Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

20 minuten leestijd

DERDE REEKS.

L.

Daartoe is dit in uwe oogen nog klein geweest, Heere HEERE, maar Gij hebt ook over het huis uws knechts gesproken tot van verre henen, en dit naar de wet der menschen, Heere HEERE. II Samuel 7 : 19.

Dat niet op de Voorzienigheid Gods al zulle vooruitzien van de dingen die komen moeten, als tot de Beshdten Gods behoort, mag worden overgedragen, zal na het voorafgaand betoog niet meer worden betwist. Geheel het denkbeeld, alsof de dingen der wereld uit zich zelf liepen, en dus ten gevolge der zonde telkens in het honderd zouden loopen; maar dat God nu, even dikwijls vooruitziende wat te wachten stond, nog in aller ijl maatregelen nam, om wat dreigde, te voorkomen, moet opzijgezet. In het eeuwig Besluit ligt alles vast. In het Besluit is alle ding vooruitgezien. En in dat zelfde Besluit is tevens alle middel beraamd en verzekerd, om wat komen moet te doen komen. Verstoring van orde, tegen dat Besluit in, is ondenkbaar, en even ondenkbaar een herstel van de oorspronkelijke orde, waarvan niet geheel het plan, en elk middel voor de verwezenlijking van dat plan, in het Besluit begrepen zou zijn. Na het Besluit is een tiveede vooruitzien alzoo onmogelijk, en al wat daarna komen kan, en stelüg komt, is dat God almachtiglijk zijn van eeuwigheid af genomen Besluit uitvoert. Valt alzoo uit het begrip Voorzienigheid alle vooruitzien weg, zelfs mag niet gezegd worden, dat God in het Besluit de toekomende dingen vooruit gezien heeft, als buiten zich zelven door Hem waargenomen. Met hand en tand hebben onze vaderen in het Arminianisme steeds'"deze verkeerde voorstelling van de „kennisse Gods" bestreden. De Arminianen wilden het zoo, om hun leer van het „vooruit geziene geloof" staande te houden. De Verkiezing had dan plaats gehad, niet opdat de verkorenen tot geloof zouden komen, maar omdat God vooruitgezien had, dat zij zich tot geloof schikken zouden. God had dan vooruit waargenomen, nog lang eer de personen geboren werden, wie het geloof zou aannemen en wie het geloof zou verwerpen, en alleen die eersten had Hij nu op grond van dat vooruit geziene geloof, uitverkoren. Een gedrochtelijke voorstelling waartegenover onze vaderen, op grond van Gods Woord steeds staande hielden, dat Gods kennisse tdt zijn Beshdt komt, en niet uit de waarneming der dingen, juist zooals een veldheer weet, hoe zijn troepen marcheeren, niet omdat hij ze bespiedt en begluurt, maar uit het plan van den veldtocht dat hij zelf gemaakt en uit het commando dat hij zelf gegeven heeft; er voorts bijvoegende, dat „vooruit zien wat gebeuren ^al" nog wel zin heeft voor een profeet, omdat hij ziet wat God hem toont in zijn Raad, maar een volstrekt ijdele en zinlooze gedachte is, zoodra ge buiten Gods Raad rekent, want dat er buiten dien Raad in de toekomst eenvoudig niets, niets onder wat vorm of naam ook is of bestaat, en dat waar niets is, niemand, en ook God niet, tvat er niet is, kan waarnemen. Diep hebben we er ons alzoo van te doordringen, dat heel dat nevendenkbeeld van vooruit een zaak zien, en er uit dien hoofde vooruit maatregelen voor nemen, en op die wijs er op het gegeven oogenblik in voorzien, hier ten eenenmale moet worden losgelaten, en dat zelfs als we teruggaan op het Raadsbesluit Gods, ook daarin niet is een vooruit zien van nooden, om voor die komende nooden de verzorging voor te bereiden, maar dat omgekeerd, het einddoel door God zelven is gezet, en dat alle middelen eveneens door Hem beschikt zijn, om dat ««(^(/c^/gewissclijk te doen bereiken. De naam „Voorzienigheid" staat hier dus werkelijk aan het juist begrip in den weg, maar nu desniettemin die naam van „Voorzienigheid" eenmaal zoo volstrekten ingang vond, dat er niet aan te denken valt, hem door een beteren naam te vervangen, is het te meer noodig, tegen al wat men uit dien naam zou willen afleiden, zoo ernstig mogelijk te waarschuwen. Wat wij Voorzienigheid noemen is niets dan tdtvoering van het Besluit door de instandhouding en regeering aller dingen.

Verheeld mag intusschen niet, dat het voor ons gevoel, naar onze menschelijke opvatting gerekend, gedurig anders komt te staan, en dat er voor dit ons menschelijk besef iets rijks en vertroostends in ligt, om die voorstelling als van een Vaderlijk ons verzeilende zorge vast te houden. In onze betrekking met God heeft alles twee zijden, en kan alle ding op tweeërlei wijze worden voorgesteld, eerst zooals het van Gods zijde zich voordoet, en daarna hoe het zich voordoet in ons menschelijk bewustzijn. De Heilige Schrift zelve herinnert ons aan die dubbele voorstelling, als ze gewaagt van een Goddelijk beroutv. Dan toch betuigt ze ons de ééne maal, dat „het den Heere berouwde van zijn knechten"; maar forsch betuigt ze hier tegen in een ander maal, dat „de Heere geen mensch is, dat Hem iets zou berouwen". Tegenspraak, zegt nu de onoordeelkundige vitter, en de vijand der Heilige Schrift maakt van zulke tegenstellingen gebruik, om den onnadenkenden aarzelaar en twijfelaar van het geloof aan de Heilige Schrift af te leiden. Toch is niets natuurlijker en eenvoudiger dan het voorkomen in éénzelfde Schriftuur van die tweeërlei schijnbaar zoo tegenstrijdige uitspraak. Ook hier toch kan men dezelfde zaak van twee zijden bezien, van de zijde Gods en van de zijde des menschen. Stelt men zich nu, het zij met eerbied gezegd , op het standpunt van God, dan is zijn Raad onveranderlijk, is onveranderlijk zijn Wezen, en is het dwaasheid van berouw in God te spreken. Spreken we daarentegen als menschen van óns standpunt, hooren we eerst de bedreiging van Gods toorn aan, en voelen we ons daarna verkwikt door de afwending van het oordeel en het intreden der ontfermingen, dan kunnen wij, menschen, naar onze menschelijke voorsteUing dit niet anders uitdrukken, dan door te zeggen, dat het God berouwd heeft van het kwaad, dat Hij had aangekondigd over zijn volk te brengen. Zelfs in de verhouding van een aardsch vader tot zijn kind vinden we dezelfde tegenstelling. Als een kind niet ten goede wil, zal een vader inzien, dat als laatste middel om het van zijn boozen toeleg af te keeren, een hoogst ernstige bedreiging moet gebezigd worden. Die bedreiging bezigt hij dan ook, niet zoozeer met de bedoeling, om het daartoe te laten komen, maar in het stil vertrouwen, dat juist die bedreiging reeds de gewenschte uitwerking zal hebben, en haar uitvoering overbodig zal maken. Toch speelt hij dan niet met zijn kind. Neen, zoo zijn kind niet keert, zal het er toe komen, en juist die ernst van het vaderlijk woord heeft dan de gewenschte uitwerking. Zijn vaderlijke toorn grijpt het kinderhart aan. Het kind keert om, en hierdoor is de vaderlijke toorn ontwapend. Zoo en niet anders zien we nu God ook met zijn volk omgaan. Hij behandelt zijn volk geheel op de manier van zulk een ernstig gestemd vader. Hij vermaant eerst, en helpt dat niet, dan vertoornt Hij zich en dreigt, maar als dan juist die hooggaande verbolgenheid, en dat dreigen van zijn toorn, het hart des volks heeft omgekeerd, dan laat ook God van de dreiging af, keert zich weer in ontferming tot de zijnen, en in dien zin nu heet het, dat God berouw heeft gehad van het kwaad dat Hij gedreigd had over zijn volk te brengen.

En zeg nu niet, dat we dan het veiligst gaan met die menschelijke voorstelling op zij te zetten en uit te bannen, om ons alleen te houden aan de voorstelling die voor God zelven geldt, want daarmee zoudt ge een wezenlijk en onmisbaar bestanddeel van de Openbaring in haar opvoedend karakter prijsgeven; iets waaraan meer dan één Gereformeerde zich maar al te lichtvaardig bezondigd heeft. Gelijk wie met een vreemde spreekt, zijn eigen gedachten moet overzetten in diens taal om door hem verstaan te worden, en ook gij, als ge met een klein kind spreekt, u uit hebt te drukken op zulk een wijze als in de kinderwereld verstaanbaar is, zoo ook kan het niet anders, of God moest, om met ons menschen te handelen, zich tot ons wenden en met ons omgaan op menschelijke wijze. Dat is zijn nederbuigende goedheid, maar een nederbuigendheid van zijn liefde, die onmisbaar was, om op ons te kunnen inwerken. Niemand verstaat, zegt de apostel, wat des menschen is, dan de geest des menschen die in hem is. Niet God is beperkt, maar wij zijn beperkt. Goddelijke dingen kunnen alleen dan op ons inwerken, als ze ons op menschelijke wijze worden aangebracht. En dat God op zulk een wijze met ons kan omgaan, verklaart zich vanzelf uit het feit, dat Hij zelf ons als mensch geschapen heeft, en dus den menschelijken aard voor ons bedacht en in ons verwerkelijkt heeft. Op menschelijke wijze tot ons naderende, gaat Hij dus niet in een vorm in, die Hem vreemd, maar in een vorm dien Hij zelf voor ons bedacht en beschikt heeft. Nu zou niets meer doodend op ons geestelijk leven hebben ingewerkt, dan zoo God de Heere heel het Boek der Raadsbesluiten voor ons had opengelegd. Lezend wat daarin stond, zou ons alle moed ontzonken, alle veerkracht in ons gebroken zijn, en alle ontwikkeling in ons zijn gestuit. Opzettelijk zijn daarom de dingen van Gods eeuwigen Raad voor ons verborgen gehouden. Voor ons staat dus heel onze toekomst onzeker, niettegenstaande ze bij God volkomen zeker is en vaststaat. En nu komt in die onzekerheid God met zijn gebod, met zijn vermaan, met zijn bedreiging van straf en met zijn toezegging van loon tot ons, om ons op die wijs, naar menschelijken aard, te prikkelen en te ontwikkelen, en al zulks doet God even wezenlijk en meenens en ernstig, als gij volkomen ernstig zijt in uw spreken met een klein kind, ook al drukt ge u uit in woorden, die ge voor uzelven en voor uws gelijken niet bezigen zoudt.

Onder dit alles nu werkt niets anders dan de voor ons onverzoenlijke tegenstelling tusschen het eeuwige in God, en het tijdelijke in ons menschelijk aanzijn. God is, wij worden. TXya. naam is Jehovah, d. i. Ik ben die ik ben, Ik zal zijn die Ik zijn zal.

Bij Hem is geen verandering noch schaduw van omkeering. In God overgang, wording, een proces te denken, is den Drieëenige loslaten en zich werpen in de armen van het gevaarlijkst. Pantheïsme. Maar zoo is ons aanzijn niet. Wij blijven geen oogenblik dezelfde. Wij veranderen gestadig. Oris leven is een bestendig worden. Voortgaand proces is de eisch van heel onze existentie. Dat zijn in God en dat worden in ons menschen, dat eetmiige in God en dat wisseleaA-tijdelijke in ons menschen, staat dus lijnrecht tegen elkander over. Hier is geen brug te leggen. Wij kunnen ons niet in een eeuwig onveranderlijk zijn indenken. Van onze zijde ontbreekt ons zelfs de mogelijkheid, om ons in het eeuwige Gods te verplaatsen. Maar wel kan God, die zelf den tijd schiep, óns ten behoeve, in zijn openbaring aan ons, uit het eeuwige in het tijdelijke overgaan, en zich in allerlei overgangen aan ons bekend maken. Daar tusschen in moet dan wel telkens een herinnering aan het eeuwige en onveranderlijke van het Goddelijke zijit worden ingevlochten, opdat wij Hem als Jehovah, als zijnde die Hij is en zijn zal, vreezen en eeren zouden, maar in zijn omgang met zijn volk, treedt de Almachtige gedurig uit dat Eeuwige in het tijdelijke en veranderlijke over, schikt zich naar onzen menschelijken aard, en gedraagt zich alsof Hij als mensch met ons sprak en omging. Een nederbuigende goedheid Gods, die ten slotte in de Vleeschwording van het Woord voleind is, toen God zelf in onze menschelijke natuur onder ons verschenen is, en als mensch met ons menschen sprak en verkeerde. Het is dan ook een fout, zoo men dit belangrijk deel van den Schriftinhoud eenvoudig als gebrekkelijke, Oud-Testamentische voorstelling opzijzet. We hebben hier niet alleen met voorstelling, maar met hooge werkelijkheid te doen. Alzoo heeft God met zijn volk verkeerd en verkeert Hij nog met de zijnen, en de waarlijk opvoedende kracht der Openbaring gaat alleen dan op uw ziel uit, indien ge alzoo het gebod en het vermaan opvat, in dien zin de bedreiging van straf en de voorspiegeling van loon ernstig verstaat, en er u in uw gedragingen door laat bewerken en door laat beheerschen.

Breng dit nu op het stuk der Voorzienigheid over, en ge zult verstaan, wat we in den aanvang van dit artikel zeiden, dat voor ons menschelijk besef de voorsteüing van een alles vooruitziend Verzorger en alles verzorgend Helper, zoo rijk aan vertroosting is. De wetenschap dat we in de hand zijn van een God, „die alles ten onzen beste keeren zal, en die zulks doen kan als een almachtig God, en doen zvils\s een getrouw Vader, " is de rust voor ons hart en de bron van onze levenskracht. Niet alsof we daarom den Raad Gods opzij wilden zetten, of zijn Besluit onvast zouden willen maken, maar overmits voor ons besef ons leven niet uit die Besluiten geleefd wordt. Zeker, we weten vastelijk dat in die Besluiten, en in die Besluiten alleen, de grondslag ligt, waarop heel onze existentie rust, en gelooven van harte, dat eens blijken zal, hoe heel ons leven niets geweest is, dan de uitvoering van het program, dat voor ons persoonlijk leven in die Besluiten van alle eeuwigheid af was vastgesteld. Alleen maar daaruit werkt ge niet, daaruit moogt ge niet willen werken, en daaruit hmt ge niet werken, om de alles afdoende reden, dat ge dit program van uw leven niet kent. Het is bij God.-Het staat in zijn Boek. Maar in dat Boek zijns Raads kunt gij niet lezen. Als dus weer een nieuwe morgen voor u aanbreekt, denkt ge niet: -„Aldus staat in het Besluit, dat ik dezen dag zal doorbrengen, en zoo zal ik dan ook handelen, " maar, niets van dat Besluit afwetende, begint ge met uw taak in te denken, na te gaan wat u te doen staat, u uw plicht voor oogen te stellen, en onder de inmenging van allerlei invloeden en omstandigheden, dienovereenkomstig te handelen. Wie uit het Besluit wilde handelen, zou bij de pakken blijven neerzitten en niets doen, of wie zal bouwen naar een verzegeld bestek.' Ons werkelijk leven van eiken morgen en eiken avond, en van eiken middag die daar tusschen ligt, doorleven we dus niet als ons toevloeiende uit het Besluit, maar als opkomende uit de roerselen van ons hart, uit den drang der omstandigheden, en uit de tot ons komende roepstem. Van achteren belijden we dan wel, dat het alles alzoo in Gods Raad vaststond en besteld was, maar God werkte het in ons niet regelrecht, niet rechtstreeks uit dien Raad, maar door allerlei roerselen, prikkelen, invloeden en roepstemmen op ons te doen werken, waardoor Hij zijn Raad uitvoert, maar die voor ons de eenige beweegredenen van ons doen en laten worden. Het gaat dus in het minst niet aan te zeggen, dat dit slechts menschelijke voorstelling is. Integendeel, zoo alleen is onze menschelijke realiteit. Zoo bestaan we. Zoo leven we. Zoo glijden we van den éénen dag in den anderen over. Zoo en niet anders kennen we ons leven; en van al wat in Gods Besluiten over ons leven, van jaar tot jaar, ja, zelfs over den dag van onzen dood staat, weten we, tot het Besluit gebaard heeft, eenvoudig niets.

Hebben zvij nu door de zonde het Boek van Gods Raad voor ons verzegeld.' Had God bedoeld, ons uit de Besluiten te laten leven.' En is het alleen ten gevolge der zonde, dat het Boek der Besluiten voor ons gesloten werd, zoodat we nu dwalen in het onzekere, als gevolg van eigen schuld.' Stellig neen. Reeds het proefgebod aan Adam gegeven bewijst het tegendeel. Toen was er nog geen zonde, en toch ook in dien onzondigen toestand leest Adam zijn toekomst 7tiet van het Besluit af, maar weeft zelf aan dien draad onder de heerschappij van het gebod. Het is dus niet bij vergissing, noch ook ten gevolge van onze zonde, dat het Besluit voor ons verborgen is. Integendeel, zoo was van den aanvang af Gods wil over ons. Het Besluit zelf hield in, dat het Besluit ons verborgen zou blijven, tot het geschied was. God zelf, die ons schiep, heeft derhalve onze menschelijke natuur alzoo beschikt, en ons menschelijk leven alzoo besteld, dat we, buiten alle kennisse van het Besluit om, eiken morgen ons leven zouden voortzetten, uit ons verleden, door de be weegkracht van ons hart, onder eigen nadenken, dank zij de veerkracht van onzen wil, en bij dit alles geleid door zijn gebod en vermaan, bedreiging en belofte, en in verband met al die omstandigheden en onder de inwerking van al die invloeden, waarin zijn bestel ons verwikkelen zou. Dat het alzoo is, is dus geen toeval, geen verbeelding onzerzijds, maar is zoo en moet zoo zijn, omdat Hij, de Heere, het alzoo over ons verordineerd heeft.

Hieruit nu vloeit voort, dat wij practisch in ons leven de Voorzienigheid Gods niet anders kunnen genieten, dan als een macht die ons leven draagt, over dit leven waakt, heel dit leven verzorgt, en er de uitkomsten voor bereidt. Uw gebed eiken morgen is van het geloof aan die trouwe, wakende, het al verzorgende Hefde uws Vaders de telkens wederkeerende uiting. Gij zijt en blijft mensch en kunt daarom niet eiken morgen heel uw leven overzien. Gij staat telkens voor een stuk van uw leven, het nauwst voor dat kleine stuk van dien éénen dag, die weer voor u opging. Gij trekt dus uw aandacht saam op de nooden van dien éénen dag, op wat dien dag u wacht en u zal voorkomen, op wat voor dien éénen dag uw hart beklemt en u zorge baart; en nu, uw onmacht om dat alles zelf te beheerschen en in dat alles zelf te voorzien, gevoelende, buigt ge u eerbiedig neder, om in te roepen de hulpe van den almachtigen God, in wiens hand ge zijt, en die immer machtig is u uit eiken nood te redden. Dat is de glans van de liefde Gods, die zich over heel uw leven uitspreidt, en daar geniet, daar rust ge in, daarin verheugt ge u, dat brengt u troost en doet hooger vrede in uw ziel dalen; en wezenlijk te beklagen is de starre denker, die den kinderlijken smaak, om alzoo rijk in zijn God te zijn, verloor.

Wat we over het averechtsche in de gewone voorstelling van Gods Voorzienigheid schreven, had dus, gelijk men ziet, in het minst niet de bedoeling, om deze rijke vertroosting uit het leven weg te nemen. Integendeel, juist door deze voorstelling als een door God zelf gewilde menschelijke vertolking van zijn Voorzienig bestel te omschrijven, hergaven we aan dit rijke, vertroostende karakter van deze voorstelling vastheid en zekerheid, en sneden we af alle betweterij, die ons, ter wille der Besluiten, dezen troost rooven zou. We zijn en blijven menschen, en kunnen niet anders dan op menschelijke wijze en in mensche­ lijken vorm, en in menschelijke taal, de zaligheden onzes Gods genieten. Wat Jezus van de leliën des velds en de vogelen des hemels sprak, om ons te bewijzen, dat we niet voor den dag van morgen bezorgd zouden zijn, bevestigt dit dan ook in den meest letterlijken zin.

Alleen maar, ge moogt dan ook nooit vergeten, dat dit menschelijke vertolking is, en nooit voet geven aan de gedachte, alsof het deswege nu ook alzoo voor God bestond; en toch dit juist is de fout, waarin men vervallen is. Als een wijs man in kinderlijken vorm en in kinderlijke taal met een klein kind omgaat, mag niemand daaruit afleiden, dat dus deze wijze man zelf zóó denkt, zóó tot zich zelven spreekt, en alzoo voor zich zelven bestaat. Steeds moet in het oog worden gehouden, dat we hier met een vertolking te doen hebben, en dat we om over hem, die aldus spreekt, zelven te oordeelen, weer uit de vertolking tot zijn eigen oorspronkelijke taal hebben op te klimmen. Waar alzoo in de stelselmatige godgeleerdheid of, gelijk men het noemt, in de Dogmatiek, sprake komt van het iverk Gods, en men dat werk Gods ook als „onderhoudend en regeerend werk" zal indenken en uiteenzetten, moet men nit de vertolking op het oorspronkelijke teruggaan. Wie dat anders doet en dan nog blijft redeneeren uit onze menschelijke ervaring, maakt zich van God een menschelijke voorstelling, die met zijn Wezen en zijn werken geheel in strijd is. Zoo zouden we wel moeten te werk gaan, zoo ons geen openbaring van de kennisse Gods was gegeven, en zij die deze missen, gaan dan ook zoo en niet anders te werk. Maar óns is die openbaring gegeven. God heeft iets van de majesteit van zijn heilig doen ons medegedeeld. Hij heeft ons in staat gesteld om iets te verstaan en te begrijpen van de vastheid en onveranderlijkheid, waarmede Hij in al wat onder menschen keert en wisselt, zijn heiligen wil doorzet. En dit zoo zijnde, hebben wij het recht niet meer, om de kennisse Gods uit onze menschelijke vertolking van zijn doen te putten, maar staan we onder de verplichting, om te rade te gaan met wat Hij zelf omtrent zijn eeuwig doen ons geopenbaard heeft. Waar het te doen is om de bezieling van ons persoonlijk leven, kunnen we niet met de Besluiten Gods rekenen, omdat niet zijn verborgen, maar zijn geopenbaarde wil richtsnoer is. Maar als we handelen van de kennisse Gods, en zijn eeuwig doen, gelijk het van Hemzelven uitgaat, bespreken, dan mogen we zijn Besluiten niet voorbijgaan, maar moet bij elke uiteenzetting der Voorzienigheid altoos op de Besluiten die daar achter liggen en die er drijfkracht van uitmaken, worden teruggegaan.

Het is ook hier Gods immanentie en Gods transcendentie. Gods immanentie ziet op zijn inwerking in ons leven, en die heeft altoos plaats naar de aard des menschen is. Dan spreekt onze Vader ons toe, zooals wij zijn kinderen dit behoeven, en genieten we in zijn Vadertrouw. Maar diezelfde Vader, die ons eiken dag van ons leven opzoekt, en die met ons als zijn lieve kinderen handelt, is en blijft toch altoos de transcendente Gods, d. i. onze Vader, ja, 'maar die in de hemelen is, „opdat we van de majesteit Gods niet aardschelijk denken zouden". Daartoe opklimmende, verheffen we ons alzoo boven ons eigen leven, met al zijn kleine wederwaardigheden, tot dat hooge Goddelijke gezichtspunt, van waaruit het geheel als één machtige éénheid wordt overzien, en dan valt alle menschelijke vorm, alle „aardschelijk denken" weg, en ontsluit zich voor ons die Oneindige majesteit, die het alles schiep en het alles in stand houdt en het alles regeert, en het alzoo alles worden en gaan laat naar zijn eeuwigen Raad. Wie nu om den Vader in de hemelen de trouw en de liefde zijns Vaders voorbijziet, maakt zijn leven arm, zijn hart koud, en zijn toekomst angstig; maar ook wie omdat God zijn Vader is, vergeet dat Hij in de hemelen troont, vervalt in een ziekelijk geloof, dat op sentiment en verbrokkeling drijft, en sluit moedwillig den weg, die hem opleidt tot die volzalige aanbidding, waarin alleen de waarachtige kennisse Gods genoten wordt.

God is en blijft „onze Vader", maar „in de hemelen", en waar het „Uw wil geschiede" het zielsoog op Gods geopenbaarden wil richt, gaat vooraf het „Uw naam worde geheiligd", opdat de majesteit Gods niet door de nevelen van onze menschelijke existentie verdonkerd worde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken