Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

19 minuten leestijd

DERDE REEKS.

XLIX.

Gedenkt der vorige dingen van oude tijden af: at Ik God ben, en er is geen God meer, en er is niet gelijk Ik; die van den beginne aan verkondig het einde, en vanouds af die dingen, die nog niet geschied zijn; die zeg: ijn raad zal bestaan, en Ik zal al mijn welbehagen doen. Jesaja 46 : 9, 10.

Een klaar en onderscheidend inzicht in het wezen der Voorzienigheid vindt men onder de geloovigen gemeenlijk niet. De belijdenis dier Voorzienigheid vormt daartoe een te klein deel van hun godsdienstige overleggingen en besprekingen, en waar, gelijk ons een vorig maal bleek, ook de predikatie slechts zelden diep op dit stuk ingaat, laat het zich verklaren, dat de meeste ten opzichte van dit leerstuk met een algemeene belijdenis vrede nemen, en zich geen rekenschap geven van de gewichtige vraagstukken, die er door beheerscht worden. Teneinde niet misverstaan te worden, zal het daarom noodig zijn, hier althans enkele lijnen uit te stippelen. En dan klinke het niet te vreemd zoo we de opmerking laten voorafgaan, dat de belijdenis der Goddelijke Voorzieiiigheid eïgenlijk meer van heidenschen dan van Schriftuurlijken oorsprong is. In de Heilige Schrift wordt nergens van de „Voorzienigheid", met dien naam, gesproken, en wat men, om deze schade te vergoeden, uit Gen. 22 : 14 heeft aangehaald, sneed schier in geen enkel opzicht hout. Vooreert toch kent het Hebreeuwsch gten voorzetsels voor de werkwoorden. Voorzien is uit dien hoofde een begrip, dat in het oorspronkelijke niet ko7t uitgedrukt worden. Er staat dan ook alleen: ien. Li de tweede plaats is hier juist geen sprake van een gebeurtenis in het gewone leven, maar van een wonderbare actie in de particuliere genade. Heel het voorval strekt toch, om Abrahams geloof te beproeven, en dit te doen in symbolisch verband met Golgotha. En in de derde plaats grijpt hier een voorziening plaats, volstrekt niet in dien rijken zin, waarin onze Heidelberger de Voorzienigheid verklaart als „de alomtegenwoordige en almachtige kracht Gods, waardoor Hij alle dingen onderhoudt en bestiert, " maar als het voorzien in een bepaald geval van nood.

Daaruit echter, dat de Heilige Schrift het begrip van Voorzienigheid niet bezigt, volgt nog in het minst niet, dat wij ons deswege van het gebruik van dit begrip volstrekt te onthouden hebben. Ging dat door, dan zouden we ook niet van Gods Drieëenheid, ook niet van Sacrament, en van zooveel meer mogen spreken. De Heilige Schrift is er niet om ons begrippen voor te spellen. Veeleer geeft zij stof, géiooisinhoud, rijke volle openbaring in het wezen der dingen, en aan de kerk, die deze Schrift ontving, is de taak verbleven, om dezen rijken inhoud in haar denkend bewustzijn op te nemen, en in heldere woorden en begrippen te belijden. De Schrift geeft Openbaring, eerst door de kerk ontstaat er Theologie. Bij dien denkarbeid nu maakt de kerk (nu als organisme genomen) gebruik van wat onder de volkeren, van wat in het gemeene menschenleven, van wat onder de heerschappij der algemeene genade of gemeene gratie, in 's menschen bewustzijn tot ontwikkeling is gekomen, en vandaar dat de Christelijke kerk in haar belijdenis en in haar Theologie zoo menigen term, en zoo menig begrip bezigt, en zoo vaak een woord gebruikt, dat niet in de Schrift wordt gevonden, maar van elders ontleend is. De Doopers, en zoo ook de Methodisten, hebben ons hiertoe steeds het recht betwist, in den waan verkeerende, dat we de Schrift, zonder verdere inspanning des denkens, eenvoudig hadden na te spreken; maar de Gereformeerden hielden hiertegenover steeds staande, dat we tot veel inspannender arbeid dan dit naspreken geroepen worden, dat we den inhoud der Openbaring in ons bewustzijn hebben op te nemen, en uit dit bewustzijn in den denkvorm van ons menschelijk nadenken hebben te vertolken. Het is niet genoeg, dat we uit deze goudmijn het gouderts eenvoudig voor ons leggen. Eerst als dit gouderts opgesmolten en sierlijk verwerkt is, toont het zijn vollen glans.

Op zich zelf is er dus niets op tegen, dat we ook voor dit leerstuk, evenals voor dat der Sacramenten een naam, een woord bezigen, dat van heidenschen oorsprong is, en het noemen het leerstuk van Gods Voorzienigheid. Maar wel is het eisch, dat daarbij ernstig gewaakt worde tegen het gevaar, om bij het gebruik van dien term tegelijk heidensche denkbeelden over te nemen, en deze met den inhoud der Openbaring te vermengen. Wat ons te doen staat, is juist omgekeerd, dat we ook hier den inhoud der Heilige Schrift op dit punt zoo zuiver mogelijk ontleden, en juist daardoor al wat er in de heidensche voorstelling onwaarachtigs was, uitbannen. De kerk heeft dit dan ook gedaan, en wie in Belijdenis en Catechismus, wie in Dogmatiek en Euchetiek naleest, wat op dit stuk geleeraard en beleden is, zal erkennen, dat metterdaad niets dan de Schrift-inhoud onder woorden is gebracht. Maar heel anders staat het met de gemeene voorstelling, die in strijd met Belijdenis en Dogmatiek nog steeds stand houdt. In die gangbare voorstelling toch, die men nog bij de meesten ontmoet, hecht men vooral aan het begrip van voorziQw, in den zin van vooruitzien, en acht men de Voorzienigheid Gods hoofdzakelijk daarin gelegen te zijn, dat God vooruit ziet, in welke nooden we verkeeren zullen, in welke ongelegenheden we geraken zullen, en nu vooruit maatregelen neemt, om te bewerken, dat op het gegeven oogenblik, als de nood er is, de verzorging van dien nood blijke. Dit intusschen is natuurlijk heel iets anders dan de „alomtegenwoordige en almogende kracht Gods, waardoor Hij alle dingen onderhoudt en bestuurt." Het is een voorsteUing, alsof de wereld buiten God om haar loop en beloop neemt, alsof uit dezen loop der dingen allerlei verlegenheden ontstaan, en alsof God, dit uit de verte aanziende en gadeslaande, nu zijnerzijds tusschenbeide komt, en in de ongelegenheid voorziet, en zulks doet, niet door pas op het oogenblikzelfin te grijpen, maar door reeds vooruit de dingen alzoo te beschikken, dat de redmiddelen aanwezig zijn, eer de nood komt. Gelijk een reiziger op een schip dat den oceaan oversteekt, als er noodweer komt en de orkanen woeden gaan, er verbaasd over staat, zooals de kapitein van het schip op alles bedacht is geweest, alles aan boord heeft wat voor het trotseeren van het gevaar noodig blijkt te zijn, en hoe hij door dat vooruit denken op alles, en meenemen van alles, het schip redt en door den storm heen in behouden haven brengt, zoo is dan ook onze God die wondere Redder, die op de zee van het leven, blijkt alle gevaren en alle gebeurlijkheden voorzien te hebben, en op het gegeven oogenblik door niets blijkt verrast te worden, maar op alles, tot in het kleinste toe gerekend heeft, en aldus machtig is ons te behouden.

Juist dit echter is in strijd met de geheele voorstelling die de Heihge Schrift ons geeft, van de verhouding waarin God tot de wereld en de wereld tot God staat. De wereld drijft niet op zichzelve en heeft niet haar eigen loop, en God is niet een God, die van verre toeziet, en vooruit ziet, en merkende wat gevaar ? r dreigen zal, alsnu tijdig zijn maatregelen neemt om dat gevaar te bezweren. Integendeel, de wereld is geen oogenblik buiten Gods onmiddellijke inwerking, en al wat in het woelen en leven der wereld voorkomt, hangt saam met; zijn eeuwig bestel. Wil men dus (hoezeer ten onrechte) in dien zin van vooruitzien spreken, dan greep dit plaats in de Besluiten Gods, in zijn eeuwigen Raad, en moet al wat hierop betrekking heeft, thuis gebracht, niet in de leer der Voorzienigkeid, maar in het leerstuk van de Beshdten Gods. De Voorzienigheid is niet het bepalen van wat geschieden zal, maar het idtvoeren van wat bepaald is. „Mijn raad zal bestaan en Ik zal al mijn welbehagen doen", is de geheel afwijkende gedachte, die de Heilige Schrift aan dat leerstuk ten grondslag legt; en indien ons van achteren • blijkt, dat werkelijk in alle ding voorzien wordt, dan komt dat alleen daarom alzoo tot stand, omdat feitelijk alle ding vooruit beschikt en vooruit gekend en vooruit geregeld is door Gods eeuwigen Raad. De rechte Belijdenis hangt hier alzoo uitsluitend aan de erkentenis van den eeuwigen Raad Gods, en aan het geloof, dat God zijn Raad niet varen laat, maar tot den einde toe uitvoert. Er is dan ook geen twijfel, of ware dit van meet af helder ingezien, zoo zou er nimmer van een leerstuk der Voorzienigheid sprake zijn geweest, men zou dan gesproken hebben van de onderhouding en regeering der wereld, of op andere wijze zijn gedachten hebben uitgedrukt, maar het denkbeeld van het voorzien zou gebleven zijn in de Besluiten, waar het dan ook metterdaad thuis hoort. Wie dan ook nagaat wat in de Dogmatiek over dit leerstuk verhandeld is, merkt ongedwongen al aanstonds, dat het begrip van voorzien of vooridt zien aanstonds wordt losgelaten, en dat feitelijk van niets anders gehandeld wordt dan van de instandhouding en het bestuur van alle dingen.

Dat intusschen in de gemeene voorstelling het dwaalbegrip nog steeds stand hield, is in niet geringe mate daaraan te wijten, dat men bij den Raad Gods te eenzijdig en te uitsluitend dacht aan den Raad Gods tot behoudenis van zondaren, en bij de Beshdten Gods te eng en te nauw aan de Uitverkiezing. Nog is het in veler voorstelling, alsof de Raad Gods eigenlijk niets anders inhoudt, dan een lijst van de uitverkore­ d nen, hoogstens vermeerderd met een opsomming van de heilsmiddelen. Wat de Schrift noemt het Boek des levens wordt dan geacht met den Raad of de Besluiten z Gods zoogoed als eensluidend te zijn. En daarbij komt dan nog wel het „Boek met J de zeven zegels, " maar ook dit heeft toch alleen betrekking op de machtige gebeurtenissen die komende zijn, om de worsteling op leven en dood tusschen het Godsrijk en het rijk van satan tot beslissing te brengen. Daarin en daarin alleen wordt dan de Raad Gods gezocht en gezien. Niet alsof men, deswege ondervraagd, niet óók wel erkennen zou, dat er ook in de andere dingen zekere vastigheid is en zeker bestel van eeuwig, maar toch men denkt er dat niet bij, men scheidt die gewone dingen in zijn gedachte van die dingen des Koninkrijks af, en komt daar door vanzelf tot de onhoudbare voorstelling, alsof de Raad of het Besluit Gods schier eeniglijk op deze ééne geestelijke hoofdzaak sloeg. Daardoor ontstaat dan vanzelf zekere behoefte om ook voor de overige dingen des levens een eigen plaats te vinden, waar ze onder zijn te brengen en met God in verband zijn te zetten, en die plaats wordt hun dan aangewezen in het leerstuk van de Voorzienigheid, God zet dan zijn Raad, voor wat zijn Koninkrijk aangaat, door, maar ook alle dingen die daarbuiten liggen, heeft Hij in zijn macht, houdt Hij in zijn hand, en zijn Voorzienig bestel bestaat nu daarin, dat Hij ook al die overige dingen met wijsheid bestiert en regelt. Ja, dit Voorzienig bestel vindt dan zijn kern en middelpunt daarin, dat Hij in de dusgenaamde „bijzondere" en „bijzonderste" Voorzienigheid alle deze dingen zóó schikt en regelt, dat ze zijn uitverkorenen ten goede komen, zoo het goed als het kwaad. Men neemt dan het Besluit Gods veel te eng en te beperkt, en laat voorts de Voorzienigheid Gods er bij komen, om het ontbrekende aan te vullen. Het is dan alsof onze zaligheid gewerkt wordt door Gods Raad, buiten zijn Voorzienigheid, en alsof ons gewone leven beheerscht wordt door zijn Voorzienigheid, afgezien van zijn Raad. Beide komen dan naast elkander te staan, als de twee bronnen waaruit de zorg voor ons leven voortvloeit, de Raad Gods als de bron voor ons eeuwig heil, en de Voorzienigheid Gods als de bron van ons wel en wee in dit aardsche leven. Juist zoo echter stuiten we dan op dat gevaarlijk dualisme, waardoor ons geloof langs twee paden uiteengaat, en de eenheid in het bestel Gods niet meer gevoeld wordt.

Uitgangspunt voor alle juist inzicht in de Voorzienigheid Gods moet daarom zijn de belijdenis, dat de Raad en de Besluiten Gods alomvattend zijn, wat zeggen wil, dat de eeuwige Raad Gods over alle dingen gaat, en dat er niets te noemen of te bedenken is, hetzij groot of klein, dat niet in die Besluiten Gods is opgenomen, ja, sterker nog, uit die Besluiten Gods voortkomt. Ongetwijfeld is er ook in dien Raad Gods perspectief, d. w. z. dat het ééne stuk uit die Besluiten veel gewichtiger is, en meer het geheel beheerscht, dan het andere, hetwelk slechts op één persoon of op één geval betrekking heeft, maar uitzonderen moogt ge van dien Raad Gods niets. Of er bij warm weder een enkele spreeuw of musch meer of minder dood van de takken valt, is zeer zeker al zeer onbelangrijk voor de wereldhistorie, en toch kan ook dat dood neervallen van dat waardeloos vogelken niet plaats grijpen zonder en wil van God, en die wil van God katt niet anders werken dan uit zijn Besluit. Of in Afrika twee vechtende negers elkaar een bos haar uit het hoofd trekken, is, op ichzelf genomen, voor den gang der dingen zonder de minste beteekenis, en toch leert ezus ons, dat God zelfs de haren onzes hoofds, en dus ook van die twee negers, alle geteld heeft. Wat wij, schroomvallig en vreezende oneerbiedig te zijn, niet zouden durven zeggen, heeft geen minder dan Jezus zelf klaar en duidelijk uitgespro­ ken, er is niets dat buiten God omgaat, en er is niets dat ge sluiten moogt buiten zijn besluitenden wil, d. is buiten zijn eeuwigen Raad. Wie het anders zegt, verbreekt terstond het noodzakelijk en organisch verband, dat er tusschen alle dingen onderling bestaat; hij miskent de eenheid van Gods schepping, en verlaagt ze tot een ineengezet werktuig, tot een mechanisme, zooals wij menschen dat maken.

Op dit verschil tusschen een ineengezet mechanisme en een innerlijk saamhangend organisme moet te scherper gelet, naar gelang dit verschil vroeger te veel over het hoofd is gezien, en dankbaar erkend dient, dat vooral onze eeuw eerst het volle klare licht over het wezen en de beteekenis van „het organisme" heeft doen opgaan. Immers wat God werkt en wat de mensch werkt wordt niet beter dan juist door deze tegenstelling onderscheiden. Ruikers en boeketten maken wij, menschen, God doet bloemen groeien, en wat is nu tusschen die beide anders het verschil, dan dat wij bloemen plukken, en die losse .bloemen, naar zekere orde van grootte en tint bij elkander voegen en schikken, en saambinden met koord, garen of ijzerdraad. Wij kunnen geen ruiker maken, als we de bloem niet eerst vinden. Voorts kunnen we niets doen dan ze los bijeenvoegen of saambinden. En als zoo de ruiker gereed is en de zinnen bekoort, duurt het één, twee dagen, en diezelfde ^ruiker verwelkt, en wordt al spoedig zoo wanvormig en kwaad-riekend, dat we hem uit ons vertrek verwijderen en op den mesthoop werpen. Maar God doet bloemen groeien. Hij zet die bloemen niet ineen uit blaadjes en steeltjes en stampertjes, zooals te werk gaat \vie kunstbloemen toovert uit papier, maar Hij laat die bloemen zich ontplooien uit een knop, dien knop aan een steel of stengel uitbotten, dien stengel opschieten uit een kiem, die kiem uit een korrel opkomen, en die korrel had Hij zich bereid uit een vorige bloem, die Hij evenzoo organisch bereid had. En als straks die bloem haar dagen heeft uitgebloeid, dan zet die bloem vrucht, en in die vrucht nieuw zaad, en uit dat zaad kweekt God straks weer nieuwe bloemen, onderwijl evenzoo aan den ouden stengel bij het weerkeeren van de lente nieuwe knoppen uitbotten. En dat nu, of iets ook maar, dat er naar lijkt, kunnen wij menschen nooit. Ook niet de hovenier, bloemist of boomkweeker.. Want wel kan de mensch bepalen wat soort bloemen hij in zijn gaarde wil zien wassen, en ook kan hij de soorten van bloemen kruisen, maar voor het groeien en bloeien zelf staat hij onmachtig. Dat komt uit de natuur alleen, en wat is de natuur anders dan de almogende kracht Gods.? Ons werk blijft altoos de dingen ineen te zetten, althans waar het de zichtbare dingen geldt, en alleen op geestelijk gebied heeft God aan zijn beelddrager iets van de heerlijkheid van het organische medegedeeld, de denker en de zanger denken en zingen niet mechanisch maar organisch, doch zoo dat ze alleen denken en zingen kunnen, zoo God, de Bron en Werker van al het organische in hun denken of verbeelden organisch inwerkt.

Maar is nu alzoo het organische het eigen merk van het werken Gods, dan spreekt het toch vanzelf, dat ge de heerlijkheid van den Raad Gods ten eenemale miskent, zoo ge u dien eeuwigen Raad denkt als een aaneenrijging van losse op zichzelf staande besluiten. En toch dit is het, wat

men zoo vaak doet. Zoo verstaat men dan, om nu het hoogste te nemen, den Raad Gods in het stuk der uitverkiezing, als een lijst van losse namen. Alleen uitverkoren personen komen daarop voor, en staan op die lijst onder of naast elkaar. Leert nu daarentegen de Heilige Schrift u, dat de uitverkorenen leden van één lichaam zijn, en onder één hoofd bijeenhooren, één geheel uitmakende, en dat wel zoo, dat alle verkorenen uit éénzelfde menschelijk geslacht zijn, en in den éénen Christus worden ingelijfd, om ééne plant met hem te zijn en als leden van eenzelfde lichaam in onderling levensverband te staan, dan voelt ge toch zelf wel dat ge die eenheid van het lichaam, die eenheid in Christus, dat onderling saamhooren en één zijn niet van Gods Raad kunt uitsluiten. Beide moet dus in Gods Raad liggen, én dat deze enkelen, bepaalde personen, de uitverkoren leden van het lichaam zijn, én dat deze bestaan zullen als saam één lichaam uitmakende. Zoowel het lichaam als de leden van dat lichaam, moeten dus in Gods Raad vaststaan. En daar nu een lichaam niet ontstaat doordien ge eenige leden bijeenvoegt of in elkaar zet, maar de leden opkomen uit wat de wortel en de kiem van het lichaam is, moeten die leden zoowel als het lichaam van Christus zelf, in Gods Raad organisch gedacht en voorbepaald zijn. Uitverkoren, ja, maar uitverkoren in Hem, d. i. in den Christus.

Geldt dit nu in het geestelijke, dan geldt het natuurlijk evenzoo in het «zVif-geestelijke, en evenzoo ook bij het verband van dit nietgeestelijke met het geestelijke. Ge kunt niet zeggen, dat in de Besluiten Gods wel uw ziel voorzien is, maar niet uw lichaam.

Reeds het diepe verschil tusschen het manlijke en het vrouwlijke onder menschen wijst dit uit; en zelfs is het lichaam van een Hottentot zoo in het oog loopend van het lichaam van den Europeaan onderscheiden, dat niemand zeggen zal, dat God de zielen onverschillig in dit of dat lichaam heeft doen inwonen. Een ieder stemt toe, dat er ook van ons lichaam, o, zooveel voor ons afhangt. En evenmin kunt ge beweren, dat wel uw ziel op zichzelve en uw lichaam op zichzelf voorbeschikt is, maar dat het verband en de saamhang tusschen beide onverschilHg zou zijn. Vraag het maar aan een doove of aan een blindgeborene, hoe zoo klein defect, als zijn doofheid of blindheid veroorzaakte, heel de ontwikkeling van zijn zieleleven beheerscht.

Datzelfde geldt van het geslacht waaruit ge geboren zijt, of wie weet niet, hoe sterk het leven van ons voorgeslacht in onze neigingen en gewoonten nawerkt 1 Het geldt evenzoo van onze omgeving en van den levenskring waarin we geplaatst zijn. Een Eskimo staat aan heel andere verleidingen bloot dan een inwoner van een groote wereldstad. Op het platteland is de strijd der geesten een veelszins andere dan op het kantoor of op de beurs van onze koopsteden. Kortom, de saamwerking, het verband houdt nergens op, maar gaat overal door. Er is letterlijk niets dat niet invloed kan uitoefenen, en die invloeden worden geoefend zoowel door het kleinste als door het grootste. Reeds wezen we op de lichamelijk nauw te constateeren oorzaak van veler doofheid, maar diezelfde regel gaat overal door. De Syriër, die Achab doodschoot, mikte niet op hem, maar zijn pijl doorboorde Achab het hart. Wat bepaalt nu het punt waar een pijl aankomt.? Eén millimeter naar links of rechts op de pees, maakt op verren afstand een verschil van tien man.

Het zus of zoo zuigen van den wind geeft afwijking naar rechts of naar links. En toch besliste het voor leven en dood. Voor den dood van een gewichtig persoon, want Achab was koning. Voor de verlossing van Gods volk, want Achab was de wederpartijder van Jeho.a en de zijnen. Ge kunt u in Gods Raad alzot) geen bestel over Israël denken, of er moet ook in bepaald zijn, wat wind dien dag en dat uur op die plek zou waaien, en hoe sterk de kracht van dien wind zou zijn. En zoo is het in alles. Er is niets zöo klein of het kan van ver reikenden invloed zijn. Het zus of zoo kantelen van den lotsteen in de vaas kan bij loting over een menschenleven beslissen. Dat lot nu wordt in den schoot geworpen, maar het beleid daarvan is bij den Heere.

Niet een tusschenkomend beleid, maar een beleid dat van eeuwigheid voorzien en bedoeld is, en omdat het aldus voorzien is, nu ook aldus komt. Onze slotsom kan daarom geen andere wezen, dan dat van Gods Raad en van Gods Besluiten niets, niets in den hemel en niets op aarde, niets op zon, maan of sterren, niets in het delfstoffenrijk, niets in het plantenrijk, niets in het rijk der dieren, en veel minder onder menschen kan uitgesloten zijn, niets wat hun ziel, niets wat hun lichaam, niets wat hun levenslot, niets wat hun geslacht, of ook heel de historie der menschheid aangaat. Een resultaat waaruit dan vanzelf volgt, dat dus ook dat geheele terrein, dat men gemeenlijk aan de Voorzienigheid Gods toewijst, even beslist in Gods Raad moet zijn opgenomen, als de beslissing over ons toekomstig heil. In de Besluiten Gods zijn niet alleen de uitkomsten, maar ook de oorzaken bepaald. Iets wat wel niet anders kon, daar immers de uitkomsten de oorzaken eischen en onderstellen. Doch is dit zoo, dan volgt hieruit ook, dat de Voorzienigheid Gods nooit beteekenen kan, een middenin den tijd vooruit zien van opkomende nooden ; dit alles toch ligt in het Raadsbesluit; maar dat het hoogstens alleen zijn kan, een voorzien, maar dan krachtens het Raadsbesluit, in al wat krachtens dat Raadsbesluit vraagt om verzorging.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 mei 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 mei 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken