Bekijk het origineel

Nog eens Maeterlinck.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nog eens Maeterlinck.

4 minuten leestijd

Antwoordende op onze anticritiek schrijft de Hervorming:

Dr. Kuyper en Maeterlinck. •- In no. 18 teekënden wij aan wat ons bij vergelijking van Maeterlinck'stheorie omtrent de transcendale ziel en die van Dr. Kuyper's omtrent het herboren ik had getroffen, dit nl. dat beider theorie evenzeer het besef van verantwoordelijkheid dreigt weg te nemen, althans te verzwakken.

De Heraut meent dat onze vergelijking mank gaat.

Na herrinnerd te hebben dat M. heel het leven en de werkelijkheid een schijnleven noemt, zoodat op dit standpunt van zedelijkheid geen sprake is, schrijft de Heraut het volgende: In ónze artikelen daarentegen is juist omgekeerd ampel en breedvoerig aangetoond, hoe ook voor den wedergeborene het leven in de werkelijkheid een zeer hooge, reëele beteekenis heeft, niet om de zaligheid te verdienen, niet om hem Himmelfdhig te maken, maar krachtens zijn roepiijg, om op aarde, in dit leven de deugden te doen blinken, en het licht te doen uitstralen van zijn Vader die in de hemelen is; en zulks niet in Methodistischen zin, maar juist op het terrein der gemeene gratie, en alzoo in het gewone leven.

Is het nu billijk, dat de redactie dit geheel verzwijgt en weglaat, en ons in de schatting harer lezers een standpunt doet innemen, als hadden ook wij, evenals Maeterlinck, voor den herborene het leven zus of zoo in de werkelijkheid voor onverschillig verklaard?

Zij zal zeker, dunkt ons, het onbillijke hiervan inzien.

Meer nog, wat zij ons toedicht, en wat neerkomt op het inwonen van den nieuwen mensch bij een anderen mensch, voor wien dan die inwonende persoon niet verantwoordelijk is, werd opzettelijk door ons bestreden, en ter bestrijding van dit dwaalbegrip een geheel andere voorstelling van de zaak gegeven.

Hierin alleen heeft ze gelijk, dat wij het herboren ik als „zijnde heilig" geteekend hebben, en hiermede het feit der ervaring hebben gecombineerd, dat ook wie aldus heilig in zijn kern is, toch nog gedurig in zonde valt, zonder dat dit hem zijn verzekerdheid van zaligheid doet verliezen.

En dan beroept de Redactie zich op Rom.

7 en Johannes 3; haar gegeven voorstelling strookt geheel met die der apostelen Paulus en Johannes; „ons standpunt heeft, " aldus besluit zij, „met Maeterlinck niets dan het gelijksoortig probleem gemeen, omdat Maeterlinck „de ziel" verre van en geheel buiten, ja, hoog boven onze menschelijke aardsche gewoonlijkheid stelt, terwijl naar de Schrift daarentegen, en zoo ook in onze voorstelling, het herboren ik in ons woont."

Dat laatste geven wij grif toe; en dat het niet in onze bedoeling lag, het standpunt van de Heraut averechts voor te stellen, blijkt reeds hieruit dat wij vermelden: „Dr. K.'s herboren ik is er op uit in ons bewustzijnsvermogen en in ons wilsvermogen door te dringen, " ofschoon hij er bijvoegt, „dat het daartoe volstrekt niet altijd in staat is."

Wij ontkenden niet dat de Heraut het besef van verantwoordelijkheid en daarmee de zedelijkheid tracht te redden; wat bij Maeterlinck zelfs niet opkomt. Doch het derde der vergelijking bestond voor ons hierin, dat Maeterlinck's transcendale ik een ander is dan het empirische en evenzoo het herboren ik een ander dan ons feitelijk ik. De theorie van de Heraut, gewagende van een herboren ik dat langs bovennatuurlijken weg den mensch wordt ingeplant, moet wel komen tot tweeërlei ik. En daarin juist schuilt het gevaar voor de zedelijkheid. Dat de ernstig-vrome mensch in Rom. 7 en Joh. 3 vindt uitgesproken wat zijn eigen bewijstzijn zoo dikwerf getuigt, hoe zouden ze dat willen ontkennen? Als wist onze eigen ervaring daar niet van! Maar buiten dat bewustzijn gaat om de theorie van tweeërlei ik, die Maeterlinck onverbloemd verkondigd maar die ook de Heraut, zij 't dan met eenige reserve, uiteenzet.

We danken de redactie voor deze eerste correctie op eigen oordeel; maar toch zal ze er nog een tiveede correctie aan moeten toevoegen.

Ze dicht ons namelij k ook nu het gevoelen toe, dat ons „herboren ik" een ander zou zijn dan ons „feitelijk ik", en dit nu is nooit door ons beweerd, maar integendeel bestreden.

De persoon is en blijft één.

Het is de ééne zelfde persoon, die geschapen werd, in zonde gewikkeld werd, in principe door de wedergeboorte weder werd losgemaakt van den zondeband, en straks van alle zonde bevrijd ceuwiglijk heilig zal zijn.

Eenzelfde is alzoo de homo institutus, destitutus en restitutus, en er is volstrekt geen tweede persoon, die als „herboren ik" bij den eersten persoon van het „zondige ik" zou bijkomen.

absolute een­ In de essentie en existentie heid van het ik.

Maar tweeheid in het bewustzijn van het ik, wat heel iets anders is dan in het zijn; en in dit bewustzijn alleen.

En althans de Hervorming zal niet beweren, dat deze onderscheiding geen grond heeft. Zij zelve weet te goed, dat er tussclien ons essentieel ik en ons bewustzijn van dit ik niet alleen een afstand ligt, maar zelfs gedurig intermittentie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Nog eens Maeterlinck.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken