Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Pers.

10 minuten leestijd

Uit de Christelijke Schoolbode nemen we hier over het uitmuntend en keurig pleidooi door den heer Wiersinga van Meppel onlangs op de vergadering van Christelijk Onderwijs over de ï^eahtgit van het „spreken Gods" gehouden.

VoDrnamelijk gaat de quaestie over het spreken Gods. Hoe geschiedt dit? In de Sclirift is sprake van tweeërlei spreken Gods, ten eerste: een spreken met woorden (revelatio verbalis) en ten tweede: een spreken door de omstandigheden (revelatio realis). Wie het eerste ontkent, loochent de waarheid der Schrift.

Welk verschil bestaat er nu tusschen beide wij­ zen, waarop God spreekt. In de revelatio verbalis zijn de woorden niet door menschen gekozen, maar door God zelf God spreekt met hoorbare stem tot het volk op Horeb, Deut. 5 vers 23. »En het geschiedde als gij die stem uit het midden der duisternis hoordei." Dit gaat gansch en al tegen het beweren van den heer M. in, die nog wel zegt: »Het woord hoorbaar staat in den geheelen bijbel niet, want het is geen bijbelsche gedachte" wat Spreker met aanhalingen weerlegt.

Numeri 7 vers 89 noemt zelfs de plaats, vanwaar de toespraak geschiedde: Mozes hoorde een stem tot hem sprekende van boven het verzoendeksel.

Past dit nu op eene inspraak? Is, wanneer de plaats genoemd wordt, vanwaar de stem geschiedt, hier te denken aan eene inwendige stem in de ziel des menschen? In het N. Testament wordt op verschillende plaatsen van hoorbaar spreken gesproken. Denk slechts aan Mattheus 17 vers 5 en 6, en aan den 2den brief van Petrus, hoofdstuk i vers 17 en 18.

Hiermede meent spreker aangetoond te hebben, dat in den bijbel vaak van hoorbaar spreken sprake is. Ook van inspraak wordt melding gemaakt. Als Samuel uitgezonden is om een koning over Israël te zalven in Jesse's huis, dan ziet hij Eliab, en, lettende op de omstandigheden, meent hij, dat hij dezen krachtigen man moet zalven. Maar God spreekt tot hem: »Zie de hoogte zijner statuur niet aan." Deze inspraak is en blijft echter een relatio verbalis, want niet de mensch, maar God stelt de woorden vast. Gebeurt hetzelfde niet bij en door ons zelf, wanneer we onszelven iets verwijten, of aanraden onszelf vermanen? Gebeurt iets dergelijks niet in den magnetischen slaap, wanneer het sujet, door den magnetiseur daartoe inwendig aangespoord, dingen schrijft, .waarvan het zich zelf onbewust is. Tegen de duidelijke gegevens der H. S. gaat het dus in, wanneer de heer M. meent, dat God steeds door de omstandigheden spreekt. Bij Eliab spraken de omstandigheden immers iets geheel anders, dan Gods stem tot Samuel zeide.

Men werpt mij tegen, dat de heer M. niet heeft gegeven dan eene voorstelling, en ge zult toch wel erkennen, dat er meer dan eene voorstelling mogelijk is? Zeker erken ik dat. Wanneer men echter loochent, zooals door den heer M. geschiedde, dat de woorden in de revelatio verbalis door God zelf zijn gesproken, dan is deze voorstelling onwaar, wijl zij in strijd is met de voorstelling van den bijbel, die de eenig ware is. Zij loochent derhalve de historische betrouwbaarheid der H. Schrift, en komt dus in strijd met onze statuten. Lichten we dit met eenige voorbeelden toe.

De Heer had tot Abraham gezegd: »Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal." ))Zoo"zegtde heer M., ))verstond Abraham Gods stem, toen er gras ontbrak." Stond er nu niet meer bij, dan was de voorstelling van den heer M, niet ongerijmd, ofschoon er niets van in de Schrift staat. Ze zou zeer wel de ware kunnen zijn.

Maar zoo staan de zaken niet. Er staat meer.

En hoe kan Abraham uit de omstandigheid, dat er geen gras is, hooren, dat God hem zal maken tot een groot volk, dat in zijn zaad alle geslachten des aardrijks zullen gezegend worden? En Paulus verwijst zelfs naar het woord »en in uw zaad" in Galaten 3, waar hij zegt: »Hij zegt niet denzadew als van vele, maar den zaAe als van een, hetwelk is Christus." Is hier M.'s voorstelling niet de ongerijmdheid zelf?

Komen we tot de naamsverandering. Abram en Sarai zegt de heer M. komen in een land, waar hunne namen eenigszins gewijzigd door het dialect «Abraham" en »Sara" worden uitgesproken. Hierin hoort hij dan de stem Gods, die hem zegt, dat hij een menigte der volken zal gewinnen en dat Sara dus een zoon zal krijgen. Alles zeer wel mogelijk, wanneer er niet meer bijstond; maar hoe kan hij uit deze dialectische uitspraak de instelling der besnijdenis vernemen, hoe kan hij er uit weten, dat Israaël 12 koningen tot nakomelingen zal hebben. Is het niet ongerijmd dit te willen.vinden in een gewijzigde uitspraak van zijnen naam. Deze zelfde ongerijmdheid vinden we in M.'s verklaring van de oüferande. Ook hier loochent de heer M het spreken Gods. Het zou, ofschoon spreker hier huivert, nog niet ongerijmd zijn in de gruwelijke zonden der heidenen het spreken Gods te zien. Maar wel is het dit, wanneer men in die zonden wil hooren: Ga naar Moria.

En ten slotte de vraag: »Voelt de heer M. deze ongerijmdheid niet? " Ja zeker. En hoe redt hij zich dan? Door de inspiratie der Schrift te ontkennen. De heer M. toch zegt, wanneer hij in Genesis 15 op zijne manier het spreken Gods heeft verklaard: »De steller van het verhaal voegt er bij, dat ze 400 jaar in Egypte zullen zijn. Had hij later geleefd, hij, zou ook van de 70-jarige ballingschap hebben gesproken." Hiermee geeft hij de betrouwbaarheid der Schrift prijs.

Is dit artikel «Abraham de Aartsvader" nu de eenige uitlating van dien aard? Neen, zijne «Profeten" leeren ons, dat op andere bijbelsche persoden hetzelfde wordt toegepast. Let slechts op M.'s definitie van een profeet. «Een profeet is een man, die het wezen der dingen ziet, in de omstandigheden de stem Gods hoort en dan zegt: «Zoo zegt de Heere." Ziehier hetzelfde in M.'s beschouwingen over Samuel's roeping. Er is een bode tot Eli gekomen, om te spreken van oordeel. Samuel heeft het gehoord. Wanneer hij nu op zijn bed ligt en uit den slaap gehouden wordt door het getier der dronken wijven in den tempel, overdenkt hij, wat hij heeft gehoord en dan wordt hem zijn roeping bewust. «En dan zijn gaan naar Eli!" «Wel" antwoordt de heer M. »is er zooveel wonders in, dat een jongere een oudere om raad vraagt en met moeilijkheden tot een verder gevorderde de toevlucht neemt? "

We kennen de geschiedenis van i Kon. 13. de geschiedenis der beide profeten te Bethel. Wat zegt de heer M, hiervan? «Indien gij nu meent, dat het altaar scheurde en de asch werd uitgestort en des konings arm verlamde op het woord van den profeet, dan zou dit wel op een betoovering lijken!" Is het dan niet gebeurd ? «Ja zeker, " antwoordt M. «door het woord van den profeet kwam er scheuring tusschen de offeraars, sommige kozen vóór hem, andere voor den koning (dit is de scheuring van het altaar; ) door de oneenigheid, die hierdoor ontstaat, komt er gewoel en gedrang en hierdoor wordt de asch van het altaar gestort. De koning wil den profeet laten grijpen, maar de oneenigheid onder het volk verlamt zijn hand. De profeet is echter in het land Israël niet veilig, hij gaat dus in geen huis en eet geen brood; wanneer hij gevlucht is en de gemoederen bedaard zijn, krijgt de koning weder macht (zijn hand komt weder tot hem.) De leeuw, die den profeet verslaat, was een man. Hoe verklaart dan de heer M. dat er staat: «De leeuw heeft den profeet niet gegeten, noch den ezel gebroken." Waren de Israëlieten dan kannibalen, dat uitdrukkelijk vermeld moet, dat deze strijdbare held (leeuw) den profeet niet heeft opgegeten? «Hoe kan Jesaja uit de omstandigheden opmaken, dat Hiskia nog 15 jaar zou leven? «Datheeft hij ook niet" zegt de heer M. want er staat, dat niemand het uur van zijn dood weet, wat Hiskia wel zou geweten hebben, indien Jesaja hem nog 15 verdere levensjaren had voorspeld.

Wat blijft er zoodoende over van de betrouwbaarheid der H. S.? O, broeder Merekens, ik zou u willen vragen hier voor God en deze vergadering, neem die woorden terug, verscheur hier uwe geschriften.

Gelooft de heer M. dan niet aan de inspiratie?

«Ja zeker" zegt men, «hij heeft het publiekelijk geschreven, dat hij er aan gelooft, zelf§ ^an de in= spiratie der vertaling, " M^ar juist hieruit blijkt, dat M. en wij met inspiratie niet hetzelfde bedoelen en daarop komt het aan. We leven in een tijd, dat we elkander moeten nameten. Vraag den modernen predikant, of hij gelooft aan de opstanding, aan de uitstorting des H. Geestes, en hij zal u volmondig »ja" antwoorden. Hij bedoelt met die woorden echter iets geheel anders dan wij. Spr. heeft nog nooit een ernstig mensch ontmoet, die de inspiratie der H. S. loochent. De heer M. doet dit blijkens zijne verklaring ook niet. Dr. Daubanton schreef eens: »De gedichten van Da Costa zijn even goed van God ingegeven als de psalmen Davids." Iets dergelijks zegt M. met betrekking tot de vertaling. En daar zijn we er; wie te veel bewijst, bewijst niets. Onder het woord inspiratie met betrekking tot de H. Schrift verstaan we, dat de H. Geest de pen der schrijvers zoo richtte, dat na het wegvallen ervan, de boekrollen evengroote vastheid hadden, als wanneer ze ontstaan waren door een scheppingsdaad van God. De schrijver valt bij de inspiratie geheel weg. God is het, die schrijft door middel der heilige mannen. Zoo is het niet met Da Costa, zoo is het niet met de Statenvertaling.

Maar weet ge dan niet, dat er sprake is van een man van 40 jaar, die een zoon had van 42, dat omtrek en middellijn van de koperen zee niet op elkander kloppen? Daarom gaat het echter niet.

'k Heb niet beweerd, dat er bij het overschrijven der manuscripten, niet hier en daar een fout kan ingeslopen zijn. Neen, de H. Schrift heeft een geschaafden rand, maar is een gouden drinkschaal, de schriftcritiek is ook een drinkschaal, maarniet van goud. Ze heeft echter evenzeer een geschaafden rand.

Men heeft gezegd: «Gij wilt de ethischen uitdrijven!" Laat mij hiertegenover stellen de pertinente verklaring, dat ik geloof, dat zoowel gereformeerden als ethischen in onzen kring gelijke rechten hebben. Dit is niet eene goedkoope verklaring, maar ik kan u dit mietterdaad bewijzen.

Denk slechts aan de stemming waarbij 3 gereformeerde broeders werden gekozen om zitting te nemen in het H. B. Spreker was een van de drie; maar hij heeft de benoeming niet aangenomen, omdat hij de gehouden stemming voor eene partijstemming hield en zich daartoe niet wou leenen.

Een ieder Christelijk onderwijzer, die op den bodem der statuten staat, heeft recht op het lidmaatschap; maar hij sta dan op den bodem onzer statuten.

Ieder kenner zal toestemmen, dat deze spreker namens het Hoofdbestuur zijn taak niet wel uitnemender kon vervullen, dan dit aan broeder Wiersinga gegeven is.

Stellig verhoogt het den dunk dien men omtrent onze Christelijke onderwijzers behoort te hebben, waar uit hun midden zoo zaakrijk en zoo degelijk pleidooi over zoo ingewikkeld probleem gehoord werd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken