Bekijk het origineel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

"Zalig."

9 minuten leestijd

Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het koninkrijk der hemelen. Matth. 5 : 3.

Zijn eerste brcede toespraak tot het volk, opende Jezus met het verleidelijk heerlijke woord van „Zalig" tot zeven malen toe, en zoo ge er het woord over de „vervolgingen" bij neemt, zelfs tot negen malen toe herhaald.

Later werd nogmaals zulk eene reeks van „zaligsprekingen" van zijn lippen beluisterd, maar van anderen aard.

Wat ge in Lukas zes leest, slaat op sociale niet op geestelijke toestanden. „Zalig zijn ' daar, ' niet de armen van geest, maar „de armen'' In de dusgenoemde Bergrede daarentegen sluit het „zalig" zich rechtstreeks en uitsluitend aan de verschijnselen in het geestelijke leven aan.

„Zalig zijn de armen van geest. Zalig zijn de zachtmoedigen. Zalig zijn, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Zalig zijn de barmhartigen. Zalig zijn de reinen van harte. Zalig zijn de vreedzamen."

Zoo vult de ééne reeks de andere aan. Het is eenzelfde groote gedachte, toegepast op de twee zijden van ons menschelijk leven; eerst op het geestelijke in Mattheüs vijf, en daarna op het uitwendige leven in Lukas zes. Hoe toch beide ook verschillen en uiteenloopen, toch hangt ons in-en ons uitwendig leven saam. En sinds achttien eeuwen heeft al weder de historie van Christus' kerk op dien saarahang het zegel gedrukt. Immers eeuw aan eeuw stond men voor het feit, dat verreweg de meeste „armen van geest, " onder „de armen" ook naar de wereld werden aangetroffen, en dat daarentegen de „rijke jongeling" in verreweg de meeste gevallen bedroefd afdroop, en slechts bij uitzondering inging in het koninkrijk der hemelen.

Al is dus de saamhoorigheid tusschen beiden niet volstrekt, en al mag noch zal iemand beweren, dat alle armen naar de wereld ook „armen van geest" zijn, en al kan noch zal iemand ontkennen, dat er ook onder de „rijken naar de wereld" metterdaad heerlijke „armen van geest" voorkomen, toch weet een ieder die evangeliseeren gaat, het maar al te goed, dat zijn arbeid veel beter oogst belooft onder de kleinen naar de wereld, dan onder wie hooggeplaatst, rijk en machtig en in eere zijn.

Wat wilde Jezus met dat „zalig"?

En dan is het duidelijk, dat Jezus zijn hoorders aangrijpt bij dien trek van hun hart, die in elk nog niet versuft en nog niet vertwijfelend mensch steeds het sterkst spreekt, den trek namelijk om tot een toestand te geraken, waarin de begeerte van zijn hart volle bevrediging vindt.

Het is de onuitroeibare „dorst naar geluk", die voor Jezus het aanknoopingspunt biedt.

Ons leven is gedrukt, valt telkens tegen, en benauwt ons door zorg en inspanning, door tegenspoed en verdriet, door teleurstelling en door lijden. Dit buigt de veer van ons zielsbesef neder. En nu is het Gods genade, dat die neergedrukte veer zich toch telkens weer poogt op te buigen en dat er weer hope op de toekomst wordt gebouwd, in allerlei poging om onzen toestand beter en gelukkiger te maken, en in een tinten van de werkelijkheid met het goud onzer idealen.

Het is, of Jezus zegt: Ik ken u, o, teleurgesteld menschenhart, ik versta uw jagen en dringen, uw heimwee naar geluk. En dien dorst van uw hart leg ik het zwijgen niet op. Die trek der hope in uw ziel is uit God, en juist deswege mij heilig. En daarom luister toe, wat mijn Evangelie u brengen komt, is de profetie dat die dorst naar geluk eens volkomen kan bevredigd worden. Wat ik u breng, is niet maar de belofte van vermindering van lijden, maar het uitzicht op het hoogste, en het rijkste, het uitzicht op zaligheid, op een volkomen al de begeerten uwer ziel toesprekend zalig zijn.

Niets minder.

Eerst het volle, diepe begrip. van „zalig zijn" put den rijkdom van mijn Evangelie uit.

Alleen maar dat zalig zijn is een vrucht, die eerst geplukt kan worden, als de dag des oogstes zal gekomen zijn.

En daarom zet Jezus het alles in den toekomenden tijd. _ „Gij zult God zien." „Gij zult barmhartigheid ontvangen." „Gij zult verzadigd worden". „Gij zult het aardrijk beërven".

Wie te snel plukt, plukt onrijp ooft, waarop de tanden zich stuk bijten. Alleen wie wachten kan, waarborgt zich die zalige toekomst.

Ja, ook het aardrijk, d. w. z. heel deze wereld, met al haar schoon en haar schatten, met al haar glans en haar rijkdom, zal, ontdaan van den vloek, u o, kind van God, eens toehooren, mits ge wachten kunt, en nu haar prijs geeft, om haar eens eeuwig te gewinnen.

Eerst na den oordeelsdag gaat de vervulling van Jezus' belofte in. Dan zult ge heerschen in het nieuwe koninkrijk, dat alsdan een hemelsch karakter zal dragen. Dan zult ge als kinderen Gods een kindsdeel in dat koninkrijk ontvangen. Dan zult ge worden vertroost. Dan zult ge met gerechtigheid verzadigd worden.

Dan zal uw vertroosting volkomen zijn. Dan zult gij het zoet van eindelooze barmhartigheid indrinken. Dan zult gij heel deze wereld als de uwe bezitten. Dan zult gij God zien.

Zeker in het vooruitzicht van zoo zalige toekomst zult ge hier reeds vooruit genieten kunnen. De hope zal uw hart verwijden. Zoo heerlijk heil zal u reeds vooruit in uw ziel doen jubelen. Ge zult al den rijkdom genieten van de zoete verwachting van zoo heerlijke erfenis.

Maar toch het zalig zijn zelf komt dan eerst.

Niet vroeger. Integendeel, tot op den grooten en doorluchtigen dag, zal uw toestand hier nog meer gedrukt dan vroeger zijn. Men zal u smaden, u vervolgen, misschien zelfs u naar het leven staan om Jezus' wil.

Maar dat alles moet ge aandurven. Dien storm moet ge tarten durven, eeniglijk bezield door de blijde verwachting van de haven der zaligheid, waarin ook uw scheepke eens voor anker komt.

Niet te kunnen wachten, is juist de diepe zonde, waardoor de wereld die Jezus verwerpt, eens bij de rampzaligheid zal uitkomen.

Ook bij wie naar Jezus niet luistert, werkt niet anders dan diezelfde „dorst naar geluk" vanuw menschelijk hart, waarop Jezus een beroep doet.

Er zijn er, helaas, die zelfs dat heimwee naar geluk in hun hart gesmoord hebben, en met somberen blik, zwartgallig en zwaarmoedig, hun doelloos bestaan voortsleepen, of ten leste, de hand aan zich zelf slaan.

Deze zijn als vermolmde boomen, waar geen blad meer aan uitbot, en aan wier takken geen bloeisel meer ontluikt.

Maar dezulken zijn uitzonderingen. Verreweg de meesten worstelen rusteloos en moedig door.

Vooral in hun jonge jaren. Alleen maar, ze richten zich op een tijdelijk en voorbijgaand geluk. Ze willen een winstgevende betrekking.

Ze willen geld verdienen of door speculatie winnen. Ze willen eer en aanzien najagen. Ze hunkeren naar invloed en naar een machtige positie in het leven.

Het „zalig zijn" ligt hun te hoog. Naar een volkomen geluk durven ze de hand niet uitstrekken. Ze laten zich met het mindere vergenoegen, en kiezen een tijdelijk, spoedig bereikbaar doelwit. En daar gaan ze op af. Daarheen strekt zich hun eerzucht uit. Daarvoor brengen ze elk offer. Daarop richten ze hun leven, hun neiging, en al hun kracht.

En dat ziet Jezus. Zoo vindt Jezus de menschen; al die mannen en die vrouwen, die daar om hem staan, of nedergehurkt het hoofd opbuigen, om naar hem te luisteren.

En nu roept Jezus hun toe: Niet alzoo, mijn vrienden! Zoo komt ge er niet. En, al kwaamt ge er ten deele, het zou u toch nooit waarachtig geluk brengen. Juist omgekeerd ligt de weg.

Ge moet u niet naar boven willen werken, maar juist in de diepte durven afdalen.

En dan grijpt ge hier niet een tijdelijk geluk, maar clan vindt ge eenmaal, naar ziel en lichaam, volkomene, volstrekte, in niets falende zaligheid.

Met dit zevenvoudig „zalig" ontsluit Jezus alzoo een geheel anderen weg, en stelt een geheel andere opvatting van het leven en van ons aanzijn tegen de levensopvatting der steeds worstelende en er nooit komende wereld over.

Wat Jezus voor het zielsoog doet schitteren is een geheel ander einddoel. Niet na jaren arbeids een kort aantal jaren rentenieren. Niet onder strijd en moeite tegen dat ge oud wordt, voor korte jaren een positie van eere en aanzien in te nemen. Niet een gedeeltelijke bevrediging van uw hart. Niet een gemengd genot voor een wijle. Neen, maar zaligheid, storelooze, nooit eindigende zaligheid. Zaligheid voor uw ziel die in God rust, en zaligheid voor uw uitwendig leven, dat ge heel het aardrijk beërft. En dit dubbele zalig zijn eeuwiglijk en altoos. Maar bij dit heel andere einddoel hoort dan ook een heel andere weg, om het te bereiken.

Door de diepte leidt die weg, om juist daardoor eens op den top des bergs uit te komen.

Door "armoede van geest. Door een hongeren en dorsten naar gerechtigheid, die ge eerst grijpen kunt als het lichaam des doods zal zijn afgelegd. Door een treuren, 'dat eerst dan in een jubelen en lachen zal kunnen overgaan. Door een toegeven en vreedzaam zijn. Door een uit den weg treden en zachtmoedig verkeeren.

Door het te dulden en te dragen dat men u smaadt en u vervolgt.

In alles dus, dat ge hier den valschen schijn aflegt, en uw innerlijken en uiterlijken toestand neemt, gelijk die metterdaad is, en God dien ziet. En dat ge in dit leven het lijden en de vernedering aanvaardt, om na een korten tijd van gedruktheden, eens eeuwiglijk de zaligheid, het volle zalig zijn, uit de hand uws Gods te genieten.

Nu zijn er, die deze twee vereenigen willen.

Die denken: Ik zal gelooven, om die zaligheid die Jezus mij voorspiegelt, te verwerven. En tegelijk zal ik met de wereld meedoen, om al te genieten wat zij mij hier reeds biedt.

Maar juist dat kan niet. Het ééne sluit het andere uit. Ge kunt niet tegelijk mikken op een doel dat vlak voor u staat, en op een doel dat ver aan den gezichtseinder ligt.

Ge staat hier voor een keuze. Voor een keuze die op den wortel van uw leven teruggaat, en in het diepst-verborgen van uw hart tot beslissing moet komen.

Uw koninkrijkje op aarde, of het koninkrijk der hemelen. Hier voor een tijd een voorbijgaand geluk, of eens eeuwiglijk volkomen zaligheden.

Maar dan ook voor die andere keuze. Of u zelven ophouden, u verrijken, en u zelven naar boven werken. Of, heel anders, arm van geest zijn, de tranen en den honger kennen, en smaad om Jezus' wil liefhebben.

En nu zoudt ge denken, dat althans in Jezus' kerk een iegelijk voor zaligheid, maar dan ook voor den weg door de diepte zou kiezen.

En toch, zie om u heen, keer in uzelven, en hoe heel anders is dan niet vaak de werkelijkheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken