Bekijk het origineel

„Hetgeen niets is.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Hetgeen niets is.”

9 minuten leestijd

En het onedele der wereld, en het verachte, heeft God uitverkoren, en hetgene niets is, opdat Hij hetgene iets is, te niete zoude maken. I Cor. I : 28.

„De Heere, zoo betuigt Jesaia de profeet, heeft Sioii gegrond, opdat de bedrukte daarin een toevlucht hebbe, " en Paulus, de apostel van Christus, stelt als regel, dat God 7iiet het machtige, maar het zwakke en hetgeen niets is heeft uitverkoren, juist opdat Hij het sterke beschamen zou. Profeet nu en apostel beiden, wat doen ze in dat zeggen anders, dan weerklank geven op de „zaligsprekingen, " gelijk die saam te trekken zijn in dit alomvattende: „Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven." Immers, „zachtmoedig" door heel de Schrift lijkt in niets op „zoetsappig, " maar duidt steeds den man of de vrouw aan, die geen kracht heeft, en daarom wordt teruggedrongen en benauwd, en die dit verdraagt om Gods wille.

Staande voor de diepgaande tegensteUing tusschen hetgeen onder menschen machtig en machteloos, sterk en zwak, iets en niets is, wordt door den Geest, die in de Heilige Schrift ons de geheimnissen ontsluiert, beslist tegen wat groot en voor wat klein en nietig is partij gekozen.

Van den adelaar sprak Jezus nimmer, maar betuigde Gods zorge voor het muschje, dat voor een half penningske wordt verkocht.

„Aan de beenen des mans heeft God gec^n welbehagen, " maar „de haren uws hoofds zijn alle geteld."

Die trek kenteekent dan ook metterdaad geheel de Schrift, en dit sprak des te sterker, omdat in de dagen der profeten, en nog bijna even sterk in de dagen der apostelen, de keuze van wat men de „publieke opinie" noemt, juist andersom was.

Alleen het machtige boeide, alleen het indrukwekkende trok aan, alleen voor wat sterk en machtig was boog men, en daarentegen het

zwakke verstiet men, het kleine werd vertrapt, en wat machteloos was werd door overmacht gehoond en vernietigd.

Tweeërlei geest stond ook hierin tegenover elkander.

Eenerzijds de geest van den trotschen mensch, die laatdunkend en minachtend op hetgeen gebrekkig en niets was neerzag. En anderzijds de Heilige Geest, die ons de eeuwige ontfermingen beluisteren deed.

Een tegenstelling niet enkel doelende op den sterken arm, maar evengoed doorgaande in het zielsleven. In de wereld staat de sterke deugdmensch hoog aangeschreven, de Schrift zegt dat hij zijn loon weg heeft. En omgekeerd wordt in de wereld om wie bekommerd en gebroken in zichzelven is, geglimlacht, terwijl de Schrift, geheel omgekeerd juist den gebrokene vanharten den verbrijzelde van geest begenadigt.

En zoo ook in de wereld één dwepen met het Humanisme, één wierooken voor het genie, en op het graf één lofzang voor den kostelijken mensch die insliep. Maar God in zijn Woord u toeroepende: Laat dan af van den mensch, wietis adem in zijn neusgaten is, want waarin is hij te achten ?

Die tweeërlei geest heeft geleid tot een hardnekkige worsteling, waarin de geest der wereld ons trotsch en zelfzuchtig hart tot bondgenoot had, maar de geest der Schrift gedragen werd door Gods trouwe.

Het was toen de eerste Christenen optraden, als wit tegen zwart. Zij zich erbarmende en met deernis bewogen over al wat leed en gedrukt was, en om hen heen de trotsche wereld over al het zwakke heenloopende.

En dit niet alleen, let hier wel op, omdat er deernis in der Christenen hart, en niets dan trots in het hart van Pharizeér en Stoïcijn was; neen, er werkte een gansch ander motief in.

Het was, omdat men in de toenmalige wereld op niets anders dan op den mensch steunde, het van den mensch alleen verwachtte, en op niets dan wat in den mensch was zijn hope bouwde.

Men kende niets dat boven den mensch uitging.

Van de afgoden had men genoeg, de mensch zelf was afgod geworden, en in den machtigsten mensch op aarde, d. i. in den keizer die te Rome te bevelen had, aanbad de toenmalige wereld zich zelve.

De mensch was 'smenschen ideaal geworden.

Het liep uit op z< ? //aanbidding.

En daarom, het sprak vanzelf, stuitte en hinderde het als men in den mensch het zwakke en machtelooze ontdekte. Wat men aanbidden zal moet groot, moet sterk, moet machtig zijn.

En deswege schoof men het zwakke van voor zijn oog weg, en trok al wat in menschen groot en sterk was op den voorgrond.

En hierin nu juist stonden de Christenen vlak tegenover de wereld over.

Ook hun ideaal was een mensch, maar „de mensch Christus Jezus, " en in Hem zocht het zielsoog niet den sterken mensch, maar achter het beeld van „den Man van smarte" den „Sterken God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst."

En het was dan ook de aandrift en de bezieling van dit geheel andere ideaal, van dit gansch andere voorwerp van aanbidding, waardoor hun gedachten en overleggingen een gansch anderen loop namen.

Niet naar den mensch, die over de driemaal twaalf legioenen soldaten van Rome gebood, maar naarden „nederige van harte", die op Golgotha stierf, en wien, als hij bad, de Vader twaalf legioenen van engelen zou hebben bijgezet.

Zoo was let een heel andere wereld die zich, dank zij de .Schrift, voor hen ontsloot, en uit die nieuwe wereld ging de stem des roemens op: „Niet vele edelen, niet veel machtigen, niet vele wijzen, maar wat niets is" heeft God uitverkoren, opdat Hij datgene wat zich inbeeldt iets te zijn zou beschamen.

Allengs heeft toen die geest der Schrift op de markt des levens een eindweegs dien geest der wereld teruggedrongen.

De zwakken dorsten van lieverlee te voorschijn treden, wat gebrekkig was vond gaandeweg een helpende hand, over wat leed ontfermde men zich, er kwam zorge voor den arme, en een geest van barmhartigheid won alom veld.

En dit niet alleen in de kerk, maar ook buiten de kerk.

Zie maar, hoe de wereld in philanthropic met ons gaat wedijveren. Tot op haar festijnen toe hult ze zich in het kleed van den barmhartigen Samaritaan. Er is letterlijk een wedijver, om te zoeken of er niet nog een soort gebrekkigen en lijdenden is, te wier behoeve men in het openbaar op kan treden. Armen, blinden, kranken, gebrekkigen, krankzinnigen, gevangenen, het vindt thans al zijn verzorgers in en buiten het heilig erf.

Ten deele kan zelfs gezegd, dat heel de sociale beweging in deernis met wat niets is haar oorsprong vond.

Het is zoo, dit mededoogen der wereld komt uit 'anderen geest op. Uit een geest die niet in Christus, maar in een dusgenaamd altruïsme roemt. Ook mengt er zich veel zelfbehagen in.

Voor sommigen is dit „meedoen aan philanthropic" een ladder om zelf naar de hooge terreinen van invloed en macht op te klimmen.

Al goud is het ook hier niet, wat er blinkt.

Maar het feit blijft dan toch, dat ge deze stemming der geesten alleen in die landen vindt, waar het Christendom zegevierend doordrong, en dat Azië en Afrika er nog niets van te aanschouwen geven, tenzij voorzoover de Christenzending er is doordrongen.

Doch, wat opmerkelijk is, zelfs te midden van onze Christenstaten komt tegen die voorliefde voor het zwakke thans weer een machtige reactie op.

Een titanische geest, wiens invloed mét den dag klimt, heeft bij monde van den wijsgeer Von Nietzsche, brutaalweg dezen doorgedrongen invloed van de Christelijke religie aangetast, en roept thans de denkende jongelingschap op, om met al deze ziekelijke philanthropic te breken.

Het moet, hoe eer hoe beter, met al dat liefhebberen ten bate van het zwakke en gebrekkige uit zijn.

Alleen wat sterk, wat groot, wat machtig is, is onze sympathie en onze bewondering en onze liefde waardig.

„Of heeft Darwin het ons niet geleerd, zoo vraagt hij, dat de wereld is wat ze is, doordien het sterke telkens opnieuw het zwakkere terugdrong en vernietigde? En is het dan niet duidelijk, dat Jezus met zijn liefde voor het zwakke, de ontwikkeling van ons geslacht heeft tegengehouden; dat we zonder de stoornis die Jezus in het proces aanbracht, nu reeds als menschen veel verder zouden zijn ?

En behoeft het dan nog betoog, dat we, om ons tot een hooger menschensoort te ontwikkelen, radicaal met het Christendom te breken, het Christendom uit te bannen hebben; en voorts dat dit laatste alleen mogelijk is door het Christendom in zijn hart aan te tasten, en zijn laffen geest van ontferming tegen te staan, door nogmaals het zwakke neder te werpen en alleen voor wat groot en machtig is den wierook'te ontsteken van onzen lof.

Vreeslijk, zegt ge.

En vreeslijk is het, en dat te vreeslijker, dat reeds duizenden en tienduizenden met den man die zoo sprak en schreef dweepten.

Vergeet ook niet, dat ditzelfde vraagstuk, of Jezus' ontfermingsmoraal den bal niet missloeg, reeds keer op keer op vergaderingen van theologen tot zelfs door predikanten is behandeld.

Bovenal vergeet het nimmer, datdit de eigenlijke geest der wereld is, en dat waar de wereld nog anders spreekt, ze optreedt in een haar vreemde rol.

U zij dit ten spoorslag, om helder in te zien, hoe ge als Christenen te ijveriger voor de ontfermingsmoraal van Jezus hebt op te komen en te getuigen, mits dan ook uit het heilig motief en uit het diepe beginsel, dat door heel de Schrift u toespreekt.

Dus niet uit weekhartigheid, noch ook als iets dat bij uw Christelijke belijdenis zoo bijkomt, maar als iets dat rechtstreeks uit den wortel van die belijdenis, ook van uw persoonlijke belijdenis opkomt.

Gij uitverkoren niet om iets dat in u aantrok, maar toen ge niets waart. Gij zelf die zwakke, en al wat nog sterk in u zijn wil, af te breken, opdat God ook in u den nederige genade geve.

Niet gij de rijke en groote man, die den kleinen man uit meewarigheid helpt en in dat helpen krenkt, maar gij zelf de begenadigde en rijke door de eere, dat ge, niet met uw goed, maar van Gods goed den broeder helpen moogt.

Zelf klein en met lust aan het kleine, omdat in den Man van smarte uw ideaal als mensch u tegenblinkt. Uw ideaal in hem die arm werd, opdat hij ons, armen, rijk zou maken.

En dus ook geen tegennatuurlijke lust in het nietige en geen onnatuurlijke afkeer van hetgeen groot is. Of is niet uw Jezus omdat hij zich vernederde, daarom uitermate zeer verhoogd ? Op Golgotha „een worm en geen man", maar opdat hij zitten zou aan de rechterhand Gods, groot boven allen, en bekleed met macht over hemel en aarde.

En daarom ook bij u nooit de deernis der liefde, zonder het heimwee der hope. Nooit anders vernederd, dan opdat ge verhoogd zoudt worden.

Om het kort te zeggen: als zondaar alle grootheid afleggen, maar opdat ge als Gods kind eens de ware grootheid genieten zoudt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

„Hetgeen niets is.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken