Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Dan de gemeene Bratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dan de gemeene Bratie.

18 minuten leestijd

DERDE REEKS.

LIV.

Want we hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbersderwei-eld, der duisternis dezer eeuw, tégen de geestelijke boosheden in de lucht. Ef. 6 : 12.

Onze gedachtengang was alzoo geleidelijk deze: Reeds uit het „Onze Vader" blijkt dat er op deze wereld werking uitgaat van de gevallen engelen; dit moet uit dien hoofde ook het geval zijn met de engelen die niet vielen. Derhalve zijn deze millioenen en millioenen van geesten instrumenten, waarvan God zich bij het bestuur van deze wereld bedient. En ook, dit instrumenteele gebruik van deze geesten kan zich niet bepalen tot onze geestelijke natuur, maar moet ook het stoffelijk deel der schepping raken; immers het stoffelijke hangt organisch, met het geestelijke saam. Onze ziel is niet in het hchaam geschoven, gelijk ge uw lichaam in uw gewaad schuift, maar de fijne eindtopjes onzer zenuwen staan in rechtstreeksch verband met de ziel. In zake de „gemeene gratie" moet uit dien hoofde worden vastgesteld, dat zij in haar uitgangspunt hierin bestaat, dat het God belieft, eenerzijds de noodlottige inwerking van de booze geesten te stuiten of te beteugelen, zoo wat bederf als vloek, zoo wat zonde als ellende aangaat; en om anderzijds den weerstand van de niet gevallen geesten tegen het Booze op zeer breed terrein te sterken.

Nader bepalen kunnen we de wijze van deze inwerkingen en haar gradueel verschil, zeker niet. Dit alles ligt voor ons gehuld in het mysterie. Maar hoe ondoordringbaar dit mysterie ook voor ons zoekend oog zij, het blijft daarom niettemin vaststaan, dat een iegelijk Christen mensch, die nog het „Onze Vader" bidt, en die in dit heerlijk gebed nog smeekt om „verlossing van den Booze", het feit dier inwerking erkent, en dat hij voorts in heel de Schrift, zoo van den kant der booze als der goede engelen, beide op geestelijk en op stoffelijk gebied, die inwerking bevestigd vindt. Dit mysterie te willen loochenen is deswege niets dan onverdedigbare inconseqentie. Het valt nu eenmaal niet tegen te spreken, dat én Christus én zijn apostelen, én diensvolgens ook de Schrift, ons telkens op dit instrumenteel gebruik dat God van deze millioenen geesten maakt, heenwijzen. Dit was alzoo vóór den val, en het bleef ? ^« den val, het is nog zoo, en zal zoo tot den einde toe blijven. En op grond hiervan kan het niet anders, of deze in.strumenteele dienst der goede en kwade engelen moet in heel de Voorzienige zorge, en met name in de uitvoering van het genadebestel, als een zeer gewichtige factor worden beschouwd. Ten opzichte van de particuliere genade zien we dit, wat aangaat de goede engelen, uit wat de Schrift zegt, „dat ze uit worden gezonden om dergenen wil, die de zaligheid beerven zullen"; en wat betreft de demonen aan de beteekenis van Jezus' verzoeking voor onze verlossing. En het is dientengevolge aan geen twijfel onderhevig, dat dit zelfde zich instrumenteel bedienen van goede en booze geesten veel meer nog plaats grijpt in de gemeene gratie, die door geheel Gods Voorzienig bestel, dat tusschen den val en het laatste oordeel in ligt, is heengeweven. Een slotsom, waaraan dan ten slotte nog moet toegevoegd, dat overal (en dus ook in de gemeene gratie) waar invloeden uit de geestenwereld werkzaam zijn, deze invloeden en inwerkingen aan alle menschelijke invloeden en inwerkingen voorafgaan, omdat ze dieper liggen.

Gewaarschuwd dient hier alleen te worden tegen het misbruik van deze openbaring der Heilige Schrift, een misbruik hierin bestaande, dat wij menschen ons gerechtigd achten, om ten opzichte van deze werkingen en invloeden uit de geestenwereld nadere bepalingen, met name in toepassing op ons eigen in-en uitwendig leven, te gaan geven. Dit toch is op en top heidensch, en niet naar Christeneisch. De heidenen doen dit. Zij vertellen u op een haar waarin de werking dier goede en booze geesten bestaat. Zij vermeten het zich u die aan te wijzen en te praeciseeren. En zij zijn er daarom steeds op uit, om door allerlei toovermiddelen die booze geesten te bezweren. Daarom dragen ze amuletten, talismans enz., en schrijven aan zulke halsketenen of penningen zekere beschermende kracht toe. Onder sommige volken gaan ze zelfs zoover, dat ze aan hun priesters de macht toe.schrij ven, om deze geesten op te vangen, en alzoo onschadelijk te maken. Geheel deze averechtsche voorstelling der heidenwereld nU vloeit voort uit deze ééne grondfout, dat ze deze geesten beschouwen als werkende uit zich zelf en op eigen gelegenheid, en niet als dienende geesten, die niets vermogen buiten het Goddelijk b; stel. Zelfs de tegenwerping dat in de Schrift toch ook gedurig van zulke persoonlijke toepassingen sprake is, dat Jezus persoonlijk met Satan worstelt, dat Jezus zegt hoe Satan Petrus gezift heeft, dat Paulus gezegd heeft, dat Satan hem met vuisten sloeg, en dat omgekeerd een goede engel Petrus en later Paulus en Silas uit den kerker verlost, bewijst hiertegen niets. Wat toch aan Christus en aan zijn apostelen vrijstond, is deswege óns nog niet geoorloofd. Voor Christus en zijn apostelen was het gordijn weggeschoven, dat voor ons oog ondoordringbaar hangen blijft. Wat ons gegeven is, is alleen, dat we op het getuigenis van Christus en zijn apostelen afgaande, weten dat in het algemeen deze invloeden en werkingen uit de geestenwereld op ons in-en uitwendig leven plaats grijpen, en dat we uit dien hoofde tegen die invloeden van Satan en zijn krachten te bidden hebben, en om de invloeden der goede geesten onzen God mogen aanroepen.

Zelfs zouden we hierin nog iets verder willen gaan, en er nadruk op willen leggen, dat we ons nimmer mogen inbeelden, alsof deze invloeden en inwerkingen van de geestenwereld uitsluitend persoonlijk van aard waren. Integendeel leidt geheel de voorstelling der Heilige Schrift er veeleer toe, om te belijden, dat deze invloeden in de eerste plaats invloeden zijn, die inwerken op den algemeenen toestand en de algemeene gesteldheid der geesten. De tegenstelling tusschen deze inwerkingen op onzen persoon en op de algemeene gesteldheid der geesten is duidelijk. Er heerschen in de wereld waarin we verkeeren, en in de onderscheiden, omgevingen waarin we ons geplaatst zien, zekere geestelijke machten, die men „gewoonten en usantiën, " die men de „publieke opinie, " of „de mode", die men „den tijdgeest" of de „geestelijke atmosfeer" enz. noemt, en die tot uiting komen in de algemeene denkbeelden, in de algemeene begrippen, i 1 de gezag hebbende voorstellingen, en daaruit weer haar weg vinden in de algemeene Hteratuur, in spreekwoorden, in dusgenaamde „trefwoorden" (Schlagwörter), en ten leste zelfs in de rechtsbedceling en in de wet. Dit alles te zaam vormt het stel van de algemeene machten, die ons leven beheerschen. En onder deze algemeene machten staan dan weer andere ongeziene machten, die niet den gang der geesten over heel de wereld, maar slechts bij een bepaald volk, in een enkele provincie, in een enkele stad, of enger nog, in een bepaalden kring of in een enkele familie, of in een enkel bedrijf heerschende zijn. En deze algemeene, en minder algemeene machten zijn het, die, voor zoolang ze heerschen, de opinie, de geaardheid, de zienswijze en de denkbeelden der meeste menschen bepalen. Het is zoo, er zijn altoos enkele personen, die tegen den stroom oproeien, een keer in de algemeene opinie weten te brengen, en op die wijs aan andere invloeden ingang verschaffen. Maar dit zijn eenlingen en het blijven uitzonderingen. Verreweg de meeste menschen daarentegen zijn niet origineel, maar louter product van hun omgeving. Ze spreken niet uit eigen besef en inzicht, maar als echo van het algemeene geluid. Gaat de tijdgeest om, dan gaan ook zij om. Verplaatst ge hen in een andere geestelijke atmosfeer, dan verandert ook hun zienswijze. Maar doorgaande blijft het hun streven, het algemeene type van hun tijd en hun kring te vertegenwoordigen, en bij allen strijd over meeningen en gevoelens, is ten slotte altoos hun krachtigste argument, „dat alle menschen het zoo zeggen", „dat iedereen het zoo beschouwt", en „dat het wel een wonder zou wezen, als iedereen ongelijk had, en gij alleen gelijk". Zelfs op staatkundig gebied ziet ge dat. In een stad als Rotterdam heerscht een geest, die maakt dat de groote massa der gewone menschen steeds in de richting van één enkel blad gaat, maar in Utrecht en's-Gravenhage geeft een heel andere geest den toon aan. Alzoo blijkt hoe sterk afhankelijk een groote massa der menschen is van den in hun kring of in hun woonplaats heerschenden geest, en het is die „heerschende geest", . dien we bedoelden, toen we van „de algemeene gesteldheid der geesten" spraken.

Nu is het volkomen duidelijk, dat op de vorming van die „algemeene gesteldheid" óók allerlei waarneembare factoren inv/erken. Dat is zelfs het geval met allerlei stoffelijke factoren, en veel meer nog met allerlei scholen en richtingen, personen en geschriften, bladen en tijdschriften, gebeurtenissen en omstandigheden. Doch men vergist zich, zoo men waant, dat hiermede de zaak is uitgeput, en dat deze aanwijsbare factoren ons volledig de oorzaak van deze gesteldheid der geesten verklaren. Er werkt achter, onder en in deze aanwijsbare factoren ook een gemeenschappelijke drijfkracht, die voor geen verdere ontleding vatbaar is, en die moet herleid worden tot de geheimzinnige inwerking op ons mcnschelijk leven van invloeden uit de geestenwereld. Het apostolisch getuigenis, dat wij als Christenen den strijd niet hebben met menschen, die als vleesch en bloed voor ons staan, maar ter laatste instantie den strijd hebben met de geestelijke boosheden in de lucht, verheft dit boven allen twijfel. En al kunnen v/e ons hiervan geen heldere voorstelling uitwerken, toch valt hiervan wel iets te zeggen. Dit namelijk, dat wij menschen niet alleen een persoonlijk, maar ook een gemeenschappelijk leven in onderling verband hebben, dat we individuen, maar ook leden van een geslacht, van een familie, van een gezin, van een kring zijn, en dat er alzoo onderscheid moet worden gemaakt tusschen tweeërlei punt, waarop de inwerking van de geestenwereld kan plaats hebben, t. w. óf op ons persoonlijk leven óf op dit verbandsleven, wat men thans ook wel het sociale leven noemt. Natuurlijk gevoelen de Nominalisten hier niets voor. Zij kennen niet anders dan individuen of enkele personen, en laten geen andere gemeenschap noch een ander verband toe, dan hetwelk ontstaat door de bijeenvoeging van deze individuen. Maar wij Christenen, en met name, wij, als Gereformeerden, wij stonden steeds en staan nog vierkant tegen dit in den grond Pelagiaansche nominalisme over, en weten, dat het gemeenschappelijke er naar de idee zelfs eerst is, en dat uit dit gemeenschappelijke het individu opkomt. Er zijn niet eerst eenige duizenden menschen, die pas daarna tot een geslacht worden saamgevoegd, maar het geslacht is er eerst, en uit dit geslacht komen de enkele personen op. Zoo ook ontstaat de kerk niet pas, doordat er eerst zeker aantal geloovigen is, dat zich tot een kerk saamvoegt, maar de kerk is er eerst, en in haar worden de geloovigen geboren en wedergeboren, en door hen komt de kerk tot openbaring. Is dit nu waar bij ons geslacht en bij de kerk, dan moet deze zelfde grondstelling natuurlijk overal doorgaan, en moeten we op alle terrein erkennen, dat wel degelijk ook het gemeenschappelijke leven, het verband van het leven, het sociale element van ons leven aan de geestenwereld een aanknoopingspunt biedt, om op ons in te werken.

Van de meeste personen kan men dan ook niet zeggen, dat Satan genoegzaam notitie neemt, om ze persoonlijk te kastijden of te verlokken. Hij weet zeer wel dat verreweg de meesten met den grooten hoop meeloopen, en dat zoo het hem maar lukt, zijn gif in den stroom des levens te druppelen, verreweg de meesten dit gif vanzelf en willig indrinken. Wat zou hij zich dan nog de moeite geven om hen persoonlijk te jagen. Slechts enkelen zijn er, die macht in zich hebben om zelfstandig te leven, en om deze ten onder te brengen, moet hij hen persoonlijk aanvallen. Opmerkelijk is het dan ook, dat Satan, waar eindelijk de Heere Christus verschijnt, zijn aanval zoo persoonlijk mogelijk maakt, persoonlijker dan bij iemand die voor hem was of na hem kwam, en dat hij onder de apostelen nergens gezegd wordt, Nathanaël of Matthciis te hebben aangevallen, maar wel Petrus en Paulus. De bede in het „Onze Vader" is dan ook in het meervoud: „Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze, " en juist dat meervoud strekt niet in de eerste plaats om zich tegen persoonlijke aanvechtingen te verweren, maar om af te bidden, die gemeenschappelijke booze invloeden, die van Satan op heel de Christenheid of op heel ons geslacht uitgaan. Toegegeven kan alleen worden, dat éSk.iiitverkorene hem vroeg of laat ten mikpunt wordt, en hieruit verklaart het zich dan ook, dat menschen, die vroeger om Satan lachten, eerst na hun bekeering ernstig met deze satanische en demonische invloeden rekenen gaan.

Zoo nu genomen zal de beteekenis der gemeene gratie thans duidelijk zijn. Juist in de algemeene gesteldheid der geesten, zien we tusschen eeuw en eeuw, en zoo ook tusschen werelddeel en werelddeel, een duidelijk verschil. De algemeene gesteldheid der geesten staat nog bijster laag in Afrika onder de negerstammen; staat iets hooger in het hart van Azic; hooger weer in China; nog hooger in Indië; maar is toch in alle deze landen van verre niet te vergelijken met de algemeene gesteldheid der geesten in Europa en Amerika. Al is het toch dat wij in Europa ovef die algemeene gesteldheid der geesten steen en been klagen, omdat we haar schadelijke uitwerking telkens zien en ervaren, toch is het buiten kijf, dat er een wonder van genade zou plaats hebben, indien nien er in slagen kon, om het in Afrika en in Azië zóó te maken zooals het bij ons is. Zelfs kan men deze vergelijking nog verder voortzetten. Wij klagen in óns land, maar in Frankrijk en Spanje zou men u iets hefs geven, indien men den algemeenen geest daar maken kon, gelijk hij hier is. En in nog enger zin kan men zeggen, dat wij tot zelfs in onze eigen kringen steen en been klagen over de algemeene gesteldheid der geesten onder de Christenheid in het gemeen, en zelfs onder de Gereformeerden in het bijzonder; maar als men aan heel ons volk dien ernstiger levenstoon kon aanbrengen die in onze kringen heerscht, zou toch stellig de zedelijke kracht van onze natie ongemeen winnen. Zoo ziet ge dus dat er bij deze „algemeene gesteldheid der geesten" gradueel zeer aanmerkelijk verschil bestaat, en dat ge u ook hier een thermometer kunt denken, die u aanwees, hoe warm of hoe koud die algemeene gesteldheid was. Gij zoudt dien thermometer dan bij het ééne volk onder het vriespunt, bij het andere op het vriespunt zien staan, en bij de overige volken zien khmmen slechts met verschil van graad. Gelijk nu de thermometer op-en needergaat al naar gelang de koude of de warmte in de atmosfeer het zoo gevoelige kwik aandoet, zoo ook gaat onder menschen „die algemeene gesteldheid der geesten" op en neder al naar gelang de geestelijke atmosferische invloeden, die op ons zoo gevoelig zielsleven aandringen, uit de wereld der booze geesten of uit de wereld der goede geesten komen, en uit die beide werelden op ons aandringen met meerdere of mindere kracht van intensiteit. Dit nu is in Gods hand. Zijns is de macht, om óf de invloeden uit de booze óf de invloeden uit de goede geestenwereld de overhand te laten hebben, en óók de macht, om, al naar het Hem behaagt, den graad van intensiteit van deze geestelijke invloeden zwakker of sterker te maken. Liet God deze geestelijke atmosfeer uit de wereld der demonen met volle kracht en ongehinderd op ons en ons leven doorwerken, zoo zou hier op eenmaal de helsche toestand intreden, en dat die schrikkelijke dusver niet intrad, is alleen daaraan te danken, dat het God beliefd heeft, dien invloed in te binden, en ten deele zelfs door invloeden uit de wereld der goede geesten te vervangen.

Hierbij plaats. nu grijpt geen eenvormig bestel plaats.

Het is niet alzoo dat God, na den val, de atmosferische invloeden uit de booze geestenwereld, zeg op tien graden boven het vriespunt vastzette, om nu voorts door alle eeuwen en in alle declen der wereld deze één constante geestelijke atmosfeer te doen heerschen. Neen, de geestelijke atmosfeer, die, dank zij de gemeene gratie, ontstaat, doorloopt evenals de thermometer van. het natuurlijk leven allerlei graden. Toen de Zondvloed intrad was deze atmosfeer op het diepst gezonken, in de dagen der Reformatie klom zij zeer hoog. Niet dat hierin willekeur zou heerschen, als speelde God met ons menschelijk aanzijn. Integendeel, er is in dit alles een vast bestel. God heeft er iets mede voor. Telkens laat Hij die atmosfeer dalen of klimmen naar die geestelijke atmosfeer zijn moet, om de historie der wereld, in al haar verwikkelingen, zulk een verloop te laten hebben, als dit in zijn Raad voorzien is. De einduitkomst blijft doel, en naar dit doel schikt Hij de middelen, en het hoofdmiddel hierbij nu is de regeling van de geestelijke atmosfeer, waarin ons leven zal worden doorleefd. En dan is het steeds God de Heere, die door de verhouding tusschen de koude die uit de demonenwereld komt en de v/armte die ons uit de wereld der goede engelen tegenademt, in de door hem gewilde verhouding te zetten, zijn Raad uitvoert. Maar hoe laag dientengevolge de geestelijke atmosfeer ook dale, zoolang die atmosfeer niet op en onder het vriespunt komt, is er altoos nog gemeene gratie werkzaam. Thans werkt die gemeene gratie wel terdege ook nog in het hart van Afrika en onder de Chineezen, al is het ook, dat deze gemeene gratie zich veel sterker openbaart in de Christenlanden. Voorzoover dan ook in de Christenlanden de algemeene Christelijke denkbeelden vat kregen op de onbekeerde en ongeloovige massa, is het uitsluitend aan den hoogen stand dier gemeene gratie dat dit gelukkig verschijnsel is toe te schrijven; en indien, gelijk thans, die invloed der Christelijke denkbeelden weer daalt, is dit alleen te verklaren uit een zich langzaam terugtrekken dier gemeene gratie, die dan wel niet weggaat, maar zeer merkbaar afneemt in graad van intensiteit.

Wat de Heilige Schrift „de buitenste duisternis" noemt, waar „weening zal zijn en knersing der tanden", is niets anders dan de toestand, die dan intreedt, als de geestelijke atmosfeer geheel op het vriespunt daalt, en zelfs daaronder gaat. Dan houdt alle werking der gemeene gratie op. De zon dezer gratie gaat dan schuil achter zoo dichte nevelen, dat geen enkele van haar stralen hier kan doorbreken, om het leven meer te koesteren en te bewaren voor dood en verderf. Toch zou dit ons verdiende loon voor ons rebelleeren tegen den levenden God zijn geweest. Straf, ja, maar een straf die in niets anders zou bestaan hebben, dan dat het logisch gevolg van onzen afval en opstand over ons gekomen ware. De zonde is een ontsluiting van het hart voor de atmosfeer der booze geestenwereld en een toesluiten van het hart voor de goede geestenwereld. Welnu, had God dit laten begaan, zoodaf alle inwerking der goede geestenwereld ware afgesneden gebleven en de booze geestenwereld ongehinderd en met volle intensiteit op ons had kunnen inwerken, zoo ware de hel de algemeene toestand hier op aarde geworden. En dat dit niet alzoo intrad, is alleen daaraan te danken, dat God met zijn „gemeene gratie" tusschenbeide intrad, links de booze macht inbond, en rechts weer goede invloeden deed uitgaan, en op die wijs ons gemengd leven in zijn verschillende graden van zedelijke gesteldheid deed opkomen. De zon blijft daarbij symbool, gelijk ze opgaat over boozen en goeden, d. i. in het gemeen. Waar de zon doorbreekt ontspruit leven, waar de zon schuil gaat, komt vanzelfde dood. Alle leven versterft alsdan. Een doodswade glijdt over heel de natuur. En kwam eenmaal het moment dat op zekere plek van de aarde de zon nooit meer doorbrak, zoo zou hier de „buitenste duisternis" heerschen in het volstrekte rijk des doods. Is het zoo nu in de zichtbare wereld met de zon, die aan den horizon staat, niet anders is het met de zon der gemeene gratie. Ook waar deze doorbreekt ontkiemt het leven weer. Nog armelijk in wat men geestelijk dan ons Groenland of Nova Zembla zou kunnen noetnen, rijker waar deze zon, ruimer en milder haar stalen uitzendt, en het rijkst waar de zon der gerechtigheid door de wolken breekt. Maar ook hier geldt het, dat waar deze zon der gemeene gratie onzes Gods schuilen gaat het leven verslapt en verarmt, stroef en stram wordt, om ten slotte niets dan het beeld van den geestelijken dood te vertoonen. En komt het eenmaal zoover, dat deze zon zich geheel terugtrekt, en geen enkele straal van haar kostbaren gloed meer door het zwerk breekt, dan zal ook voor een iegelijk, die in zulk een kring bevangen is, niets dan de dood overblijven, de eeuwige dood, die juist daarin bestaat, dat de heerschappij van de booze geestenwereld er volstrekt zal zijn.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene Bratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken