Bekijk het origineel

Onze Eeredienst.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onze Eeredienst.

11 minuten leestijd

XXXVI.

Thans zijn we toegekomen aan de „vergadering der geloovigen" zelve, en bespreken daarbij eerst het karakter van het bijeenzijn, eer de eigenlijke vergadering aanvangt.

Zulk voorloopig bijeenzijn is in den regel niet te mijden. Reeds een kwartier, een half uur van te voren toch verzamelen zich de geloovigen met hun kroost. Bij zeer druk bezochte beurten, kan dat vooraf-samenzijn zelfs over het uur loopen, en te Amsterdam zijn tijden gekend geweest, dat er nog een half uur en meer vóór de kerkdeur aan werd toegevoegd.

Op een dorp, in een kleine kerk, waar ieder die komt, weet dat zijn plaats op hem wacht, loopt dat zoo lang niet, maar eenigen tijd vooraf vult zich toch ook daar het kerkgebouw, en bij fraai weder bestaat niet zelden de gewoonte, dat men een half uur van te voren buiten de kerk samenkomt, en dan op het klokgelui of op een gegeven signaal gezamenlijk in stille, rustige orde het gebouw binnentreedt.

Hoe ook bezien, er is dus altoos zekere tijd, kort of lang, dat allen of velen in of bij het kerkgebouw bijeen zijn, eer de dienst aanvangt. En dit nu stelt de vraag: Welk karakter moet aan dit voorloopig bijeenzijn worden toegekend.' — teneinde daardoor tot de wetenschap te komen, wat men onderwijl te doen heeft en hoe zich in dien tijd zal gedragen.

En dan verhelen we niet, dat o. i. de daaromtrent in breeden kring meestal heerschende zienswijze niet strookt met het door ons beleden beginsel.

Die heerschende zienswijze toch houdt in, dat men in de kerk gekomen, na gebeden te hebben om den zegen, muisstil heeft neer te zitten, met zijn buurman rechts noch met zijn buurman links spreken mag, en in afwachtende houding heeft te blijven, tot de voorlezer de stilte afbreekt, onderwijl men met niets anders bezig zal zijn dan met het lezen in de Heilige Schrift of in zijn Psalmboek.

De bedoeling is dan, dat de „godsdienstige aandacht" door niets zal worden afgeleid, maar geheel op de heilige dingen zal worden saamgetrokken, en zoo voorbereid voor het aanhooren van de predikatie.

Men wil daardoor het plechtige, het statige, het indrukwekkende verhoogen; de ontvankelijkheid van de ziel bevorderen; en wat men noemt „stemmig" maken.

Enkelen dreven dit zelfs zoover, dat ze het hoog kwalijk namen, als twee naast elkaar zittende geloovigen ook maar een oogenblik met elkander zaten te spreken, en omdat ze niet te fijn van gehoor waren, dit niet zóó zacht fluisterend deden, of er kon iets van gemerkt wordeh.

Men wil plechtige stilte, een stilte als in de natuur aan een onweder voorafgaat, om straks den donder van Gods Woord, in de Schrift ook „de stemme Gods" genoemd, in heiligen eerbied en met diep ontzag te kunnen aanhooren.

Dit standpunt nu is o. i. Luthersch, niet Gereformeerd, en we willen hiervan rekenschap geven.

Volgens de Luthersche beginselen is er een ecclesia docens, d. w. z. er zijn ambtelijke personen, die de kerk in hun persoon vertegenwoordigen, en die als met hoog gezag bekleed, aan de geloovigen op aarde een boodschap van den heilige Israels komen aanzeggen. In verband hiermede is de kansel in echt Luthersche kerken altoos zeer hoog, zoo hoog als het dragen van de stem slechts even toelaat. De prediker moet dan als een bazuinende engel uit den hemel verschijnen, die van den top van Sinaï of Sion tot de gemeente spreekt.

Die gemeente bestaat dan uit „hoorders", hoorders die enkel om te hooren komen, luisteren is hun eenige roeping, en wie goed luisteren zal, moet stil zijn.

Doch zoo is ónze Belijdenis niet.

Wij houden vergadering, wij houden een samenkomst. Een vergadering van broeders en zusters. Een samenkomst van de geloovigen ter plaatse. En het is in deze „vergadering van geloovigen", dat straks een

met het ambt bekleede broeder zal voorgaan, opdat de vergadering goed geleid worde, en aan haar doel beantwoorde.

Doch hieruit volgt dan ook, dat de opgckomene broeders en zusters hun vereenigingspunt niet enkel vinden in den prediker die spreken gaat, maar ook evenzoo in den broederband die hen saambindt, en in wat ze saam komen doen.

En op dit standpunt nu is het eer onnatuurlijk, dat de vergaderende geloovigen beginnen moeten met muisstil, en als waren ze elkander wildvreemd, naast elkander te gaan zitten.

Als de vergadering zelve geopend is, dan natuurlijk moet ieder stil zijn. Dat is in elke vergadering zoo. Maar dat men ook vóór de vergadering niet zou mogen spreken, geldt nergens, en door dit te verbieden, maakt men de samenkomst stijf, ontneemt haar het gezellig karakter van een vergadering, en maakt er c(ii\ audiëntie v^n.

Natuurlijk doet het rondprceken in groote steden, zoodat er in elk gebouw telkens cenander„gehoor''zit, aan dit vertrouwelijk en gezellig karakter der samenkomsten afbreuk.

Men kent elkander niet. Men zit naast vreemden. Naast broeders en zusters, ja, maar van wier broederschap of zusterschap men niets afweet, en voor wie men dan ook niets voelt. Alleen kerspelvorming zou hier beterschap kunnen aanbrengen.

Maar, gelijk vanzelf spreekt, niet met het oog daarop kan hier de zaak besproken worden, We nemen hier de „vergadering der geloovigen" in haar ideëel karakter, als van „broeders en zusters, die saam gemeenschap der heiligen oefenen en elkander kennen en liefhebben". En dan is het onnatuurlijk, dat men, elkander, na verloop van een week weer ontmoetende, geen stom woord tegen elkaar zou mogen zeggen, hoogstens met zijdelingsche buiging elkaar zou mogen groeten, en nauwelijks elkaar een hand zou mogen geven.

In een kerkeraadsbank gaat dit dan ook gemeenlijk eenigszins anders toe. Daar kent men elkander, men geeft elkander altoos een hand bij het binnenkomen, ziet elkander aan, en vraagt naar elkanders welstand.

Maar in het schip der kerk komt het herhaaldelijk voor, dat men gaat zitten naast iemand die u niet kent en dien gij niet kent, dat ge hem niet eens een hand geeft, ternauwernood aanziet, geen woord spreekt, en straks weer opstaat, zooals ge zoudt opstaan uit de buurschap van iemand met wien ge op een tram. stondt, zoodat ge niet eens zoudt kunnen zeggen, hoe deze uw broeder, met wien ge vergaderd hebt, er uitzag.

Dit nu is de broederschap verzaken, verzaken alle gevoel van saamhoorigheid, en het karakter van vergadering vernietigen, en ge kunt er zeker van zijn, dat ze het bij de Haghepreeken, en in de dagen onzer martelaren heel anders deden.

Nu koud als ijs voor elkaar, toen de warme gloed eener saambindende liefde.

En bij ons drijft men dit zelfs zoover, dat ieder onzer vaak zelfs aan den heiligen Disch heeft aangezeten als met hem geheel vreemde personen.

Op zichzelf zou het daarom het wenschelijkst zijn, dat bij elke kerk een ontvangzaal was, een soort antichambre, waar men voorloopig saamkwam, om straks als de dienst aanving, zich saam naar de vergaderzaal te begeven.

In die ontvangzaal kon men elkaar dan eiken Zondag ontmoeten, en de kennismaking voortzetten en levendig houden, om daarna werkelijk als broeders en zusters in het kerkgebouw te gaan nederzitten.

Bij gemis daarvan behelpt men zich nu ten plattelande, als het weer droog en niet te koud is, met de open plaats vóór het kerkgebouw, maar in onze steden gaat dit niet, en dan is er feitelijk geen andere weg open, dan dat men dadelijk in het eigenlijke gebouw inga, en zijn plaats inneme.

Maar dan moet er ook naar gestreefd, dat men elkaar leert kennen, dat men elkaar niet als vreemden bejegent, in elk geval elkander de hand drukt, elkander in het oog ziet, en vraagt naar elkanders welstand.

Tegen een zich daaruit ontspinnend gesprek, bestaat dan ook niet de minste bedenking, mits natuurlijk de bescheidenheid niet verzaakt worde, de één den ander niet poge te overschreeuwen, en het niet een doorcenwarring van allerlei stemmen worde.

Zelfs het opstaan van zijn zitplaats, om een anderen broeder, wien men iets te zeggen heeft, even toe te spreken, of na herstel uit krankheid of dergelijke hem de handj te drukken, zou in het minst niet in strijd zijn met het karakter der vergadering.

Dat stijve, overplechtige en alle vertrouwelijkheid dpodende van de grafstilte is gemaakt en onnatuurlijk.

Daar ijveren we niet voor, maar stellen we ons uit beginsel tegenover. daar

Vooral voor onze kinderen is dat glad verkeerd. Onder den dienst moeten ze uiteraard stil zijn, maar zoolang de dienst niet aanging, moet ge ze niet drukken noch benauwen.

In de apostolische gemeenten ontmoette men elkander zelfs met „een heiligen kus." Dat was Grieksche usantie, een usantie die bij ons niet gaat. Maar onze usantie is elkaar de hand te drukken en een vriendelijk woord te zeggen, en wie dit verzuimt, schiet in Christelijke beleefdheid en vertrouwelijkheid tekort.

Dat vullen van' den ledigen tijd, met lezen uit den Bijbel en met zingen, verdient daarom allerminst aanbeveling, en is zelfs beneden de waardigheid van het heilige.

Dat lezen toch uit de Schrift en dat'zingen hoort hl den dienst, en moet niet W'Ö> den dienst plaats hebben.

Voor den overgang uit het saauikomen tot het eigenlijke „vergaderen, teneinde den dienst uit te gaan voeren, " is voorts het orgelspel het meest natuurlijke en als vanzelf aangewezen middel.

Gelijk de heer Verveen het in het Hollands Kerkblad zoo schoon van de muziek zong, heeft de muziek ook als zoodanig een heilige, van God verordende roeping, en zulks wel, om, gelijk Calvijn het uitdrukt, „de harten te roeren en zacht meê te sleepen".

Verveen zong aldus: Vloei, heldre klankenstroom! met lieflijk tonenmcnglen, Gij gave van den Heer, den Scliepper van 't heelal, Den Oorsprong alles goeds, Wien 't zalig koor van englcn Het »driemaal heilig" zingt in reinen hemelval.

Toen de aarde nederzonk op hare grondpilaren, Klonk 't galmend lofaccoord de wijde heemlen door, Kwam aaft het feestgejuich der kindren Gods zich paren In vroolijk maatgeluid der morgensterren koor.

Een lieflijk beurtgczang van schoone melodieën Doortrilde tot Gods eer het heerlijk Paradijs, Als 't gansche schepslental in zuivre harmonieën Zijn stem gaf, naar zijn aard en elk op zijne wijs: De wakkre nachtegaal met slepend-schel gcorgel Bezielde door zijn kunst het ovrig zangrental, Hem stekend naar de kroon met onvermociden gorgel, Dat de echo antwoord gaf op 't jublend vreugdgeschal..

Het zachte windgesuis: het lisplen, fluistren; 't plonzen, 't Gekabbel en geklots in dartlcn stroom en vliet; 't Gebrul, gebriesch, geblaat en 't blaiïen, brommen, gonzen, 't Smolt alles in een schoon, vcel-duizcndstemmig lied; En 't eerste menschenpaar, wier luistrend oor mocht vangen Dien wondren tonenvloed.hun streelend zin en geest, Verheerlijkte in dien stond met reine liefdezangen Zijn God, Die hen verbond op 't eerste bruiloftsfeest.

Thans rijzen van deze aard veel doffe treurgezangen En schettert de klaroen op 't bloedig oorlogsveld, Moet dikwerf 't boetelied den blijden rei vervangen, En is 't verslagen hart als't speeltuig zelf ontsteld.

Toch vaak ook smelt het weg in zalig-zoete ontroering, Als bij zacht toongeruisch het biddend opwaarts zweeft.

Of met een dondergalm in zaal'ge geestvervoering Zijn Schepper, God en Heer eerbiedig hulde geeft.

Looft, al wat adem heeft! in juichende choralen Den Koning van 't heelal. Met cither, harp en luit, Met orgel en bazuin, met trommel en cymbalen Geev' 't menschdom Hem al de eer en galm' Zijn glorie uit!

Blijf, godd'lijke muziek! in zilvren stroomen klaatren: Gij zijt voor de eeuwigheid: met jublend lofgeschal Rolt uit der zaal'gen mond een stemme veler waatren Tot eer van Hem, Die is. Die was en wezen zal!

In den dienst zingt de gemeente, dan komt de muziek uit de ziel, en mag het orgel alleen begeleiden, leiden, en steunen, en moet het niet zelfstandig willen optreden. Maar vóór den dienst is een niet te lang orgelspel, dat inleidt op den dienst kostelijlc, mits de muziek dan ook daarop gericht zij.

Vangt zulk orgelspel dan zacht aan, om niet te plotseling te storen, en neemt het alzoo rustig de zielen op, om ze te verheffen, en op de ontmoeting des Heeren voor te bereiden, dan vervult het orgel in dit stadium zijn eigenlijke roeping, een roeping waarin het orgel door niets anders vervangen kan worden.

En al weten we nu, dat we door dit ons oordeel eenigermate ingaan tegen de dusver heerschende zienswijze, toch mochten we daarom ons oordeel niet verzwijgen.

De broederen die hier dusver anders over oordeelden mogen daarom gebeden zijn, ook dit vraagstuk aan liet beginsel te toetsen, en zich af te vragen, of zij zelven betuigen kunnen, dat de thans meest geldende opinie strookt met het Gereformeerde beginsel van „een vergadering der geloovigen", strookt met de „gemeenschap der heiligen", strookt met wat de apostel van „den heiligen kus" zegt, strookt ook met de eischèn van natuur en leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Onze Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken