Bekijk het origineel

Onze Eeredienst.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onze Eeredienst.

11 minuten leestijd

XXXIV.

Overgang tot den Dienst zelf vormt de vraag, hoe men zal gaan zitten. Dit is bij elke samenkomst, aan eiken disch, bij elke vergadering de eerste vraag, die zich voordoet.

Die vraag zou zich dan ook blijven voordoen, al ware het, dat alle plaatsen gelijk waren. Maar die vraag klemt te meer nu de plaatsen zeer ongelijk zijn, en men uit de historie zelfs van staten en volkeren, evenals uit de Schrift weet, wat de „vooraanzitting" en hetgeen met dit booze woord samenhangt, te beduiden heeft voor het licht prikkelbaar menschelijk hart.

Zelfs al kon men den predikstoel in het midden zetten met de leden der kerk als een cirkel er omheen, dan nog zou die booze quaestie opduiken, want ook dan nog zou er tweeërlei onderscheid bestaan: i**. vlak bij of verder af van den preekstoel, en 20. voor of achter of bezijden van den prediker.

Kwam men nu in zulk een kerk met louter gevoelens van Christelijke nederigheid in het hart, zoo zouden de plaatsen achteraf het meest gezocht zijn. Maar in den regel neemt een kerkganger zijn „hoogheidsprikkelaar" meê naar de kerk, en daar anderen dat eveneens doen, komt er dan een nijdig paar oogen en het zich ergeren aan elkaar.

En zegt men nu: „Bemoei u daar als kerkeraad niet mede, maar laat wie eerst komt, eerst gaan zitten, en dan natuurlijk waar hij wil, " zoo opent ge een wedstrijd voor het vroeg komen, en geeft ge aan den opgeschoten jongen, die vroeg van huis kan, een privilege boven de nijvere huismoeder, die, eer ze kerkwaarts ging, nog zooveel thuis te verzorgen had.

Of ook, wijst ge omgekeerd voor ieder een eigen plaats aan, dan ontstaat weer dat noodeloos voorbij elkaar schuiven en voorbij elkaar dringen, en storen de laatkomers anderer ruste. Bovendien hebt ge dan het bezwaar der open plekken, of het later inschuiven naar plaatsen die open bleven.

Het vraagstuk is dan ook metterdaad bij uitnemendheid moeilijk, en een wijze van doen die allen bevredigt en in beginsel verdedigbaar is, is dan ook nog nimmer gevonden.

Uit beginsel, dit springt in het oog, kan slechts ééne onderscheiding worden toegelaten, die dan haar grond zou vinden in het lidmaatschap zelf. Leden gaan voor vreemden, heele leden voor onvolkomen leden. Dit volgt uit den aard der vergadering. Uit dien hoofde zou men derhalve de toegelatenen tot het heilig Avondmaal vooraan kunnen plaatsen, daarna de leden die nog niet toegelaten zijn, en daarachter de bin-r nenloopers.

In de oude Christelijke kerk heeft men die onderscheiding dan ook toegepast, en dat soms zeer scherp, ook door indeeling van het lokaal. In den tijd der Reformatie is men hierop echter niet teruggekomen, waarschijnlijk om de kinderen niet te veel op een hoop te zetten, wat licht tot onordelijkheid aanleiding geeft. Men wilde de kinderen liever naast hun ouders hebben; iets waar veel voor pleit.

Toch zou het overweging verdienen, dit met een leeftijd, zeg van twintig jaren, een einde te doen nemen. Een jongman of jongedochter van twintig jaar gaat niet meer aan een handje meê. En er zou wel iets goeds in liggen, indien op dien leeftijd zij die nog geen toegang tot het heilig Avondmaal zochten, dan ook maar achteraan gingen. D m r g

Hierin zou een prikkel voor hen liggen, om tot het doen van openbare belijdenis te komen. De zaak zou meer spreken, en er zou een bestendige roepstem voor de anderen in liggen, om hen te doen gevoelen: Daar achteraan hoort ge niet meer. Bereid u ten Avondmaal.

Scherp daarentegen werd in onze kerken de scheiding tusschen manlijke en vrouwlijke leden doorgetrokken tot zelfs aan het heilig Avondmaal. Men gaf het middenvak aan de vrouwen, en de mannen namen links en rechts plaats. En voorts kende men mannentafels en vrouwentafels.

Uit beginsel is juist deze scheiding echter niet te verdedigen. Er is in Christus noch man noch vrouw, en wat men gezegd heeft, dat deze scheiding noodig was, om verkeerdheden te voorkomen, moge gelden in den wilden hoop van een volkskerk, maar geldt van een goed-Gereformeerde kerk niet.

Veel beter ware daarentegen de onderscheiding naar de huisgezinnen.

Vader, moeder, kinderen, en zoo ze van elders zijn, - ook de dienstboden, hooren bijeen. In die eenheid komt zelfs de Verbondsgedachte uit. De band tusschen het natuurlijke leven en het genadeleven. En kon men dit doorzetten, dan verviel hiermede vanzelf het straks bedoelde bezwaar, en zou tegen het dooreenzitten van mannen en vrouwen langer geen bedenking rijzen. Iets wat dan natuurlijk ook aan den Disch des Heeren moest worden doorgezet.

Doch overigens is er geen onderscheiding toe te laten. Of men rijk of arm is, doet er niet toe. Hoog of laag in de maatschappij maakt geen verschil in het midden der gemeente. Waaruit tevens volgt dat alle plaatsen eender moeten zijn. Niet breede en smalle banken. Maar voor een ieder een plaats, die, wat stoel of bank betreft, gelijk is aan die van een ander. Voorkeur behoort hier niet.

Bezit nu de kerk maar één kei'kgebouw, dan vindt zich het overige wel. Aan ieder huisgezin kan men dan naast elkaar zooveel plaatsen aanwijzen als dit gezin noodig heeft, en opdat niemand worde achtergesteld of onder wiikeur lijde, kan men de gezinnen plaatsen, hetzij alphabetisch, hetzij naar het lot het uitwijst, hetzij, wat nog verkieslijker is, met jaarlijksche omschuiving, zoodat men na verloop van een jaar, naar toerbeurt, van plaats verwisselt.

Oolc in groote steden zou ditzelfde toepasselijk zijn, indien men er het kenspcl invoerde, d. w. z. indien de geheele gemeente naar het aantal kerkgebouwen werd ingedeeld, en ieder gezin in ééne der kerken een rij plaatsen kreeg.

Laat men daarentegen de geheele gemeente zich telken Zondag, naar de prediker trekt, over meerdere gebouwen vcrdeelen, dan is natuurlijk geen ordelijke indeeling mogelijk, en is het niet aan het beginsel, maar aan deze manier van doen te wijten, indien rustige, ordelijke plaatsing der leden onmogelijk blijkt.

Iemand recht voor zich en zijn gezin op zeker aantal naast elkaar gelegen plaatsen te geven, zoodat anderen die niet mogen bezetten, eer de Dienst is aangevangen, geeft bij zulk een manier van doen bestendig aanleiding tot wanorde en verstoring van de stilte. Doch op dit standpunt is dit nu eenmaal niet te verhelpen. In stelsellooze ordeloosheid kan geen orde worden aangebracht.

Over de dooven behoeft, na wat we vroeger deswege opmerkten, hier niets meer gezegd, en zoo rest ons alleen nog te wijzen op de goede gewoonte, die men in Amerika volgt, om de banken zoo achterwaarts te buigen, naarmate ze dichter den predikstoel naderen, dat men het hoofd niet op vermoeiende wijze achterover heeft te buigen, om den spreker aan te zien.

Vooral wie ooit wat dichtbij een hoogen predikstoel zat, heeft al het pijnlijke en vermoeiende daarvan ondervonden. Heel dichtbij geeft men het dan ook op en ziet voor zich, wat tegen den regel is.

Alleen over het verhuren van zitplaatsen voegen we hier, nu men van meer dan één zijde hierop aandringt, nog een kort woord aan het gezegde toe.

Verhuren of verpachten van zitplaatsen is sinds eeuwen her ten onzent gewoonte geweest, en ook in het buitenland volgt men nog veelal die aloude gewoonte, en feitelijk is hiertegen dan ook niets in te brengen, mits men er geen handel van make.

Handel drijven komt in de vergadering der geloovigen niet te pas en is in strijd met haar aard en wezen. „Maakt niet het Huis mijns Vaders tot een huis van koophandel!" Handel nu wordt het verhuren en verpachten van zitplaatsen, bij het jaar, of bij de beurt, dat doet er niet toe, zoodra men aan den huurder of pachter de keus laat, op wat stoel of bank hij zijn oog richt, en zoo men óf hem zelf laat iDepalen, wat hij er voor geven wil, óf wel zich bij zijn prijsbepaling richt naar den regel van vraag en aanbod.

Dan toch herhaalt zich in de kerk, wat regel op de markt is, dat de rijkste met het beste heenschuift, en dat de prijs bepaald v/ordt door de concurrentie.

Kan A het meest betalen, dan neemt'^ hij voor zich de beste plaats uit heel de kerk, en moet hij voor die plaats dat jaar zeg/10 betalen, omdat zekere B ƒ 9 bood, dan doet hij het een volgend jaar af met ƒ 8, omdat die B stierf, en hiermede zijn zwaarste concurrent wegviel.

Of ook het blijft handel, zoo de Icerk prijzen vaststelt naar vraag en aanbod.

Dan toch moet zij de plaatsen in soorten indeelen: Beste plaatsen, goede plaatsen, gewone plaatsen, achterafplaatsen, en noteert die voor ƒ 10, ƒ 5, ƒ 2.50 en ƒ i-Zij deelt dan in naar de standen in de maatschappij zijn, en wederom bezetten de rijken de beste plaatsen, de wel gestelden de goede, de ordinaire burgers de gewone, en blijven de achterafplaatsen voor de werklieden, en dan komen er nog armenplaatsen voor wie niets heeft.

Prijst de kerk nu te hoog, dan blijft ze met haar beste plaatsen zitten, juist als een koopman die te veel vraagt; en dan prijst ze een volgend jaar lager.

Feitelijk nu komt dit er op neer, dat naar evenredigheid juist de rij ksten het minst betalen.

Stel een gezinshoofd met vrouw en drie kerkgaande kinderen, neemt vijf plaatsen van ƒ 10 elk, zoo maakt dit ƒ 50 'sjaars, terwijl de werkman plaatsen ad ƒ i neemt en dan f 5 betaalt. Doch als nu de cer-slc 'sjaars duizend gulden overlegt, en de ander nauwlijks in den nood van zijn gezin kan voorzien, is het toch duidelijk, dat de laatste vergelijkenderwijs veel, veel meer opbrengt.

Verstaat men daarentegen onder verhuren, dat elk gezinshoofd zich vaste zitplaatsen ziet aangewezen, en dat hij voor die zitplaatsen,

die zonder klassen-indeeling bij het lot worden toegewezen, zooveel betale als, naar de hoegrootheid zijner middelen, 's jaars door hem voor het kerkelijk leven moet en kan worden afgezonderd, zoo bestaat hiertegen geen enkele bedenking.

Dan toch wordt het juist het omgekeerde van handel. De waar, d. i. hier de zitplaats, blijft dan voor allen eender, maar ieder betaalt ongelijk, naar zijn vermogen is, wat dan gerekend moet worden op één week inkomen.

Doch dan hoort er natuurlijk ook bij, dat niet de één wel, de ander geen plaats hure, maar dat allen dit doen, zoodat het feitelijk op een door allen te betalen jaarlijksche contributie neerkomt.

Gelijk vanzelf sjDreekt, zou de gemeente nog veel hooger staan, zoo ieder eigener beweging juist het door hem voor God verschuldigde in de collecte gaf, of vrijwillig inzond.

Maar zoo hoog staat de gemeente in den regel niet. In sommige kerken van Engeland is dit gelukt. Elke week werd dan aangeplakt hoeveel er zijn moest, en hoeveel er inkwam, en de volgende week moest het tekort aangevuld, en dat geschiedde.

Doch ten onzent tobt men daarmede.

De schriele drijft op den milde.

En dan natuurlijk moest de kerk doortasten. De uitgaven moeten gedekt worden.

Saam besteedt men geld en saam moet men dat geld opbrengen. Van aalmoes of offerande is hier geen sprake. Het is een rekening betalen. Het is eerlijk man zijn.

Tegen weelde kan men opkomen, tegen onnoodige uitgaven protesteeren, maar wat noodig is moet er komen, en moet er komen doordien een ieder bijdraagt naar zijn vermogen is.

Schoon is het nu, zoo dit goedschiks eerlijk gaat, en wie er dan op zondigt, dien zal God oordeelen, en er zijn er, die hier reeds om hun roof aan het heilige hard geoordeeld zijn. Want roof aan het heilige, dat ja, en niets minder is het, als iemand van datgene wat hij proportioneel, naar zijn vermogen, aan de kerk schuldig is, een deel in zijn zak houdt.

Maar komt het onmisbare, het uitgegevene, het verschuldigde geld er niet goedwillig, en blijkt nader vermaan of verzoek niet te helpen, dan moet de som eenvoudig over de gemeente worden omgeslagen, en door de kerk zelve bepaald worden, hoeveel een ieder te geven heeft.

En wil men die som, dit bedrag, dan als huurgeld voor de zitplaatsen van het gezin opvatten, zoo is hier alleen dit van te zeggen, dat een gewoon lid het best aan zijn zitplaatsen voelt, dat de kerk hem iets tastbaars geeft of afstaat.

Doch hoe het ook ga, betaald moet er worden. Tekorten van eenig aanbelang zijn een aanklacht tegen de gemeente.

En waren eeuwenlang onze Gereformeerde vaderen geroemd om hun soliditeit en eerlijkheid in geldzaken, vrage men zich dan zelf af, of een Gereformeerde kerk, die haar schulden onbetaald laat, haar recht op den Gereformeerden naam niet verliest.

Slechts herinneren we ook hier, wat we steeds op den voorgrond stelden, men heeft ook hierbij te rekenen met historische toestanden. Uit het verkeerde naar het betere voert de weg met geleidelijke overgangen het veiligst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Onze Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken