Bekijk het origineel

Voor hinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor hinderen.

6 minuten leestijd

IN DE LEER.

XIII.

De winter van het jaar 1519 was aangebroken. Hertog Ulrich had gelukkig op Hohentwiel geen last geleden van zijn vijanden die, nu de hertog eenmaal over den Rijn was en bleef, blijkbaar hem niet meer gevaarlijk achtten.

Ulrich echter bleef voortdurend uitzien naar en hopen op betere dagen.

Op een morgen zat Willem in een klein vertrek, grenzend aan de slotkapel, dat door den geheimschrijver gebruikt werd om er te arbeiden. De knaap ontving daar lessen in lezen, schrijven en andere kundigheden, waarin hij bijster achterlijk was. Dit was minder zijn schuld dan die zijner bloedverwanten. En al had Janowitz nu ook meer lust in rijden en jagen, dan in 't nateekenen van letters met een groote ganzenpen of 't spellen van woorden, hertog Ulrich stond er op en zei: „Een edelman moet geen schrijver noodig hebben, dan wanneer hij 't verkiest." De knaap was trouwens wijs genoeg, om zelf te begrijpen hoe verstandig die woorden waren en deed zijn best — zeer tot genoegen van zijn onderwijzer en zijn heer.

De lessen •— die tweemaal daags werden gegeven — waren voor dien morgen bijna afgeloopen, toen van den slottoren het geluid van den hoorn weerklonk, een teeken dat : de wachter iemand zag naderen. De secretaris sloot nu zijn boek, en Janowitz ging naar beneden, om te wachten, of de hertog hem bij de komst van gasten wellicht ten dienst zou noodig hebiben.

Niet lang duurde het, of onze vriend zag de deur opengaan om twee personen binnen te laten, van welke de een naar zijn kleedij, een welgesteld landbouwer, de ander een edelman scheen.

Dadelijk herkende Willem in hen landslieden.

Zij werden naar de vertrekken van den hertog geleid, die echter heel den morgen Janowitz' diensten niet scheen te behoeven. Blijkbaar wer den er gewichtige zaken besproken. De hertog liet te 12 uur het middagmaal — dat toen ook v/ezenlijk op den middag werd gebruikt — voor zich en zijn gasten in zijn kamer brengen. De overige kasteelbewoners aten nu op eigen gelegenheid, wat anders gewoonlijk alleen de mindere beambten deden.

Des namiddags liet de hertog zijn lijf bediende roepen. Twee paarden werden gezadeld, en weldra bevonden zich - Janowitz en zijn meester in het vrije veld, beschenen door de heldere winterzon. Zij reden snel, en van tijd tot tijd maakte de hertog een opmerking tot Janowitz hoe hij te paard moest zitten, hoe zijn rijdier 't best besturen en zoo meer.

Want heer Ulrich was een meester in alle ridderlijke oefeningen, en vond er groot genoegen in, zijn jongen gunsteling, in al wat een ridder moest weten en kennen, te onderwijzen.

Toen zij na een uur weder in het kasteel teruggekeerd waren, zette de hertog zich neder bij den haard, waarin een groot houtvuur brandde, en wenkte Janowitz hem de harp aan te geven.

Nu begon Ulrich de snaren te tokkelen, en een dier schoone liederen te spelen, waaraan Duitschland steeds rijk is geweest. Lieflijk klonk het harpspel. Janowitz luisterde met oplettendheid.

Eindelijk reikte de hertog hem het speeltuig over, en sprak: „Beproef gij het nu eens !" Janowitz liet de vingers over de snaren glijden, en trachtte de juiste tonen te treffen.

Hij deed echter menigen misgreep. De hertog verbeterde dan geduldig wat verkeerd was, en rustte niet, vóór zijn leerling althans datgene waaraan hij nu bezig was, zuiver speelde, al duurde het ook geruimen tijd. Eindelijk was Willem de fouten te boven en de hertog sprak : „Nu tot morgen; gij zult het wel leeren, mijn zoon."

„Ik hoop het, genadige heer, " was het antwoord, „het kost veel moeite."

„Des te grooter is het loon, zoo gij slaagt, vriend. En daarbij is het een schoone kunst, die de booze gedachten verdrijft, die ons dikwijls troost in ons ongeluk, en bovenal die ons God leert verheerlijken. Dat alles heb ik zelf ervaren; kom, willen we samen nog eens een lied zingen? " En de vorstelijke onderwijzer, van wien Janowitz zoowel harpspelen als zingen leerde, hief met zijn krachtige, welluidende stem een lied aan Gode ter eer. Zijn trouwe huisgenoot stemde in, en de hertog begeleidde het gezang op de harp. Toen zij geëindigd hadden, sprak Ulrich: „Ziet gij, mijn jongen, dat is beter troost dan die de menschen geven. Want dit lied zegt ons op God te bouwen, gelijk David en vele andere heilige mannen gedaan hebben. Dat hebben we allen noodig, ook om vrome en wakkere ridders te zijn."

Willem ging nu naar beneden, om 't een en ander te verrichten en dan bij den geheimschrij ver de les te hervatten, die hem echter lang zoo aangenaam niet was als 't onderwijs van den hertog. Trouwens in dat laatste was dan ook vrij wat meer afwisseling. Heer Ulrich wilde zijn gunsteling tot een edelknaap maken, die zijn stand eerde. Zoo nam hij hem dan mee ter jacht, oefende hem in het rijden, schermen, schieten, kortom in al wat een ridder dier tijden noodig was. En daar de meester de kunst volmaakt verstond, de leerling niets liever wilde dan vooruit komen, de een den ander liefhad, en 's Heeren zegen eiken dag werd gevraagd, ging het werk recht voorspoedig.

Tegen den avond traden de twee bezoekers, die des morgens gekomen waren, weder bij den hertog binnen. Zij waren uit Wurtemberg, en kwamen hun gevluchten vorst opzoeken, gelijk vaak gebeurde. Want hertog Ulrich, hoe veel vijanden hij ook buitenslands had, was onder zijn eigen volk zeer bemind. De twee heeren hadden echter hun geliefden vorst weinig goeds kunnen melden. De vijanden, zoo meldden zij. waren nu in het land heer en meester. Doch men wist niet recht wat er mee te doen, en wie er nu eigenlijk het oppergezag moest hebben.

„Dat komt er van als men den rechtmatigen vorst verjaagt, " sprak Ulrich. „Toch zou het niet wijs van mij zijn terug te keeren. Om den Rijksban geef ik niet, maar mijn vijanden zijn vele."

„En zeker zouden zij zich vereenigd allen tegen u keeren, zoo ge thans weder kwaamt, genadige heer, " sprak een der gasten. „Wij mogen u niet aanraden, thans in Wurtemberg te komen, hoe gaarne wij 't ook zouden willen.

Gij moet uw tijd verbeiden; wij zullen u van alles op de hoogte houden."

Den volgenden morgen namen de twee bezoekers afscheid. Hertog Ulrich volgde hen lang met de oogen, toen zij wegreden den kant naar den Rijn op. Toen hief hij den blik ten hemel en sprak: „o Heere, hoe lang zal 't nog zijn, eer ik ook weder dien weg ga. Doch uw wil geschiede."

W. G. Onder Cubanen moeten we niet verstaan menschen, wier voorgeslachten vele eeuwen lang op dat eiland hebben gewoond. De Spanjaarden ontdekten het eiland omstreeks 1500.

De inbo'orlingen waren niet talrijk, werden onderworpen, maar waren ongeveer in 't midden der i6de eeuw reeds allen uitgestorven of uitgeroeid.

Van dezen is dus niemand meer over. In plaats der inboorlingen werden negers als slaven ingevoerd.

Tegenwoordig bestaat de bevolking van Cuba uit Spanjaarden of afstammelingen van Spanjaarden (Creolen^, kleurlingen (geen blanken) en vele vreemdehngen uit Europa en vooral uit Azië. Samen zijn 't een anderhalf miljoen menschen, verschillend in velerlei. Bijna een miljoen zijn Spanjaarden of Creolen. De slavernij is voor eenige jaren op Cuba afgeschaft.

HoOGENBIRK.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Voor hinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 juli 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken