Bekijk het origineel

Bettex’ Natuur en Wet.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Bettex’ Natuur en Wet.

9 minuten leestijd

Bij onzen Uitgever zag in Nederlandsche vertaling het licht: BETTEX' Natuur en Wet, een schoon octavo boekdeel van bijna 500 blz.

Op dit boek vestigen we de aandacht, om­ dat deze Schrijver, zij het ook van een ander standpunt, feitelijk bezield wordt door hetzelfde streven, dat ook ons steeds dreef, om namelijk eenerzijds onwrikbaar aan Gods Woord vast te houden, en door geen critiek ons van de wijs te laten brengen, en toch anderzijds zoo diep in het leven te graven, tot we daar, en niet in ledige abstractiën, de aansluiting vinden voor wat we in het Woord belijden.

Wat hij met name over de inspiratie zegt, is dan ook overwaard gelezen en herlezen te worden.

Slechts een proeve kunnen we er van voorleggen :

Zoo schrijft hij op blz. 416:

Een ieder niensch inspireert den ander! Treedt er iemand door de deur binnen, dan vervult al spoedig zijn geest en adem en zijn geestelijke geur de kamer, en inspireert hij ons ook tégen onzen wil. Wij zwijgen verlegen stil, worden beleefd of vroolijk, joviaal of vertrouwelijk of gegeneerd, of stijf en koud, opgewekt of neerslachtig; wij gevoelen ons. aangetrokken of afgestooten; de een brengt opgeruimdheid mede, de ander domheid of verveling, een derde ernst en waardigheid, de vierde woordenpraal en zinledigheid. Ieder mensch is een plant met een eigenaardigen geur; uit zijn voorkomen en zijne gebaren, zijne stem en zijne woorden stijgt geest op. — Ook elke bloem, waarbij gij: Hoe schoon! en elke afschuwelijke pad, waarbij gij: Bah! uitroept, inspireert u.— Alles straalt niet alleen licht, maar ook kracht van zich uit, bijvoorbeeld aantrekkingskracht.

Alles heeft smaak en geur. Hoe wonderbaar, dat zelfs de metalen een eigen smaak hebben, en dus in waarneembare, individueele betrekkingen tot mijne ziel staan! De wereld is eene groote ex-en inspiratie, een uit-en inademing des geestes.

De wet der inspiratie is, dat zij de individualiteit verhoogt en verrijkt; want zij ontneemt haar niets, maar wel geeft zij haar veel, en juist datgene waarnaar deze ikheid verlangde, waarnaar zij hongerde en dorstte. De geest keert slechts tot zijnsgelijken in, waar hij gaarne gezien, verlangend verwacht, tot blijven uitgenoodigd wordt, waar hij een geopende deur vindt. „Alle begeerte is aantrekkelijk." — Maar ook ieder contrast, dat u uws ondanks ophoudt, dat u belemmerend in den weg treedt en slechts uw onwil en uw toorn opwekt, verrijkt u, want het is een onbewuste inspiratie van zekere in u verborgen beginselen, het brengt ze tevoorschijn, en reeds de wijze hoe en waarop gij u tegenover deze tegenstellingen gedraagt, onderricht u omtrent hetgeen gij zijt. Geen enkele geest kan zijn invloed op u oefenen, als hij zijn geestverwant niet in u vindt. Maakt de hoogmoed van anderen u nog toornig, dan zijt gij nog hoogmoedig; bezoedelt het slijk u nog, dan zijt gij nog onrein. Eenmaal echter zullen de gezaligden door geen toorn Gods en door geen pijn der verdoemden meer geïnspireerd worden, omdat er in hen geen toorn of pijn meer zal zijn. — Zoo is elke inspiratie eene vergrooting en versterking van den geest in den mensch, eene vermeerdering van zijn bezit en zijne kracht, eene verlichting zijner ziel.

Daaruit vloeit de verdere wet der inspiratie voort, dat zij met het wezen ook vorm en kleur, en met de gedachte ook het woord geeft. En wel hoe hooger en volkomener zij is, des te nauwkeuriger, zekerder, treffender en tot in de kleinste bijzonderheden toe doet zij het. — Dat weet en voelt ieder redenaar, kunstenaar, dichter, ieder die door den geest op de eene of andere wijze wordt aan-en doorgewaaid en geïnspireerd.

In de hoogste mate geldt dit van het woord.

Want de taal is des Geestes, waarom de dieren, die de Bijbel toch „levende zielen" noemt, niet spreken. „De Geest spreekt", zegt de Bijbel herhaaldelijk. Het woord, wij zien het aan Christus, is de hoogste, onmiddelijkste daad des Geestes. Alle dingen zijn door het Woord gemaakt. En zoo is het op den huldigen dag nog. Het woord — niet de stoom en niet de electriciteit — is de ware motor dezer wereldmachine. Er bestaat niets zoo machtigs en zoo onmachtigs, zoo geweldigs en zoo zwaks, zoo kostbaars en zoo waardeloos als zulk een menschenwoord. En waaraan ontleent dit weinigje in trillingen gebrachte lucht zijn macht ? — Aan den geest! — Het voortdurende streven van den geest is zich geheel en ten volle uit te spreken, zoodat dan ook de grootheid van een mensch uit de grootte van zijn woord kan worden afgeleid. En ook hier heeft de Geest slechts in en krachtens de door hemzelf gestelde wet macht. Hij is het, die van eeuwigheid af — in den beginne was het Woord — de tien woordsoorten uitsprak, en daarmede een zijn in het zelfstandig naamwoord en een doen in den tijd van het werkwoord enz. voor eeuwig vaststelde. Hij sprak uit de Godheid de wetten uit, waarnaar de volzin in de voordracht, en het huis, en het hemelsch Jeruzalem worden opgebouwd. En in deze en door deze zijne wetten is hij groot; in deze zijne schepping put hij kracht uit zelfgeschapen banden. Terwijl de zwakke van geest de wetten des woords miskent, veracht en tot verzwakking zijner eigen ziel misbruikt, is het voor den rijke van geest .een versterkend genoegen deze wetten nauwkeurig op te volgen, en door middel daarvan het schoonst en het best te zeggen wat hij is en wat hij wil. — Maar evenals alle talen der wereld slechts een gebrekkige vergoeding voor de verloren oorspronkelijke taal zijn, zoo is ook elke aardsche uitdrukking slechts een surrogaat voor de ware in de ware hemeltaal, waarin voor alles in de wereld, voor elke gedachte en elk gevoel der ziel slechts één volkomen adaequate uitdrukking bestaat, en waarin elke andere uitdrukking even foutief is als een verkeerd cijfer in eene rekening. De hoogste taal is de hoogste waarheid, is onfeilbaar. Dat hebben de menschen van oudsher gevoeld, •—vandaar het streven om goed, mooi, juist, waar, correct te spreken en te schrijven. Hoe hooger een volk zijn taal schat en hoe beter het die spreekt, des te hooger staat het in geestelijk opzicht, zooals bijvoorbeeld de Grieken. — Vandaar ook onze vereering der klassieken. Zij zijn menschen, die voor hetgeen veler gemoed in spanning bracht het verlossende woord vonden; zij zijn de woordvoerders der volken; zij schenken der menschheid haar denken uitgesproken terug, in woorden gegoten, duurzamer dan staal en marmer, want geest en woord zijn onafscheidelijk. De geliefkoosde spreekwijze: „Men moet niet aan het woord blijven hangen", maar tot den geest doordringen, geeft meestal een gi-oote onwetendheid te kennen omtrent hetgeen geest en hetgeen woord is. — Want waarom blijven wij dan wèl aan het woord onzer klassieken hangen? Waarom dan met zoo angstvallige nauwgezetheid naar den oorspronkelijken tekst van een Sophocles, een Cicero, een Shakespeare of een Goethe gevorscht? Is het woord slechts een zoo onverschilhg omhulsel, om zoo te zeggen slechts een van den geest geleende overjas, dan kan ik ook Goethe's roerende versregels : „Wie nooit zijn brood met tranen at", ook wel zóó uitdrukken: Wie niet dikwijls 's nachts geweend heeft, is niet godsdienstig gezind ! — Dan houdt eenvoudig alle kunst, schoonheid, waarde en macht van het woord op.

Anders spreekt de Bijbel. Honderdmaal herhaalt hij: „Het woord des Heeren" niet zijn Geest alleen — „geschiedde tot" enz. — „Vervloekt is hij, die niet al de woorden dezer wet vervult." — „Waarom hebt gij des Heeren woord veracht? " — Enzoovoorts! Zoo zegt Christus: „De woorden, die Ik spreek, zijn geest en leven!" — „Mijne woorden zullen niet vergaan!" — En Gods Woord spreekt aan het slot de ernstige waarschuwing uit: „En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie.

God zal zijn deel afdoen uil het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is!" Dat geest en woord éen zijn en men ze niet scheiden kan of aan een van beiden het geringste veranderen, zonder dat ook het andere er onder lijdt, deze waarheid is de grondslag van de bijbelsche leer der inspiratie. — „Maar het woord inspiratie komt in den Bijbel niet voor!" zegt tegenwoordig menigeen. — Natuurlijk niet. Evenmin als de woorden „godsvrucht" en „Christendom." Maar zoudt gij nu daarom durven beweren, dat de Bijbel niets weten wil van godsvrucht en Christendom ? Of dat hij ons niet zegt wat godsvrucht of Christendom is?

Wanneer er een Heilige Geest bestaat, een goddelijke persoonlijkheid, die derhalve veel hooger staat dan de algemeene niet geïndividualiseerde geest en adem Gods in de wereld, dan moet Hem in de geduchtste macht óok een zich uitspreken en evenzoo a priori de macht tot inspireeren in den hoogsten graad worden toegekend. Ja, heel zijn werken moet inspiratie wezen; hoe zal een onzichtbare Geest anders werken ? — Dat is dan ook de leer des Bijbels. — „De Geest der waarheid zal u in al de waarheid leiden". — „Wanneer de Trooster, de Heihge Geest, zal gekomen zijn, die zal u alles leeren".

— „De Geest uws Vaders is het, die door u spreekt." J— En dewijl de hemel, vanwaar Hij komt, zooveel hooger is dan de aarde, en het eeuwige, waarvan Hij (spreekt, zooveel grooter dan het tijdelijke, en Hij niet maar louter een geest, maar de Geest is, daarom overtreft ook zijne inspiratie oneindig ver alle andere: zij staat onvergelijkelijk hooger dan die van Homerus door Homerus' geest, dan die van Goethe door Goethe's geest; zij grijpt den mensch met nog gansch andere macht aan, doorgloeit hem met hemelvuur, doorstraalt hem met hemellicht, zoodat ook de donkere toekomst en het langvergeten verleden klaar en helder voor hem liggen, zoodat hij den verborgensten samenhang en den diepsten worstel der dingen aanschouwt, en door dien Geest medegesleept en overweldigd wordt, en toch in de hoogste persoonlijke kracht, in genotvolle verrukking, met waarachtig goddelijke geestdrift, het aanschouwt wat het doeltreffendste, alleen juiste, volkomen toepasselijke en daarom ontzaglijk krachtige Geesteswoord moet, kan en wil uitspreken.

We wilden dit stuk niet afbreken, omdat dit het verband zou doen vervallen. Natuurlijk gaat er nog een breed stuk aan vooraf, en volgt er nog veel meer na. Toch is dit de quintessens.

En juist dat ons thuis maken in de inspiratie, door ze eerst in haar gewonen vorm in het dagelijksch leven jte nemen, en van daar uit op te klimmen tot de hoogste inspiratie is de weg dien we op moeten.

De lezing van zulk een boek is niet alleen voor twijfelmoedigen belangrijk, maar ook voor overtuigde Bijbelgeloovigen kostelijk, om hun het eigen geloof natuurlijker te maken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Bettex’ Natuur en Wet.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken