Bekijk het origineel

Vrij Beheer.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Vrij Beheer.

11 minuten leestijd

De Haagsche Synode, de inspiratie van haar oorsprong volgende, waagt steeds beslister de poging, om ook het beheer der kerkelijke goederen onder haar macht te brengen.

Dit nu lokt een merkwaardig verzet uit, niet alleen van Moderne, maar ook van Confessioneele zijde, en interessant is metterdaad het stuk dat hierover duor de Confessioneele Vergadering aan de kerkvoogdij, met het oog op de classicale vergaderingen, die eerlang zouden samenkomen, is toegezonden.

Dit stuk luidt als volgt:

Aan de Ke7-kvoogdijen der

Ned. Hervormde Kerk.

WelEdele Heer en!

Zooals u bekend is, zal op de a.s. Classicale Vergaderingen weder advies moeten worden uitgebracht over een door de Synode voorloopig aangenomen „Reglement op het beheer van de Kerkelijke goederen en fondsen der gemeenten van de Nederlandsche Hervormde Kerk." Dit reglement verschilt in menig opzicht van zijn voorganger, t. w. van het reglement, dat ten vorige jare ter fine van advies aan de Classicale Vergaderingen werd toegezonden. Ja, het verschil is zoo groot, dat het in zekeren zin als een niemu reglement kan gelden. Zoo althans ; is het ook door de Synode zelf beschouwd, die op voorstel van een harer leden, met 15 tegen 4 stemmen besloot, dat de Kerk over dit reglement behoorde te worden gehoord, omdat „het reglement, in 1896 voorloopig aangenomen, zulke diep ingrijpende wijzigingen had ondergaan, dat het het karakter van een nieuw reglement had gekregen." i) Waarin bestaan nu die diep ingrijpende 'wijzigingen^ Door een der prae-adviseerende leden van de Synode des vorigen jaars zijn zij als volgt aangeduid: „In dit reglement wordt de scherp kerkelijke lijn, die in het vorige zeer consequent was doorgetrokken, uitgewischt en het ontwerp zelf wordt gestuurd in de richting van het Collegie van Toezicht."

„Wat zal dus de positie zijn, wanneer dit reglement wordt aangenomen? Een Kerk niet met eenheid, maar met tweehoofdig bestuur.

Naast de Synode en de andere Besturen nog een andere niet minder uitgestrekte en beteekenende macht." 2) Hoe kwam het nu, dat de Synode op voorstel van hare Commissie van Rapporteurs er toe IS overgegaan, die diep ingrijpende wijzigingen aan te brengen? Ongetwijfeld hebben wij de oorzaak te zoeken in het feit, dat door een der leden der Synode met nadruk is vermeld: " En onze Synodale tafel is werkelijk overladen met de krachtigste protesten van de zijde der wettige beheerders van de Kerkelijke goederen en fondsen. Van het Noorden tot het^ Zuiden, van het Westen tot het Oosten •weerklonk door heel de kerk in alleriei vorm niet slechts het kalm verzoek om de ontworpen beheersregeling maar weder terug te nemen, maar ook —• zoo zegt het rapport — het ernstige protest, de besliste waarschuwing en het onomwonden dreigement, " 3)

Wat blijkt dus uit deze dingen? Is het niet dit, dat de kerk over het geheel niet gediend was van de door de Synode van 1896 voorgestelde en ontworpen en voorloopig aangenomen wijzigingen in zake het beheer ? Is het niet dit, dat door zeer, zeer velen aan de Synode de bevoegdheid werd betwist om het beheer te regelen en een reglement vast te stellen, gelijk zij voorloopig had aangenomen?

Wat heeft nu de Synode gedaan ? Heeft zij het geheele reglement ingetrokken? Neen, dit niet; maar wel heeft zij het ontworpen reglement meer in overeenstemming gebracht met en doen aansluiten aan de bestaande toestanden. Om één voorbeeld te noemen: waar in het reglement van 1896 macht en zeggenschap aan de Provinciale Kerkbesturen was toegekend, daar is die macht en zeggenschap in het nu ontworpen reglement gegeven aan „Colleges van Toezicht, " (zie b.v. art. 37, al. 3) of aan de „afgevaardigden der gecombineerde vergaderingen van Kerkvoogden en Notabelen" (zie b.v. art. 48, al. i, oud en art. 47, al. i, nieuw).

Wat is nu het doel? Blijkbaar geen ander, dan het zoogenaamd „imperium in inperio" te doen ophouden, d. w. z. een eind te maken aan de gedeeldheid van Bestuur en Beheer, aan de dusgenaamde „hoogheid" der Kerkvoogden en aan de hier en daar voorkomende onregelmatigheden in het beheer der Kerkelijke goederen. Zal nu het doel door dit reglement worden bereikt ?

Wij betwijfelen het zeer. Wij zouden althans de artikelen niet weten aan te wijzen, die daarop goede hope geren. Van ganscher harte kunnen wij ons dus vereenigen met dat lid der Synode, dat verklaarde, dat dit reglement z. i. „zeer weinig gaf." 4) Doch wij kunnen verder gaan en niet slechts spreken van weinig ingenomenheid met dit reglement, maar zelfs verklaren, dat het ons alleszins onaatinemelijk voorkomt.

Zooals wij reeds opmerkten, sluit dit reglement zich meer dan het voorgaande bij de bestaande toestanden aan. Toch doet het dit niet geheel. Naar het ons voorkomt, is er n.l. eene sterke neiging waar te nemen om aan het z.g.

„vrij beheer" voor goed, of althans zooveel mogelijk een genadeslag toe te brengen. Het eenige artikel toch, waar over dit z.g. „vrij beheer" wordt gesproken, is art. 78, en wat daar te lezen staat, toont duidelijk, dat men daaraan liefst zóó weinig mogelijk plaats wil laten. Tegen het toenetnen van het aantal der gemeenten met „vrij beheer" waakt de 2de alinea. En de iste alinea is er blijkbaar op uit dit aantal te verminderen.

In de eerste plaats toch is het noodig, dat de gemeente deze aanvrage doe om „vrij beheer" te mogen houden. Verzuimt zij dit, dan zal zij natuurlijk — al staat dit niet met zoovele woorden te lezen — haar „vrij beheer" per se verliezen. Doch wij nemen aan, dat de aanvrage inzee gaat, dan moet in de 2 de plaats het plaatselijk Reglement worden overgelegd. Kan zij dat nu om de eene of andere redenen niet doen, och, dan blijft er voor haar maar weinig hoop over, dat hare aanvrage succes zal hebben, het „mits" in al. i zegt genoeg. Doch gesteld nu wederom — en dit is dan het gunstige geval — dat de aanvrage van het bedoelde reglement wordt vergezeld, is het dan zeker, dat de aanvrage met gunstigen uitslag zal worden bekroond?

Verre van dien, want aldus staat er te lezen: „Door de Algemeene Synode of de Synodale commissie kan na bekomen inlichting aan gemeenten op aanvrage vergunning worden verleend om de regeling der administratie, die bij het in werking treden van dit reglement aldaar bestaat, te behouden."

Merkt gij het wel? Die vergunning kan worden verleend; dat zij zal worden verleend, is dus volstrekt niet zeker, althans niet noodwendig. Moet hier nu al dan niet aan verkrachting van rechten worden gedacht? Volgens het ontworpen reglement niet, want daar wordt het voorgesteld (zie al. 2) alsof de gemeenten met „vrij beheer" dispensatie hebben gekregen onder Koning Willem I. Maar is die voorstelling juist? Was het in die gevallen het verkenen van dispensatie of het erkennen van rechten? Wij vragen slechts.

Doch afgescheiden hiervan komt het ons voor, dat de Synode zonder meer geen recht heeft, zulk een reglement vast te stellen, gelijk zij nu voorloopig heeft aangenomen. In Alg. Regl. art. 65, al. z is voorgeschreven: „Omtrent de administratie der bizondere kerk-, pastorie-, costerij-en andere gemeente-fondsen, en de betrekking tusschen derzelver bestuurders en de terkeraden zullen nadere bepalingen worden ontworpen." Hier is dus wel sprake van „ontwerpen, " maar niet van „vaststellen." En nu mogen zelfs rechtsgeleerden van naam beweren, dat, wie het recht heeft te „ontwerpen, " ook het recht heeft om „vast te stellen" — dit moge in het algemeen waar zijn — in dit bizonder geval gaat die stelling zeker niet op. De Synode moge het recht hebben een reglement op het beheer enz. te ontwerpen, zij kan tot de vaststelling niet overgaan, tenzij zij daartoe door de gemeenten worde gemachtigd. Voor het beheer toch hebben de gemeenten — om het zoo uit te drukken — andere organen dan voor het bestuur. En nu staat de Synode wel met de bestuurs organen, maar niet met de beheers-oïganen in betrekking. Krachtens historische rechten zijn Bestuur en Beheer in onze kerk altijd gescheiden geweest en nu gaat het niet aan met een Coup d'état die scheidsmuur af te breken, al wil men dit ook met de beste bedoelingen ondernemen.

Wij zullen thans niet onderzoeken, of de in onze kerk bestaande scheiding van bestuur en beheer wenschelijk is, of die in overeenstemming is te achten met de beginselen van kerkregeering, die zijn neergelegd in onze Formulieren van Eenigheid en hunne uitdrukking hebben gevonden in de kerkorden van Emden, etc.; wij zullen thans niet vragen, of hier en daar niet onregelmatigheden in het beheer zijn voorgekomen en wellicht nog voorkomen; evenmin ot niet op meer dan eene plaats de verhouding tusschen kerkeraad en kerkvoogdij anders behoorde te wezen dan die is; wij laten die quaesties thans allen rusten, om alleen de vraag te bespreken: „Heeft de Synode het recht, de bevoegdheid om het beheer te regelen, gelijk zij zich onderwonden heeft dit te doen? En op die vraag antwoorden wij; „neen, dat heeft zij niet." Door alzoo te doen zou zij zich vergrijpen niet alleen aan de rechten van de gemeenten met „vrij beheer, " maar ook aan die van de gemeenten, die „beheer onder toezicht" hebben. Dat recht, die bevoegdheid zou de Synode eerst dan bezitten, wanneer zij daartoe bemachtigd werd door de stemgerechtigde lidmaten der onderscheidene gemeenten, die dan voor dat doel zouden moeten worden opgeroepen door de „beheersorganen" der gemeenten.

Deswege is het onze overtuiging dat de Classicale Vergaderingen (en ook de Provinciale Kerkbesturen) over genoemd reglement geen advies kunnen uitbrengen, gelijk de Synode dit verlangt; dat het advies hierin zal moeten bestaan, dat eenparig worde verklaard: „wijkuntien geen advies geven, omdat wij ons onbevoegd achten, en derhalve verzoeken wij U, Synode, dit reglement te bergen bij de merkwaardige docume7tten van het Synodale archief, omdat ook gij, naar onze overtuiging, de bevoegdheid mist een dergelijk reglement vast te stellen."

Dringend verzoeken wij U derhalve daartoe mede te werken, dat op de a. s. Classicale Vergaderingen in bo vengenoemden zin worde geadviseerd, mede opdat voorkomen worde, dat onze kerk, die zich pas begint te herstellen van de beroeringen van 1886, op nieuw worde geteisterd door een reeks van processen en door den nasleep van een gerechtvaardigd verzet. Want hieraan hebben wij niet te twijfelen; mocht dit reglement worden vastgesteld, dan zal menige kerkvoogdij en menige gemeente niet geneigd wezen zich zulk een verkorting van rechten te laten welgevallen. Het is al meer dan eens gezegd: „de gemeenten zullen zich moeten verzetten, opdat het voorvaderlijk erfdeel onbesmet aan het nageslacht worde overgeleverd."

Beware de Heere ons dus daarvoor, dat het zoover zou moeten komen. Worde dit van Hem gevraagd. Maar dan worde niet minder gedaan, wat de hand vindt om te doen. En zij het protest der kerk dus ditmaal even krachtig als het verleden jaar is geweest. „Dus roepen wij allen, die recht en gerechtigheid liefhebben op, om in het geweer te komen, den vijand (d. i. het ontworpen Reglement en de daarin tot uitdrukking gekomen bedenkelijke machtsaanmatiging der Synode) goed in het aangezicht te zien, en te bedenken dat, als gij hem niet doodt, hij U vermorzelen zal, " d.w.z. alle waarborgen tegen een niemu pausdom dan zijn weggenomen. Zoo schreef een onzer beste kenners van het kerkrecht. En dat woord geeft te denken, dient te worden overdacht, dient te worden behartigd. Sta alzoo ieder lid der Classicale Vergaderingen pal en weêrklinke het allerwege: „O, Synode, wij danken U voor uwe goede bedoelingen, voor uwen keurigen arbeid, maar meer kunnen wij niet doen, want èn gij èn wij zijn onbevoegd het beheer te regelen zonder mandaat der gemeenten, en Alg. Regl, art. 65, al. 2, geeft U de vrijheid niet eens zulk een ingrijpende verandering in de regeling van het beheer te ontwerpen, gelijk gij dat hebt gedaan."

Zegene de Heere die roepstem, onze Kerk tot heil.

1) Synod. Hand. 1897, p. 564, 2) Synod. Hand.

1897, p. S47. ^) Synod. Hand. 1897, p. 551. *) Synod. Hand. r897, p. 558.

Zonderling kras wordt hier gesproken.

Gedreigd zelfs.

Gedreigd met beroep op het recht der „gemezntett". Let op dit meervoud. Met het oog op de Formulieren van éénigheid. Met het oog op het Gereformeerde kerkrecht, gelijk dit te Emden het eerst tot voorloopige uiteenzetting kwam.

Nu verwachten we hier weinig van.

Als de Synode doorzet, weet men vooruit, dat de oppositie toch ten slotte het hoofd in den schoot legt.

Maar, wie zich onzen strijd voor „Vrij Beheer", en onzen strijd van 1886 herinnert, en indenkt hoe toen een kerkbestuur het reglement van het Amsterdamsch Vrij Be heer vernietigde, zet toch vreemde oogen op, als hij thans een argumentatie te lezen krijgt, die als twee druppelen waters, op onze betoogen van destijds gelijkt, en dat wel van de zijde dierzelfde mannen, die toentertijd met de Synode tegen ons saamspanden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Vrij Beheer.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken