Bekijk het origineel

Doop en Tucht.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Doop en Tucht.

10 minuten leestijd

Ds. De Haas heeft een goed werk gedaan met de quaestie der „Doopleden" tot een afzonderlijk onderwerp van behandeling te kiezen.

Hij deed dit in een net uitgevoerd Trac taat. dat onder den titel: Doop en Tucht of klein Tractaat van de Tucht der kerken over hare gedoopte leden, bij Kirchner te Amsterdam het licht zag.

Het meest interesseeren natuurlijk zijn conclusiën, die hij aan het slot in dit vijfvoudig voorstel saamvatte, en die hij in dezer voege inleidde: Het moeilijkst komt ook hier het laatst: de 'practische uitvoering van de tucht op de kinderen der gemeente, op alle zoogenaamde „doopleden" die te bestraffen zijn.

Wie evenwel aandachtig heeft gelet op de door ons in deze bijdrage uitgestippelde lijn, ter toepassing van deze tucht, heeft hier reeds iets, evenals de broederen Dr. Rutgers en Dr.

Bavinck door hun „conclusie" aan de aandacht der kerken onderwierpen. Hiermee is natuurlijk geenszins gezegd, dat wij den steen der wijzen vonden. Misschien hebben andere broederen veel betere voorstellen. Maar laat deze dan ook publiek gemaakt worden.

Het is ons alleen om een bondige, gereformeerde regeling van de zaak zelve te doen.

Reeds langer dan zestig jaren wacht deze regeling in de uitgeleide kerken des Heeren ten onzent. En de nood zelve dringt, op meer dan één plaats, op regeling aan. Te recht werd opgemerkt.! „er is hier en daar reeds feitelijk in onze kerken een middelsoort van leden, die geacht worden tusschen kinderen en belijdende leden in te staan, zoogenaamde „volwassen doopleden, " voor wie men zint op een nieuwe soort van kerkelijk lidmaatschap, om hen dan als zoodanig ongemoeid te laten voortleven, alsof hun positie rechtmatig wasj zelfs tracht men bij verhuizing hun een kerkelijke attestatie als „dooplid" mee te geven en hun in sommige gevallen kerkelijke rechten te verzekeren."

Welnu èn met het oog op dezen geestelijken en kerkelijken misstand, èn tevens om velerlei in deze brochure besproken gevallen, eischen dus Gods Woord en onze belijdenis, dat de kerken hier zekere bindende orde stellen.

Ter overweging en toetsing in onze kerkelijke vergaderingen bieden wij daarom de hier volgende voorstellen met bescheidenheid aan.

Uitgaande van het oorzakelijk verband tusschen den Heiligen Doop en de kerkelijke Tucht in de gemeente van Christus, spreken de kerken uit: I. dat alle kerkeraden van 's Heeren wege gehouden zijn, de doopleden als voorwerpen van de tucht der gemeente te beschouwen en hen dus bij afwijking van de leer der waarheid of van den Christelijken wandel tot betering des levens te brengen.

II. Ten einde zooveel mogelijk tot orde in de bediening dezer tucht te komen, zullen de „gedoopten"

a. heel het jaar door van kerkeraadswege de gelegenheid ontvangen om in de leer der waarheid onderwezen te worden;

b. bij het huisbezoek worden de kinderen der ouders desnoodig afzonderlijk vermaand over hun onchristelijk levensgedrag;

c. bij volharding op den weg der zonde zullen hunne namen in de openbare samenkomsten der gemeente bekend gemaakt en heel de gemeente opgewekt worden, om voor dezulken te bidden;

• d. staande deze vermaning zullen de kerkeraden geroepen zijn, een afzonderlijke catechisatie voor deze gedoopten te houden;

e. voortgaande afval verplicht den kerkeraad, om deze „doopleden" buiten de gemeenschap der kerk te zetten, met vervallenverklaring van alle voorrechten aan het lidmaatschap der kerk verbonden;

/. de sub. c genoemde actie geschiede niet vóór het i6de en de onder sub. e genoemde in den regel bij de intrede van het 25 ste levensjaar.

g. de royeering als „doopleden" sluit het recht der geroyeerden uit op den Doop hunner kinderen, tenzij de grootouders — als membra completa — heel de kerkelijke opvoeding voor hun rekening nemen, onder toezicht van den kerkeraad.

III. In al zulke kerken waar nog „volwassen doopleden" zijn, zullen de kerkeraden arbeiden om hun „gemoedsbezwaren" in betrekking tot het H. Avondmaal weg te nemen, en hen tot het doen van belijdenis des geloofs te bewegen.

IV. De kerken doopen geen kinderen van „doopleden, " dan onder getuigen van derden, en zulks alleen nog bij hooge uitzondering.

V. De classicale vergaderingen zullen op deze roeping ook bij de visitatie der kerken nauwkeurig letten.

Maar ook afgezien van deze conclusiën, spreekt de geest van heel dit geschrift ons warm en bezielend toe.

Hier is geen drijver aan het woord, die, zonder met de bestaande toestanden te rekenen, kortweg het absolute recht herstellen wil, maar een man die de kerken en ook den misstand der dusgenaamde „doopleden" bij ervaring kent, en daarom ook weet, dat men scherp tusschen tweeërlei te onderscheiden heeft, eenerzij ds tusschen den wereldzin, die zich vrij wil houden, om niet onder het heilige juk te komen, maar ook anderzijds tusschen den stillen ernst, die tegen het heilige opziet, en er zich niet aan durft wagen.

Intusschen dient men ten aanzien van de volwassen „doopleden" wel te onderscheiden.

Er is ook hier tweeërlei soort. Er zijn onder hen hoogst ernstige, godsdienstige menschen, maar er zijn er ook, die zich zeer onverschillig gedragen omtrent hunne eeuwige belangen. Reeds daarom mogen alle volwassen „doopleden" niet naar één maatstaf beoordeeld worden en dringen ook wij aan, op groote voorzichtigheid bij den opzet van een kerkrechtelijke actie ten hunwaarts. Gij hebt hier dezelfde tweeheid als tusschen de „belijdende" leden. Ook hier zijn zeer ernstigen en zeer vadsigen, met de kleurlooze middenstof in tal van variatiën. In dit opzicht spiegelt het leven in de maatschappij zich metterdaad in het leven der institutaire kerk af. Gij kunt dit wel anders wenschen en willen, en wie der christenen wil dit niet, — maar daarmee zijn de dingen, die gij waarneemt, nog niet in beteren doen gezet. Men vergete dan ook onder ons onze kerkelijke herkomst niet, waaruit onze gereformeerde kerken thans weer eventjes ontkomen zijn. Welke was deze herkomst? Zeggen wij te veel, als wij haar een kerkelijk Babel noemen? Een kerkelijk ingezonken toestand, die bijna twee volle eeuwen de kerken Christi heeft afgemat en uitgeput; die in de harten der menschen, geslacht na geslacht, dank zij de geestelijke verduistering des verstands, ten opzichte van de eerste beginselen der waarheid, een geestelijke onkennis en onkunde heeft geoefend, die nog heden, nu en dan, ontzet en verbaast.

Maar hoe ernstig hij ook met dit onderscheid rekent, op den duur mag men niet rusten in het kwaad, en de „wacht bij het beginsel" mag niet verlaten worden.

Eerst God en dan de mensch! onveranderlijke leuze. blijft zijn

Op kinderen der gemeente reeds de tucht toepassen!

Waar denkt men tegenwoordig aan? Sommigen noemen een dergelijken voorslag zelfs een ingrijpen der kerken in de vaderlijke macht, hetgeen volgens hen der kerken niet toekomt.

Zelfs gaan enkelen zoo ver, dat zij van een miskennen der ouders reppen, wanneer de kerk buiten dezen om, de „volwassen doopleden" door middel van de tucht tot de orde roepen en in laatste instantie hun band met de kerk doorsnijden zou. Blijf dus al dezen ver van 't lijf met uw tucht op de „doopleden". Zij noemen dit machtsoverschrijding, gedeeltelijk zelfs een ijdel werk, waarvoor hun conscientie niets voelt. En zegge nu niemand, dat zulke opmerkingen toch zeldzaam gemaakt zullen worden. Want wie dit meent, kent de kerkelijke kaart van het land niet zeer nauwkeurig. Waarheid is, dat de kerken in 't gemeen aan de tucht op haar „doopleden" geheel ontwend zijn; zeer vele kerken tot nu toe niets aan deze tucht deden, behalve dan een enkel vermaanwoord in opspraak makende gevallen. Een andere groep van kerken zou wel willen beginnen, maar miste nog het rechte inzicht in de zaak.

Een derde soort, die dan begon, verviel dikwerf spoedig, ten gevolge van velerlei practische moeite, — niet het minst bij „doopleden van jaren, " — tot moedeloosheid, die haar werkeloos maakte.

Een publieke overtuiging in al onze kerken, als zou de tucht even stipt en trouw aan de „doopleden" behooren bediend te worden, als aan de „membra completa" bestaat er, indien wij ons niet geheel vergissen, dan ook niet.

Wel werd de gemeente wakker; kwam te Middelburg in '96 een wetenschappelijk, naar den eisch der zaak, uitgewerkt rapport ter tafel, doch hierbij bleef het.

En zeer hopen wij, dat eer de nu komende Gererale Synode daagt, de „mindere" vergaderingen haar welgeordende voorstellen bij de kerk van Groningen zullen inzenden; maar geheel zeker zijn wij hiervan nog niet. Ter wille van het allereerste en hoogste belang: de heiligheid der kerk van Christus, wagen wij door deze bijdrage dus een poging, om het debat althans in te leiden en aan den gang te brengen. En heeft zich hieromtrent dan nu nog geen publieke kerkelijke opinie gezet, vooreerst mag daarom een zaak van zooveel beteekenis, waarmee de kerk van Christus in haar belijdend karakter staat of valt, niet in de schaduw gedrongen. En ten andere is bij de vraag naar de gereformeerde beginselen en confessie onzes inziens de dag niet ver meer, dat onze kerken, wellicht reeds vóór het einde dezer eeuw, dit gewichtig stuk kerkregeering op behoorlijke orde zullen gebracht hebben. Intusschen hangt de beteekenis of de waarde van een geding zeer dikwijls in 't geheel niet af van de dusgenoemde publieke opinie. Deze opinie is meer dan eens een spooksel, waarmee de kerk des Heeren heelemaal niet rekenen mag. De apostelen des Heeren, de kerken der Hervorming, de gereformeerde kerken van deze landen in onze eigen eeuw, — ai mij! — wat heeft de publieke opinie bij haar optreden haar goeds gewrocht?

Spijt deze opinie zijn wij als kerken des Heeren gewassen. Diensvolgens mag ons ook nu geen smaad of schimp van den kant onzer kerkelijke tegenstanders slechts voor een oogenblik laten verlokken, de heiligheden der kerke Christi met haar zaad niet ongerept en onberispelijk te mainteneeren.

Zelfs al zou, , des neen, de gereformeerde kerk op tal van plaatsen, als gevolg van haar getrouwe plichtsbetrachting in dit stuk der „regeering" ook gedecimeerd worden, deze numerieke achteruitgang zou ons evenwel geen oogenblik mogen ophouden. Onze gereformeerde kerken treden tegen de volkskerk op met de hooge pretensie, dat zij de belijdenis der waarheid onbezoedeld overleveren aan het volgende geslacht. Maar daarom mede behooren deze kerken voor haar komende generatiën te zorgen; over al haar kinderen moederlijk teeder, maar tevens vaderlijk ernstig te waken; door de tucht tot betering des levens te brengen, wat reeds in der jeugd door den klauw van Satan bedreigd wordt; en ten slotte, ter oorzake van de heiligheid der gemeente, uit haar midden intijds weg te doen, wat blijkbaar straks heel de kerk zou oplossen.

Zoo blijkt ons in het licht van Gods Woord en mitsdien van de gereformeerde, kerkelijke praxis, dus geen enkele der geopperde bezwaren houdbaar.

Noch de het-baat-niet-tactiek, noch de geveinsden-theorie, noch de schijnschoone vlucht: De Heer e moet het doen, noch de bedenking ontleend aan de massa-idee, en eindelijk evenmin het zeggen: Gij hebt de pttblieke opinie tegen.

Want tegen al deze en soortgelijke objecties behooren de kerken moedig en trouw haar heilige roeping hoog te houden, de deurkruk stevig aan te vatten en dus de wacht te zetten niet maar bij een afgelegen fort, waar schier geen vijand rondsluipt, maar bij de hoofdpoort van de kerkelijke vesting zelve, totdat haar Koning van de hemelen wederkomt.

Dit is kras, maar niet te kras gezegd.

Zal het Verbond onder ons stand houden, en de kinderdoop gewettigd blijven, dan moet de Tucht den moed hebben, om ten leste scheiding te maken, of we zinken, of we het willen of niet willen, ten slotte toch weer in de karakterlooze volkskerk terug.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 mei 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Doop en Tucht.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 mei 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken