Bekijk het origineel

Dan de gemeene Bratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dan de gemeene Bratie.

17 minuten leestijd

DERDE REEKS.

Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en Godzaligheid. 2 Petrus 3:11.

XLVI.

Voorzoover het ons gegeven is, in geestelijke dingen de grenslijn aan te wijzen, die de ééne werking van de andere afscheidt, kon dan worden vastgesteld:10. dat God in de wedergeboorte ons ik in de kern van ons wezen op eenmaal geheel heilig maakt; 2°. dat Hij ons ook daarna heiligt, door teweeg te brengen, dat uit die herboren kern het nieuwe leven zich in de wortelen van ons aanzijn voortplant en uitspreidt; en s**. dat Hij ons door zijn Woord en Geest prikkelt en aanzet, om ook ons zelven in de takken te reinigen;

en dit laatste wel, niet als kon dit iets toebrengen aan onze zaligheid, noch ook als ware zulks onmisbaar voor het hemelleven,

maar opdat het ontvangen licht uit ons strale, en God hierdoor verheerlijkt mocht worden in het oog der wereld. Maar juist uit dit laatste volgt dan ook, dat deze zelfreiniging zich in hoofdzaak bewegen moet op het terrein der gemeene gratie, overmits „de wereld" alleen op dit terrein meê kan spreken, en op dit erf haars ondanks tot waardeering en lof ten opzichte der Christenen kan komen. Al wat „van particuliere genade" uitlekt, ergert de wereld, „het is den Joden een ergernis, den Grieken een dwaasheid". Daarvan kon Jezus dus nooit hebben gezegd, dat „de wereld" er den Vader die in de hemelen is, om verheerlijken zou." Verheerlijking van den Naam des Vaders kan van de wereld alleen op haar terrein uitgaan; en op haar terrein werkt niet de particuliere, maar de gemeene genade. De particuliere genade graaft tus-.schen de Christenheid en de wereld een klove, alleen de gemeene gratie biedt aan beide saam een gemeenschappelijk terrein. Waar de particuliere genade intreedt,

breekt deze alle gemeenschap tusschen u en de wereld af, en het is uitsluitend op het erf der gemeene gratie, dat ge weer aanraking, saamwerking en gemeenschap van oordeel met de wereld krijgen kunt. Dit is zelfs zoo waar, dat „de wereld" de beteekenis en de waardij van de Christelijke religie uitsluitend naar haar beteekenis voor dat gemeenschappelijk erf beoordeelt en afweegt.

In zoover de Christelijke religie onmiskenbaar de zeden verzachtte, orde en regel aanbracht in het huiselijk samenleven, eerlijkheid en goede trouw in den omgang bevorderde, het vuur van den hartstocht temperde, de zinlijkheid in den band sloeg, matigheid aankweekte, en milddadigheid en sympathie met wie leed aan het hart ontlokte,

vindt ook de godloochenaar die Christelijke religie „een goed ding", een „nuttig verschijnsel in de geschiedenis", en iets dat voor de groote massa nog lang niet kan worden gemist, als hulpmiddel voor de eersteontwikkelinguit ruwe, grove toestanden,

tot toestanden die zich meer menschelijk voordoen. Zulk een man acht daarom zich zelf reeds ver boven die Christelijke religie verheven. De Christelijke kerk is bij de beschaving en ontwikkeling der volken in zijn oog zoo ongeveer de „bewaarschool" voor de pasbeginners, en het „huis van correctie" voor de nog ongemuilbande wildzangen. Zelf is hij nu op de veel hoogere school van de vrijmetselarij of van het pessimisme. Maar dit neemt niet weg,

dat hij voor de nog minder ver voortgeschredenen (en dat zijn helaas, nog altoos de groote massa's) die bewaarschool onmisbaar keurt, en soms zelfs bereid is, om er voor bij te dragen.

Het duidelijkst komt dit uit op het gebied van de Zending. Drie stadiën doorliep ten deze het oordeel der ongeloovige wereld. Eerst de periode der hatelijkheid, toen het tijdperk der onverschilligheid,

en nu trad ze in het stadium der waardeering. Hatelijk waren de conservatieven, onverschillig de oud-liberalen, waardeerend zijn de progressisten, en tot in de staatsstukken der Regeering, in de debatten der Staten-Generaal, en in de rapporten der Oost-Indische ambtenaren zoudt ge het verloop en de opeenvolging van deze drie standpunten kunnen aanwijzen. In de periode der hatelijkheid beschouwde men de Christelijke missie als een gevaarlijke indringster.

Die eenvoudige inlandsche bevolking, vooral op Java, leefde gerust, was gedwee en bezat in den Islam juist datgene wat ze als religie behoefde. Die Islam was volstrekt zoo kwaad niet, voor zulk een eenvoudige Indische bevolking zelfs veel geschikter dan ons Christendom met al zijn dwaze dogma's. Trad nu te midden van zulk een bevolking nochtans zulk een missie op, dan veroorzaakte dat niets dan tweedracht en scheuring, zelfs kon ze het fanatisme van de Mahomedanen gaande maken, en daarom moest het als „hoog gevaarlijk" worden beschouwd. Dientengevolge werd de Zending toen op alle denkbare wijzen bemoeilijkt. Men plaagde en smaadde de

mannen die voor zulk een missie uittogen, en deed soms al het denkbare, om hun het leven ondraaglijk te maken. Deze booze periode nu liep ten einde met den ondergang van het Batig slot. — De liberalen vervingen daarop de conservatieven, en keurden zelf die plagerijen af. Men moestaller vrijheid eerbiedigen. Zelven verwachtten ze van het Christendom voor den inlander niet veel. Bovendien hoe machteloos en klein was die missie niet. Maar toch, dit moesten de vrienden van de missie zelven weten. In geen geval mocht de Regeering en de ambtenaarswereld hen kleingeestig tegenwerken. De vrijheid van consciëntie moest ook in de Indien worden verdedigd.

Dank zij die milder opvatting heeft toen de missie zich gaandeweg uitgebreid en is allengs, vooral in de Buitenbezittingen, van niet zoo geringe beteekenis geworden.—Hierdoor werd het mogelijk dat op eenigszins uitgebreider schaal de vrucht der Zending in het volksleven uitkwam, en hierdoor werd het oordeel der „ongeloovige wereld" toen overgeleid in zijn derde stadium, dat van

waardeering. Plaast kan men zeggen, dat het thans een heilige wedstrijd is, wie het meest aanbevelend over de Zending spreken en schrijven zal. Zelfs de Regeering ging hiermee mede, en onder haar inspiratie sloeg ook in de Oost-Indische ambtenaarswereld het oordeel en de wijze van behandeling geheel om. Men is thans met de Zending ingenomen, men waardeert haar, men stelt haar op prijs. Zelfs wil men haar

men stelt haar op prijs. Zelts men haar aanmoedigen. Sommigen dier ongeloovigen geven voor de Zending uit eigen buidel geld. En de Regeering toonde reeds op meer dan ééne wijze, dat ze lang niet ongenegen is, om in zake onderwijs en medi­ sche hulp de Zending uit de publieke kas te steunen. — Welnu, dit loopt nu in letterlijken zin uit op wat onze Heiland zei: Zóó uw licht laten schijnen, dat de menschen het zien, en uw Vader die in de hemelen is verheerlijken mogen. Want natuurlijk zal de wereld datlichtzien, dan moet het een licht zijn waar ze zelf een oog voo.r heeft, en dat is alleen uw hooger licht dat uitstraalt op het erf der gemeene gratie. Juist daarom drongen we er steeds op aan, dat de Zending ook op dit terrein haar kracht zou beproeven, niet natuurlijk alsof die missionaire arbeid op het terrein der gemeene gratie, in zake onderwijs en medische hulp, ooit ift de plaats van de roeping ten leven mocht treden, maar als aanbeveling bij de wereld, om in de wereld ingang te vinden, en alzoo straks te krachtiger voor het bekeeringswerk te kunnen optreden. Ook op politiek terrein heeft daarom schrijver dezes, zich steeds verzet tegen elke poging, om van de Regeering rechtstreeks hulp voor de Evangeliseering van Indië te vragen. Ook de werkzaamheid der Regeering ligt geheel op het terrein der gemeene gratie, en daarom stond men dan eerst sterk tegenover de Landsoverheid, indien men op dit terrein haar steun opeischte, en haar dwong tot

de erkentenis, dat de Zending ook op dit terrein hoogwichtige beteekenis heeft. Het Leger des heils dankt aan het in acht nemen van denzelfden regel zijn snellen wasdom. En stellig zou ook de Christelijke kerk als zoodanig hechter positie in de opinie der wereld hebben veroverd, indien het diaconale werk zich krachtiger ontwikkeld had.

Houden we alzoo streng vast aan den regel, dat aan de wereld geen eerbied kan

fgedwongen worden dan op dat terrein en n die dingen waaraan 'A^ ook zelve deel heeft, waarover ze zich een oordeel over kan vormen, en waarvan ze het edele schatten kan, toch heeft men zich hier te wachten voor een zeer ernstig gevaar, dat op ongelooflijk verwoestende wijze in de Christelijke kerk insloop. De kenner zal reeds gissen, dat we hier bedoelen het optreden der dusgenaamd Etldsclie richting. Immers geheel het optreden dezer zoo bedenkelijke richting is uit niets anders te verklaren, dan uit de zucht om de waarheid der Christelijke religie aan de wereld door daden te toonen. Zij, uit wier hart en hoofd deze richting opkwam, waren allen ernstige mannen, die zich ergerden aan de onvruchtbaarheid van het Christendom voor het leven, die wars van afgetrokken leerstellingen naar de krachten des euwigen levens grepen, en zich volmaakt te goeder trouw voorstelden, dat het Christendom als met een tooverslag de wereld veroveren zou, mits maar bleek,

dat het uitkwam, niet in woorden, maar in kracht. Al wat waar was moest zich als zoodanig dan ook legitimeeren door een vrucht van zedelijk leven af te werpen. Wat ze geloofden en getuigden moest daarom een ethisch karakter dragen, en de wedstrijd moest met de wereld worden aangegaan, niet door stelling tegenover stelling, beginsel tegenover beginsel, dogma tegenover dogma, genootschap tegenover genootschap te plaatsen, maar door in het leven te toonen, dat wie Christus volgde het van een Christusloochenaar won in zelfverloochening en zelfverzaking, in eerlijkheid en goede trouw, in hulpvaardig­ heid en dienende liefde, in matigheid en heerschappij over hartstocht en zinnenlust. Nu was dit bedoelen natuurlijk uitstekend.

Er is dan ook kracht door geoefend, en niet zelden is om de uitstraling van het licht dezer mannen onze Vader die in de hemelen is, verheerlijkt geworden. Zelfs mag gezegd dat menig confessioneel en juridisch man, die tegen deze Ethische richting een hoog en hol woord had, voor zijn Heiland beter zou hebben gestaan en in Godzaligheid verder zou zijn gekomen, als hij zich door deze ethische kampioenen had laten beschamen, en door hun geestdrift bezield geestdrift had laten ontsteken in zijn eigen gemoed. Maar dit neemt niet weg, dat deze soms harde confessioneelen in één opzicht volkomen gelijk hadden : De Ethische richting wist te tooveren in de takken, maar zag niet hoe onder haar betoovering ongemerkt de wortel van den stam werd afgezaagd.

Dank zij de klaarheid, die door de breede toelichting van de gemeene gratie, over alle deze verhoudingen wordt gespreid, kost het thans niet de minste moeite, om deze grondfout van de Ethische richting in te zien. Die grondfout bestaat namelijk daarin, dat ze de gemeene gratie met de particuliere genade ineen heeft laten vloeien; in het betoon van gemeene gratie al haar heil heeft gezocht; en daardoor ten slotte de beteekenis der particuliere genade onderschat en verkleind en nu reeds, in haar kringen, der verdwijning nabij gebracht heeft.

Telkens meer heeft ze alles wat tot de particuliere genade behoorde, teruggedrongen; dat scheidde en verbijzonderde maar; en daarentegen heeft ze al haar kracht pogen te ontwikkelen op het gebied der gemeene gratie,

waar de wereld haar prijzen en waardeeren kon. Vandaar dat ze steeds een uitnoodigenden blik naar de Modernen richtte, en daarentegen met een boos, wantrouwig Oog naar de orthodoxen gluurde. Gelijk eender corypheën van deze richting, nu reeds ten grave gedaald, het aan schrijver dezes persoonlijk reeds voor 30 jaren verklaarde: „Van de Orthodoxen verwachten we niets meer,

daarmee hebben we afgerekend, maar naar de Modernen zullen we ons zoo ver mogelijk overbuigen. Van hen is nog schoone verwachting." Ja sterker nog, toen schrijver dezes uit zijn Moderne periode tot het Koninkrijk van den Zone Gods was gekomen betuigde niemand minder dan de overleden hoogleeraar De la Saussaye, in publieken geschrifte, dat hij in den overgang van schrijver dezes tot het geloof, de bevestiging zag van wat hij steeds beweerd had, t. w. dat uit den Modernen hoek de nieuwe recruten voor de heirscharen van den Christus zouden komen.

Almeer werd dan ook in deze kringen aan de geloofswerkingen op het terrein der gemeene gratie het gezag toegekend, om de echtheid en de waarheid van den inhoud der particuliere genade te keuren. En hoezeer dit bij het eerste geslacht nu nog wel liep, omdat de mannen dezer eerste generatie nog in orthodoxe kringen waren opgevoed, en uit de omgeving nog zekere vaste usantiën en inzichten hadden meegebracht, toch kon het niet anders of reeds in de tweede generatie moest het een afloop als van zeer snelle wateren worden; en ongelooflijk is het dan ook metterdaad, hoe de jongere Ethischen, na zoo kort verloop, reeds tot een prijsgeven van letterlijk alles wat nog een particulier karakter droeg, gekomen zijn. En waar zoo snel en bang reeds de overgang van de eer­ ste naar de tweede generatie was, wie zal daar zeggen wat de overgang in het nu te wachten stadium zijn zal van de tweede generatie op de derde. Reeds nu is er bijna niets meer prijs te geven, wat niet door hen prijs gegeven is. De gemeene gratie is hun letterlijk het één en al geworden. Niets specifieks is meer overgebleven.

Ze tooveren nog mét den electrischen stroom,

maar willen van de batterij waaruit die stroom vloeit, niets meer weten. Wat alleen nog overblijft, is dat ook het besef van zonde onder hen verzwakt moet worden, en dan is er geen enkele reden denkbaar, waarom ze niet met de Modernen zullen overglijden in de verleidelijke wateren der Evolutie. Een Christus uit de menschheid voortgekomen,

en op de menschheid die na hem kwam reageerend, maar om straks door een nog hooger ontwikkelde menschheid overtroffen te worden, natuurlijk ook op ethisch gebied. De critiek over Jezus' ethische uitspraken is reeds begonnen.

En toch, hoe beslist we, dit gevaar voorziende, en als voor oogen aanschouwende,

waarop dit ethisch bedrijf moest uitloopen,

tegen deze richting geprotesteerd hebben, we hebben het bij ons protest tegen haar grondfout niet gelaten. Het optreden der Ethische richting in haar eerste periode was, dit stond vast voor onze overtuiging,

uitgelokt door het valsche dualisme, dat in de Icerk en onder de geloovigen insloop. Dat de kerk, dat de orthodoxie een eigen specifiek karakter handhaafde, was haar eer, haar plicht, haar kracht. De kerk moest kerk blijven, en mocht niet een collegiaal genootschap worden. De Belijdenis dier kerk moest moedig tegenover den Catechismus der wereld geproclameerd. De Heilige Schrift moest het heilig orakel blijven, dat klaar en duidelijk de tegenstelling met de gedachtenwereld der ongeloovige schare deed uitkomen. Genade moest tegenover zonde, wedergeboorte tegenover betering des levens staan. De klove tusschen geloof en ongeloof kon en mocht niet overbrugd worden. In dat opzicht heeft ons blad de Confes.sioneelen dan ook steeds gesteund, ja, hen zelfs aangezet, om nog veel moediger en volhardender voor de verdedi-. ging van deze heiligheden op te komen, en als het te harer beveiliging moest, door te tasten. Maar wat we van meet af afkeurden, was de valsche inbeelding, alsof deswege de gemeenschap met het gewone leven moest worden afgebroken, en alsof de Christelijke religie niet ook haar roeping voor het leven van maatschappij en staat en wetenschap had. We hebben ons daarom steeds verzet niet tegen de mystiek van het gemoed, veeleer konden we ons geen zaligmakende genade in het hart denken zonder dat de mystieke gemeenschap met Christus weer heilige liefde in het hart werkte.

We hebben ons nooit verzet tegen zeker breken met den omgang der wereld, veeleer hebben we, op het voetspoor onzer vaderen, tot in dans en spel en schouwburg die breuke doorgetrokken. We hebben ons nooit verzet tegen den eisch van een afzonderlijke opvoeding. Veeleer hebben we den eisch dat de opvoeding van het gedoopte kind een specifiek Christelijke zou zijn, doorgevoerd tot op het terrein van het Hooger onderwijs. Maar wat we steeds bestreden hebben, en zoolang God ons leven gunt, zullen blijven bestrijden, is dat genoeg hebben aan de particuliere genade, en dat volkomen verwaarloozen van het breede terrein der

gemeene gratie, waarop juist onze gemeenschap met de wereld stand moet houden,

en waarop we in onze meerdere kracht den v/edstrijd met de wereld hebben aan te gaan,

en waarop we onze lauweren voor de eere van den Christus hebben te winnen. Fijn in het geloof, maar slordig in den wandel, is de zv/are aanklacht geweest, die tengevolge van veler valsch dualisme zoo gedurig, en helaas zoo vaak met goede gronden tegen de geloovigen is ingebracht. Ze verheerlijkten God in hun gemoed, in hun gezin, in hun gezelschappen, maar ze vergaten te eenen male dat ze een stad op een berg moesten zijn, het zout in de wereld, en dat ze licht moesten uitstralen, opdat ook de wereld, dat licht ziende, onzen Vader die in de hemelen is verheerlijken mocht. Indien men maar zelf voor eeuwig geborgen was, en geestelijk genoot, werd men door dat ongezonde dualisme voor de eere Gods in het midden der wereld onverschillig. Natuurlijk niet allen. Laat ons roemen mogen, de meesten niet. Maar toch was dit ziekelijk verschijnsel veel verder gegaan, dan velen vermoedden, en dat was het wat onze kracht brak, en onzen invloed vernietigde.

Dit ziende hebben we daarom van meet af tegen dit ongezonde dualisme den strijd aangebonden, natuurlijk niet zonder dat we op tegenstand stuitten. Wat eenmaal krom boog,

kiat zich niet zoo gemakkelijk weer recht buigen. Heeft men ons zelfs niet voor pantheïst uitgemaakt.? Juist daarom was het noodzakelijk, dat de grondfout, waaruit dit onredelijk en gevaarlijk verzet opkwam,

ook leerstellig uiteen werd gezet, en met dat doel voor oogen, waagden we ons aan zoo breede toelichting van de gemeene gratie. Dit toch was het punt, waarbij onze Gereformeerde belijdenis afweek van het Doopersche pad der mijding, en alzoo moest op dit punt het valsehe dualisme overwonnen worden. Dualisme bleef er daarom wel, ja, moet er blijven tot eenmaal na het laatste oordeel alle dingen in hemel en op aarde weer onder Christus als het ééne Hoofd zullen gebracht v/orden {het uvaxetpaXaiovv).

Maar er moest ingezien worden, dat het terrein der particuliere genade niet enkel bruutweg tegen het booze erf van zonde en ongerechtigheid overstaat, maar dat God door zijn gemeene gratie ook een tusschenerf van burgerlijke gerechtigheid in het leven riep, en dat het op dit terrein is, dat zijn verloste kinderen voor zijn eer met de wereld moeten wedijveren.

Anders sluipt de leugen in, en gaat men ontkennen de velerlei deugden in de ongeloovigen die men toch voor oogen ziet,

en als gevolg hiervan houdt men op voor zichzelf aan een reinen en godzaligen wandel nog waarde meer te hechten, indien men maar gelooft en bewegingen des vredes in zijn hart gevoelt. Bij ontstentenis van een gedrag, een karaktervorming en een wandel, die der wereld eerbied afdwingt, gaat men

dan heil zoeken in vrome allures, in vrome gemaaktheden, en onnatuurlij kheden, en op die wijze kan het niet anders, of geestelijke hoogmoed drijft de nederigheid van zin uit, die voorwaar niet de minste der genaden is; het geloofsleven omdat het zich opsluit, verstikt; en in stede van der wereld eerbied af te dwingen voor de krachten des Koningrijks die in ons werken, stellen we onszelven en onzen kring voor die wereld tot een aanfluiting.

En om nu de proef op de som te geven, verwijzen we met name naar de breede reeks van slotvermaningen in de apostolische brieven, die steeds aandringen op een zelfreiniging juist door het afleggen van allerlei verkeerdheden en het aanwennen van allerlei gerechtigheden, die, gelijk ze daar opgenoemd en breed uitgemeten worden, bijna nergens het terrein overschrijden waarop ge ook de ongeloovigen vaak ziet uitmunten. Natuurlijk niet alsof het geloofsleven hierin opging, en alsof die wedstrijd met de wereld op het terrein der gemeene gratie a/ ons Chi-istendom was. Dit getuigen de tien jaargangen van ons blad wel anders. Zoo iets mag niemand ons toedichten, of hij lastert. Doch alles heeft zijn plaats en orde. In deze uiteenzetting van de gemeene gratie handelen we nu mei over de my.stiek van het geloofsleven, maar uitsluitend over de uitstraling van het geloofslicht op het terrein der gemeene gratie,

en alleen daarnaar mag dus deze uiteenzetting beoordeeld worden. En mochten er nu onder onze lezers zijn, onder de ouderen en de jongeren van jaren, die kwalijk ontkennen kunnen, dat ze, hoe vast en verzekerd ook van hun geloof, op dat breede veld der gemeene gratie dusver nog nimmer hun eigenlijke roeping gevoeld en verstaan hebben, dat dan niemand zijn consciëntie verharde, maar ijver en lust in ieders hart moge opwaken, om zijn schade in te halen, en niet te rusten, eer ook om zijn wandel en handel onze Vader die in de hemelen is, door de menschen die buiten onzen kring staan, moge verheerlijkt worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene Bratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken