedoopt was, voor oogen hebben, en zou telkens aan haar Doop herinnerd worden. En de bediening zelve zou noch opeenhooping noch verwarring veroorzaken, en tevens voor aller oog zichtbaar zijn.

Wat het Sacrament van den heiligen Doop aangaat is de plaatsing van het instrument van den Doop als een vast bestanddeel van het geheel in het gebouw zelf, alzoo niet aan moeilijkheden onderhevig.

Mits men van het Doopbekken tot de Doopvont terugkeere, is de plaats voor deze vont vanzelf aangewezen, en levert geen bezwaar op voor de ruimte.

Veel moeilijker is het, in het gebouw zelf een blijvende en vaste plaats te winnen voor de Avondmaalstafel, en althans in kleine gebouwen is deze moeilijkheid zelfs zoo groot, dat men er niet hcht in slagen zal, ook dit tweede Sacrament in den bouw der kerk zelve tot uitdrukking te brengen.

Aanvankelijk, dit houde men wel in het oog, toen de gemeenten nog zeer klein waren, zat men bij elke godsdienstoelening gezellig om een tafel bijeen, geheel afgescheiden van de vraag, of er Avondmaal bediend werd of niet. Men deed dat precies zooals wij het nog doen wanneer er een kleine vergadering wordt gehouden. Dertig, veertig menschen kon (men om een lange tafel nog zeer wel plaatsen.

Toen kwam dus de tafel er niet bij, maar de tafel was er vanzelf, en op die gewone tafel werd het brood en de wijn aangebracht, gelijk we dit thuis doen als er bij of onder een vergadering iets zal genuttigd worden.

Doch toen de gemeente zich uitbreidde, stond men ten deze dadelijk voor een bijna onoverkomelijke moeilijkheid. Eerst kon men dan om een tafel nog in dubbele rijen gaan zitten, en over elkaar heenreiken, maar zoodra er meer dan honderd personen bijeenkwamen, ging ook dit niet meer. Men moest er zich toen wel toe bepalen, dat alleen de opzieners, met enkele andere leden, achter de tafel plaats namen, dat de voorzij van de tafel overbleef, en dat dwars voor die tafel, in meerdere rijen de gemeente zich op stoelen of banken een plaats zocht.

Ook zoo echter bleef de tafel nog altoos staan, en ontstond nu maar de vraag, hoe men de velen met die tafel in gemeenschap zou brengen, voor het ontvangen van den v/ijn en het brood. Dit nu liet zich op tweeërlei manier denken. Of dat de gemeen­ teleden achtereenvolgens van hun plaats opstonden, en tot die tafel toetraden, om brood en wijn te nemen. Of wel dat de gemeenteleden zitten bleven, en dat van de tafel het brood en de wijn door de diakenen of opzieners naar hen werden toegebracht, naar een ieder op zijn plaats.

Nog later intusschen werd ook hiervoor de schare te groot. Waar soms duizend en meer personen bijeenkwamen, kon de huislijke inrichting van de tafel niet in stand worden gehouden, en de prediker kon niet meer van achter een tafel spreken. Hij moest hooger worden geplaatst, om door allen te kunnen gezien en gehoord te worden, en zoo werd de tafel, ingekrompen tot een altaar, van den overigen dienst afgescheiden, en straks, geheel afgescheiden van dit altaar, de communie aan de toetredende gemeenteleden uitgereikt. Een usantie waarbij men dan tevens het gebruik van den wijn voor de leden allengs afschafte. De dubbele bediening hield te veel op ; kon, nu er geen tafel meer was, licht tot morsen leiden; en werd bovendien overbodig geacht toen de leer indrong, dat heel de Christus, met vleesch en bloed, in den ouwel aanwezig was.

De Reformatie die principieel tegen deze geheele voorstelling in verzet kwam, kon uiteraard met deze bestaande usantie geen vrede nemen, en keerde daarom terug tot wat vroeger had bestaan. De tafel werd hersteld, en v/eer werd in onderscheiden landen de dubbele usantie ingevoerd, om óf de leden der gemeente van hun plaats te laten opstaan, en tot die tafel te doen naderen, om daar, geknield, uit de handen van de geestelijken brood en wijn te ontvangen, of wel door de gemeenteleden op hun plaatsen te laten zitten, maar nu door de diakenen, en ook door de opzieners, het brood en den wijn naar de gemeenteleden te laten heendragen.

De eerste usantie bestaat nog in de Luthersche en in de Engelsche Episcopale kerk.

Op de verheven ruimte vóór de gemeente, staat dan een kleine tafel, waarop zich brood en wijn bevinden. Minstens twee Dienaren plaatsen zich bij die tafel.

En dan naderen de gemeenteleden, en knielen zes tot tien tegelijk voor die tafel neder, om uit de handen van de geestelijken, eerst het brood en daarna den wijn te ontvangen, waarbij deze dan telkens de instellingswoorden herhalen.

In de Fransche Gereformeerde kerken daarentegen, en ook in enkele Zwitsersche volgt men nu nog de omgekeerde orde, en laat de gemeenteleden elk op hun plaats zitten, terwijl onderscheiden leden van den kerkeraad het brood en den wijn in de hand nemen, en hiermede van lid tot lid rondgaan.

Op deze van onze usantie geheel afwijkende gewoonte, zie men niet dadelijk te veroordeelend neer. Ze handhaaft toch beter dan onze gewoonte de eenheid van handeling.

Men deelt de leden niet in groepjes in, die aan afzonderlijke tafels plaats nemen. En wijl alzoo de handeling meer haar eenheid behoudt, loopt ze ook veel sneller af. Voor kleine gemeenten, waar men in den regel niet meer dan twee tafels heeft, zou ze dan ook zeer goed in te voeren zijn, en het denkbeeld van een vergadering van geloovigen beter handhaven, dan dit thans geschiedt.

Maar óok hier is het de grootte der gemeente, die storend tusschenbeide treedt.

Bevinden zich in eenzelfde gebouw een 7 a 800 leden, die aan het Avondmaal wenschen deel te nemen, dan maakt het ronddragen van brood en wijn een min plechtigen indruk. De ruimte tusschen de stoelen is dan te klein om er goed door te kunnen. Men moet dan wringen en dringen, en een lid dat onder dat voorbijgaan in der haast een stuk brood van den schotel en een teug uit den beker moet nemen, is daarbij onrustig en niet tot zelfinkeering in staat. En laat men de gemeenteleden opstaan, en bij de tafel neerknielen, dan wordt onwillekeurig in veler oog, die tafel toch weer een altaar, eri' gaat elk denkbeeld van een gemeenschappelijken maaltijd teloor.

Het best ware dan nog, wat men in enkele gebouwen met een ongebruikt koor heeft beproefd, t. w. dat men in dit koor bij manier van een hoefijzer zeer groote, lange tafels plaatste, waar nagenoeg allen op eenmaal een plaats konden vinden.

Het rustig neerzitten aan een tafel, maar zoo dat tevens allen te zaam aanzitten, is metterdaad het ideaal. Dan blijft het één vergadering. Dan is men allen saam. De eenheid blijft bev/aard. Er is geen haast, om weer voor anderen plaats te maken. En toch loopt alles in een twintig minuten af, zoodat niets belet het Avondmaal meermalen, of zelfs telkens na den gewonen dienst te houden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Onze Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken