Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

17 minuten leestijd

DERDE REEKS.

LUI.

Want Hij zal zijne engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in alle uwe wegen.

Ps. 91 : n.

De „gemeene gratie" komt alzoo niet enkel zijdelings met de Voorzienigheid in aanraking, maar wordt geheel door Gods Voorzienig bestel omsloten, en komt er uit op. Mag dan ook de Gereformeerde Dogmatiek zich zuiver in haar lijnen ontwikkelen, dan zal de „gemeene gratie", zoolang ze nog geen eigen plaats veroverde, ten principale onder het stuk der Voorzienigheid te behandelen zijn. Intusschen laten we ons hierover te dezer plaatse niet verder uit. De goede rangschikking van de onderscheidene stukken der waarheid in de Dogmatiek stelt den geleerde voor een zoo uiterst moeilijk en ingewikkeld vraagstuk, dat het zeer twijfelachtig is, of men anders dan door vele geleidelijke overgangen uit de dusver zoo gebrekkelijke indeeling en slecht geregelde volgorde het principieel juiste en in elk opzicht steekhoudende zal bereiken; doch in geen geval is deze moeilijke quaestie tot klaarheid te brengen in een populair betoog. We bepalen er ons daarom toe, om te wijzen, op het onafscheidelijk verband tusschen de „gemeene gratie" en de Voorzienigheid, al spreekt het vanzelf dat we daarbij het begrip van Voorzienigheid beperken tot de instandhouding en regeering der dingen van den val af tot aan het laatste oordeel. Niet, gelijk we uitdrukkelijk opmerkten, alsof we loochenen zouden, dat de Voorzienigheid ook daarachter ligt en daarna voortduurt, maar omdat de werking der Voorzienigheid zich aan ons alleen onder het dubbele teeken van vloek en genade, van toorn en van gratie voordoet. Zonderen we daarbij nu het werk der particuliere genade uit, overmits dit wel door het Voorzienig bestel is heengeweven, maar toch gemeenlijk bij de leer aangaande den Christus en de redding van zondaren afzonderlijk aan de orde komt, dan is het met name de „gemeene gratie", die in de leer der Voorzienigheid haar natuurlijke plaats vindt, en die principieel, gelijk we zagen, te herleiden is tot Gods Voorzienig bestuur ook in de geestenwereld. Alleen doordien ook de duivel en demonen zich „niet roeren noch bewegen kunnen" zonder Gods wil, was het mogelijk de doorwerking van „zonde en ellende" in haar vaart te stuiten, en alzoo de gemeene gratie mogelijk te maken.

Algemeene onderstelling is hierbij, dat ons mensehelijk leven met het leven der geestenwereld in nauw verband staat, in veel nauwer verband zelfs dan gemeenlijk wordt opgemerkt. Een iegelijk onzer erkent dat verband bij den val in het paradijs, en geeft ook toe, clat er nu en dan nog satanische invloeden op ons werken; maar voor het overige is de inwerking van de geestenwereld op ons leven voor de meesten een gesloten boek. Rome had die inwerking veel krachtiger voor het zielsbesef doen leven, maar ze te kwader ure ingeschoven tusschen den Heiland en onze zjel, en overmits op die wijs aan de geheel eenige eere v^n den Christus afbreuk werd gedaan, heeft de Hervorming toen terecht de engelenverheerlijking en het inroepen van der engelen voorbede teruggedrongen, edoch zonder ook zelfs een poging te wagen, om voor de verkeerde voorstelling van de inwerking der geesten op ons leven een juiste en betere voorstelling in de plaats te stellen. En de latere Godgeleerden hebben wel, nu en dan, als ze afzonderlijk en opzettelijk de leer der engelen bespraken, een en ander erkend en beleden, dat deze leemte kon aanvullen, maar tot een principieele opvatting is het toch niet gekomen. Gevolg waarvan was, dat op de catechisatie zoogoed als nooit, en in de predikatie niet dan uiterst zeldzaam op dit gewichtig stuk gewezen werd, en zoo uit het zielsbesef der Protestantsche Christengn de inwerking der geesten bijna spoorloos verdwenen is. Iets wat te sterker in het oog springt, waar de Schriftuur ons een zoo geheel andere voorstelling aanbeveelt, en met name bij Jezus en bij zijne apostelen zoowel de inwerking van de booze geesten als van de goede engelen een zeer breede plaats in hun onderwijs inneemt.

In ons „ Tractaat over de Engelen Gods" is hier dieper op ingegaan, en voor de bijzonderheden mogen we hier dan ook na^r d^t Tractaat verwijzen; iT)a4r dit ontslaat ons niet van den plicht, om meer bijzonder wat de „gemeene gratie" betreft, dit stuk thans nader ter toetse te brengen. Er is, dit lijdt geen tegenspraak, tweeërlei van God uitgaande werking, ÓLQ. éér\^ zonder het gebruik van tusschenkomende middelen, en de ander met en door het gebruik van middelen. Reeds de tegenstelling van de Schepping en de Onderhouding aller dingen maakt dit duidelijk. Bij de Schepping geldt de regel, dat „de dingen die gezien worden, geworden zijn uit ongeziene dingen", of, wilt ge, de regel van Rom. 4, dat „God roept de dingen die niet zijn alsof ze waren". Het is deze ^«middellijke werking Gods, waarvan de Psalmist jubelt, dat „God spreekt en het is er, gebiedt en het staat er", want dat „door het Woord des Heeren de hemelen gemaakt zijn, en door den Geest zijns monds al hun heir." Er mag dan ook bij de Schepping noch aan emanatie, noch aan evolutie worden gedacht. Scheppen is juist het door een machtwoord, zonder tusschenkomend middel, tot aanzijn roepen van wat er eerst niet was. Niet in volstrekten zin een „schepping uit niets", want uit niets kan nooit iets komen, en in zooverre is dat „uit niets" een valsch zeggen, dat dan ook nergens in de Schrift voortkomt. De Schepping komt niet uit niets, maar uit de almacht Gods. Maar bedoeld wordt met die „schepping uit niets" dan ook alleen, dat het was een voortbrengen van het bestaande niet uit iets dat reeds bestond, maar eeniglijk uit de almacht Gods, en zoo leert ook de apostel het in Hebr. 11. Een schepping „door het Woord Gods", en niet uit iets dat aanzijn had. Er is alzoo geen twijfel of in de Schepping hebben we te doen met een volstrekt onmiddellijke werking van Gods almachtigheid.

Even ontwijfelbaar intusschen is het, dat er naast deze onmiddellijke werkingen Gods andere middellijke werkingen bestaan, d. w. z. zoodanige werkingen, waarbij God zich voor zijn doel bedient van reeds bestaande dingen ; en het is juist deze wijze van werken, die in het Voorzienig bestel Gods regel is. Immers Voorzienigheid is in de eerste plaats „instandhouding", en instandhouding onderstelt het bestaande. Hiermee is niet beweerd, dat er in de Voorzienigheid Gods ook geen onmiddellijke werkingen zouden zijn. Integendeel kunnen de grondkrachten van al wat bestaat nooit anders dan onmiddellijk op de almachtigheid Gods rusten. Deze grondkrachten zijn, als we ons zoo mogen uitdrukken, de fundamenten, waarop heel het gebouw van het heelal rust, en het spreekt wel vanzelf, dat deze fundamenten zelve niet anders rusten kunnen dan onmiddellijk op de almacht Gods. Ook moet toegestemd, dat er in alle organische leven een innerlijk drijvende kracht op de levenskiem werkt, die niet anders dan de onmiddellijke werking van Gods almachtigheid kan zijn, Telkens stuit men bij alle onderzoek ten slotte altoos op een mysterie, dat alle verder naspeuren van oorzaak en gevolg afsnijdt, en ons telkens weer de overtuiging schenkt, dat er ten slotte op den diepsten bodem van alle dingen een kracht werkt, die de onnnddellijke kracht Gods moet zijn. En wat vooral niet vergeten mag worden, als we van de zichtbare dingen overgaan tot de onzichtbare, en het innerlijk leven van den geestelijken mensch in zijn genie en talent, in zijn liefde, in zijn wedergeboorte en heiliging bespieden, dan is het de stellige leer der Heilige Schrift, dat we ook hier staan voor onmiddellijke werkingen Gods in het zielsleven, ten slotte opgevoerd tot de inw'oning in ons van God den Heiligen Geest,

Maar al 4enken we er uit djen hoofde van verre niet aan, de onmiddellijk? werkingen van Gods krachten tot de Schepping te willen bepalen, te ontkennen valt toch niet, dat in het gewone bestuur van Gods Voorzienigheid die werkingen middellijk plegen te zijn, en dat het valsche denkbeeld, alsof God in zijn middellijke werking minder groot van majesteit zou zijn, geen oogenblik mag gekoesterd, maar principieel moet bestreden worden. En dit laatste is noodig, want dit denkbeeld houdt no.g velen onder ons op. Ter bestfijding hiervan nu behoeft alleen gewezen te worden op het Middelaarschap van den Christus. Er is een voorstelling die lipfst qlleen n^et rechtstreeksghe werkingen van den Heiligen Geest te doen heeft, en feitelijk den tusschenschakel van den Zoon daarbij terugdringt. In de Grieksche kerk is dit zelfs zoover gedreven, dat ze den uitgang van den Heiligen Geest „ook uit den Zoon" niet heeft willen aanvaarden. Maar dit is de voorstelling van de Heilige Schrift niet. De Schrift betuigt ons steeds dat alle werking van den Heiligen Geest aan den Zoon gebonden is. Jezus zelf sprak het uit; „De tjeilige Geest zal het uit het mijne nemen, en het u verkondigen." En hierop moet temeer nadruk gelegd, omdat door de uitbreiding van onze natuurkennis o, zooveel, waarbij men eertijds aan geen tusschen­ komend middel dacht, van achteren blijkt toch welterdege door een tusschenkomend middel te geschieden. Hoe menige krankheid is er b. v. niet, waarvan men zich in oude dagen voorsx^idc, " dat ze plotseling en onmiddellijk door God in ons lichaam gewerkt werd, en waarvan toch van achteren uitkwam, hoe God bij het ons toebrengen van die krankheden zich bedient van allerlei giftige elementen of giftige diertjes, die men bacillen en microben noemt. Hoelang heeft men niet in de bliksemflits een vuurvonk gezien, die men dacht dat God rechtstreeks en onmiddellijk door het zwerk slingerde, totdat men op de toppen der bergen, tusschen de electrisch bezwangerde en vonkende wolken doorwandelend, met eigen oogen zag, hoe de flits zich vormde uit eerst gespreide bestanddeelen, en hierdoor beter ingelicht, de zaak is gaan bestudeeren en nu genetisch begrijpt.

Dit nu gaat steeds verder door. Telkens blijkt opnieuw hoe allerlei verschijnselen, die men eerst aan de onmiddellijke werking Gods toeschreef, metterdaad allerlei tusschenkomende middelen achter zich hebben, waardoor God ze werkt. Heeft men zich nu te kwader ure gewend, om wat middellijk geschiedt te onderschatten, alsof alleen in het onmiddellijke de majesteit Gods uitblonk, dan krimpt op die manier de openbaring van Gods majesteit al meer in, wordt door de meerdere natuurkennis het veld der religie al kleiner, en komt men tot het resultaat, dat de één met natuurkennis gaat dwepen, maar zijn oog voor Gods majesteit sluit, terwijl de ander, om de eere zijns Gods hoog te houden, de natuurkennis als een zwarte kunst, die uit den Booze is, haat. Ziet men daarentegen helder in, dat beide én Gods onmiddellijke én Gods middellijke werkingen even majestueus en verheven zijn, en dat het Gode behaagd heeft, zich in beide te verheerlijken, dan valt alle strijd tusschen de zich uitbreidende natuurkennis en de rehgie weg, en leidt ze er uitsluitend toe, om met het oog op bepaalde verschijnselen, de werkingen Gods eenigszins anders en nu meer naar waarheid, en zuiverder, te gaan inzien.

En hier nu doet zich de vraag bij voor, of er niet buiten het breede veld, dat de natuurkundige wetenschap onderzoekt, nog een ander ' dieper liggend terrein is, waarop God zich van heel andere tusschenkomende middelen bedient, dan die de natuurkunde kan naspeuren, en of het niet de geesten of engelen zijn, die juist op dit terrein hun eigenlijke roeping van God ontvingen. Het geestelijke en het stoffelijke komen hierbij iJ^Zfafe in aanmerking. Dat' er nu zekere inwerking uit de geestenwereld op ons geestelijk leven plaats grijpt, valt met de Schrift in de hand niet wel te ontkennen. Reeds de bede die Jezus ons in het Onze Vader op de lippen legde: „Leidons niet in verzoeking, maar verlos ons van den Booze", wijst hier het pleit uit. Jezus zelf is in de woestijn van Satan aangevochten geworden. Van Petrus verklaarde zijn Meester nadrukkelijk: „De Satan heeft zeer begeerd u te ziften als de tarwe"; en de apostelen wijzen er ons in allerlei bewoordingen op, dat we den strijd niet met vleesch en bloed, d. i. met menschen, hebben, maar met de geestelijke boosheden in de lucht. De Satan gaat nog, zoo leert ons de Schrift, ook na het op Golgotha volbrachte offer, om als een brieschende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden. En als in de Openbaringen de eindcatastrophe wordt geteekend, komt in die teekening zelfs de ontzettende voorzegging voor dat Satan eenmaal nog met volle kracht zal worden losgelaten, om eerst daarna voorgoed gebonden, en geworpen te worden in den poel des vuurs. En wat de goede engelen betreft leert de Schrift ons evenzoo, dat ze tot dienst bestemde geesten zijn, die uit worden gezonden om dergenen wij die de zaligheid beërven zullen; w-ees Jezus er op dat de kinderkens de heerlijkheid bezitten, d^t hun engelen allen dag zien het aangezicht van hwi^ V^der die in de hemelen is; en Paulus betuigt ons dat de engelen zich nog steecjs met de openbaring des geestelijken levens in de gemeente bezig houden, gelijk Jezus betuigd had, dat ze juichen in den hemel om elk zondaar die bekeerd wordt. Van de goede engelen wordt ons dan ook in de Apocalypse gezegd, dat ze met en onder Jezus den strijd tegen de booze geesten doorzetten, en eens op gelijke wijze deel zullen nemen aan de laatste worstehng-Reeds op zichzelf ware; c^an QQIÏ moeilijk aan te n^n'^en, dat vvej de kwade engelen ZQO, ver rei'kenden invloed zouden uitoefenen, maar dat hiertegenover de goede engelen werkeloos en weerloos zouden staan. Blijkt eenmaal op onloochenbare wijze, dat de kwade engelen de oorzaak zijn van veel dat op aarde verzondigd wordt, en volgt hieruit dat het in de natuur en de be­ stemming der engelen ligt, om instrumenten te zijn, waarvan G-.d zich bij de bestiering der dingen op aarde bedient, dan zou hieruit, , ook zonder nadere aanwijzing, reeds met genoegzame zekerheid volgen, dat ook de goede engelen als instrumenten in de hand des Heeren zijn. Wat kracht toch de kwade engelen op aarde mogen uitoefenen, reeds het verhaal van Job leert ons, dat ze dezen invloed nooit anders dan in dienst van God kunnen oefenen, met zijn gedoogen, en niet dan naar zijn wil. Ook de leer der kwade en der goede engelen moet alzoo rechtstreeks met de Voorzienigheid Gods in verband worden gebracht. Uit alles blijkt toch, dat ook zij beiden instrumenten zijn, door wie God zijn wil uitvoert.

Is dit nu waar op geestelijk gebied, dan kan met de Schrift voor on.s, evenmin ontkend, dat deze geesten ook op stoffelijk gebied zekeren instrumenteelen invloed uitoefenen. Van zoodanigen invloed komt in het Oude en Nieuwe Testament meer dan eens het verhaal voor. Denk slechts aan den engel die de Egyptenaren sloeg, aan den engel die het leger van Sanherib vernietigde, en zoo ook in het Nieuwe Testament aan de booze geesten die vele lichamen beroerden en de zwijnen deden storten in de zee van Genesaret. Ook het zeggen van Jezus, dat op zijn gebed zijn Vader hem meer dan twaalf legioenen engelen kon bijzetten, doelde op stoffelijke macht die door deze geesten kon worden uitgeoefend. En staat het hierdoor vast, dat in buitengewone gevallen zulk een uitwendige actie metterdaad van deze geesten is uitgaan, dan is het, op zijn zachtst genomen, alleszins waarschijnlijk, dat dit buitengewone zijn grond vindt in het gewone, en aanwijzing is van zekere instrumenteele werking, die in het Godsbestel ook op stoffelijk gebied door geesten wordt gewerkt; zooals dan ook de Cherubs in de Openbaring voorkomen, als dragers van de almachtigheid, en alzoo van de krachten Gods.

Nu kan intusschen noch de zielkunde noch de natuurkunde, langs den eenig zuiveren weg der empirische ontleding deze inwerking der geesten op ons geestelijk en stoffelijk aanzijn vaststellen. Dit overschrijdt het perk van ons vermogen. Op grond der Schrift, d. i. der Openbaring, kan een en ander voor ons vaststaan, en nadat dit alzoo voor ons op grond der Openbaring vaststaat, kan onze zielservaring grond te meer meenen te hebben, er iets van te ontdekken, maar tot een verklaring of ontleding van deze inwerkingen brengen we het niet. Daartoe heeft men vroeger wel gepoogd te komen, en ten deele beproeft het Spiritisme dit thans weer, doch dit ligt alles op de lijn der guichelarij, waartegen Gods Woord zoo ernstig waarschuwt, ons bevelende om tevreden te zijn met wat ons geopenbaard is. Het gordijn mag van voor die mysteriën niet door ons worden weggeschoven. Maar wat we wel mogen en moeten doen is, constateeren, dat ook de zielkunde, en evenzoo de natuurkunde, zoodra ze zekere lagen van onderzoek hebben afgeloopen, ook harerzijds erkennen op een mysterie te stuiten. Als men afdaalt tot den ondergrond van het leven en van alle aanzijn en van alle krachten, is er ten slotte aldoor een punt, waarbij men met zijn onderzoek niet verder voort kan, en de onmacht van zijn vorschenden geest te belijden heeft. Eerlijke zielkundigen en eerlijke natuuronderzoekers erkennen dan ook gulweg, dat hun onderzoek tot op zekere diepte gaat, maar dat zoodra ze nóg dieper pogen door te dringen, de gewone gegevens van onze menschelijke kennis hen in den steek laten. Juist als men aan de diepste problemen van het leven en het aanzijn toekomt, kan men niet verder, en staat men voor het gordijn, dat het mysterie des levens verbergt. De twee resultaten passen alzoo volkomen op elkander. Eenerzijds het resultaat van het Sqhriftonderzoek, dat ons wijst op verborgen instrumenteele werkingen uit de geestenwereld, maar die als een mysterie tegenover ons blijven staan; en anderzijds het resultaat van de ziel-en natuurkunde, dat ons eveneens verklaart, hoe ten slotte alle onderzoek stuit op een mysterie, dat verder onderzoek afsnijdt.

Hieruit nu vjoeit vanzelf de gevolgtrekking voQrt, dat het middellijke gebied van het Godsbestuur veel, veel breeder en uitgestrekter blijkt te zijn, dan wij ons gemeenlijk voorstellen, en dat we derhalve geheel bezijden de waarheid gaan, zoo we deze middelijke werking Gods ook maar eenigszins onderschatten of lager stellen dan zijn rechtstreeksche werking. Maar dan ook dat het niet aangaat de „gemeene gratie" ons te willen voorstellen, als iets dat rechtstreeks toegaat, overmits iategendeel ook bij de gemeene gratie te letten is op den instrumenteelen dienst dien de geesten in het gemeen uitoefenen. Zien we in het Paradijs bij den val, dat deze val alleen tot stand komt doordien er een werking ter verleiding uit de geestenwereld intreedt, dan is het duidelijk dat de stuiting van de doorwerking van dit kwaad vanzelf moest intreden, zoodra God de Heere de inwerking dier booze geesten op deze wereld inbond en beteugelde. Tegenover den mensch in den staat der rechtheid werd, omdat hij zooveel sterker stond, de werking dier geesten in haar volle kracht toegelaten. Maar nauwelijks is de mensch in zijn geestelijk wezen verzwakt, zoodat het niet anders te voorzien was, of hij zou er opeens onder raken, of God breidelt de werking der booze geesten, vermindert ze in kracht, en brengt alzoo teweeg, dat het innerlijk en uiterlijk verderf niet met zulk een geweld doorga. Het is God die zijn schild opheft, om den gevallen en in zijn kracht gebroken mensch tegen de nu voor hem onweerstaanbare overmacht van de booze geestenwereld te beschermen.

In dit verband is het alzoo aan geen twijfel onderhevig, of de eerste ritseling van de gemeene gratie ligt buiten deze wereld, in de ^^^j/^«wereld. God, bedoelende het verderf te stuiten, stuit de bron waaruit het gif ons toevloeide; niet geheel, maar gedeeltelijk, d. w. z. in zoover, dat Satans geestelijke inwerking op ons leven niet langer ten eenenmale vernietigend zou zijn. Of dit nu plaats greep, en nog plaats grijpt, doordien God het tegenwicht van de werking der goede geesten versterkte, of wel alleen doordien Hij de krachtsopenbaring der booze geesten belette zich zoo te roeren en te bewegen, als ons finaal zou geruïneerd hebben, zij daarbij in het midden gelaten. Beide is denkbaar, ook kan beide tegelijk waar zijn geweest, en nog zijn. Maar in elk geval gaat het niet aan, dit breidelen van de macht des verderfs uitsluitend op geestelijk gebied aan te nemen. Gaat de instrumenteele dienst der engelen (zoo goede als kwade) zoowel op geestelijk als op stoffelijk gebied door, dan staat de vloek, en al wat in dit ontzettende woord besloten ligt, evenzoo met mystieke werkingen uit de geestenwereld in verband, en beduidt de daad waardoor God het doorgaan van de booze werking stuitte, niet alleen dat ons zielsleven ontlast, maar ook dat ons uitwendig leven verlicht werd in het dragen van den vloek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 juni 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken